De Raad van Europa vormt een ietwat vreemde eend in de Europese bijt. Het instituut mag niet worden verward met wat gemeenzaam "de Raad" heet of de ad hoc-vergaderingen van al de ministers uit de lidstaten van de Europese Unie die over één bepaalde bevoegdheid gaan; Verkeer, Financiën, Landbouw... Zij vergaderen - meestal in Brussel - over problemen op hun speficiek domein en maken deel uit van het "reguliere" Europese circuit. De Raad van Europa daarentegen staat daar los van en figureert binnen een parallelle Europese constructie. In een van de vergaderingen zetelen parlementsleden uit de grotere politieke families van een veertig lidstaten.
...

De Raad van Europa vormt een ietwat vreemde eend in de Europese bijt. Het instituut mag niet worden verward met wat gemeenzaam "de Raad" heet of de ad hoc-vergaderingen van al de ministers uit de lidstaten van de Europese Unie die over één bepaalde bevoegdheid gaan; Verkeer, Financiën, Landbouw... Zij vergaderen - meestal in Brussel - over problemen op hun speficiek domein en maken deel uit van het "reguliere" Europese circuit. De Raad van Europa daarentegen staat daar los van en figureert binnen een parallelle Europese constructie. In een van de vergaderingen zetelen parlementsleden uit de grotere politieke families van een veertig lidstaten. Tot de biotoop van deze raad behoort onder andere een eigen gerechtelijk systeem - het Europees Hof voor de Rechten van de Mens - of een invloedrijke commissie als die (opnieuw) voor de mensenrechten. De raad speelt in feite tweede viool op het Europees toneel. In tegenstelling tot het eerste Europese circuit, kan deze constellatie zich meestal alleen beroepen op een - weliswaar groot - moreel gezag; alle beslissingen genomen door de Unie, blijven tot nader bericht onmiddellijk, wettelijk afdwingbaar in de lidstaten. Vandaar ook het relatief beperkt belang dat er aan de raad wordt gehecht. De krant De Standaard schreef vorige week zelfs onomwonden: "Het gros van de activiteiten komt tegenwoordig neer op bezigheidstherapie." EEN BEOTIER OP EEN ALMZo heeft Georges Clerfayt het nooit begrepen. De FDF'er neemt de Raad van Europa helemaal au sérieux. Hij maakt er weliswaar geen deel van uit, maar kan door een gril van de reglementen toch zetelen in de commissies. Clerfayt beweegt zich graag en met veel verve in dit internationale en multiculturele gezelschap. Hij vindt er samen met zijn PRL-maat Armand De Decker mensen met veel tijd en een hoge luisterbereidheid. Het duo diende na eindeloos gelobby en jeremiaden over de verdrukking van de Franstaligen in de Brusselse faciliteitengemeenten, een voorstel tot resolutie in. Daarop stuurde de raad een verslaggever om de situatie in de Rand te onderzoeken en zo kwam finaal het inmiddels beruchte rapport- Columberg tot stand. Aan beide kanten van de taalgrens lokte het werkstuk - in feite een ontwerp van verslag - ongemeen veel reacties uit. Franstalige media en politici raakten ei zo na in een delirium. Eindelijk werd het Vlaams imperialisme aan de kaak gesteld, Leo Peeters mocht als Vlaams minister van Binnenlandse Zaken zijn rondzendbrieven (over het beperken van de faciliteiten) vergeten, de democratie in de zes faciliteitengemeenten zou worden hersteld. Aan Vlaamse kant kreeg Dumeni Columberg het etiket opgeplakt van een beotiër, die de mensheid - lees de Vlaamse gemeenschap - een dienst zou hebben bewezen door rustig op zijn alm te blijven zitten. In werkelijkheid ziet het volledige verslag van Columberg er in zekere zin evenwichtig uit. Anders dan het gedruis in de media laat vermoeden, bevat het aanbevelingen op drie niveaus. Eerst voor de Vlaamse regering. Die krijgt het advies anderstaligen op het Vlaamse grondgebied te integreren, niet te assimileren, het recht op een eigen identiteit voor minderheden te erkennen en te stoppen met de afbouw van de faciliteiten in de Brusselse Rand. Met andere woorden: trek de rondzendbrieven van onder meer Peeters maar in. Ook de Franstaligen raadt Columberg aan zich te integreren, bijvoorbeeld door de taal te leren en zich in het lokale culturele leven te mengen. Verder moeten zij erkennen dat ze op anderstalig grondgebied leven, stoppen met hun pogingen om de faciliteiten uit te breiden of een feitelijke tweetaligheid op te dringen. Behalve wanneer gans de Belgische taalkwestie opnieuw op tafel zou komen, want dan is volgens de Zwitserse verslaggever weer alles mogelijk. Dat alles staat gebald in de derde serie aanbevelingen, bestemd voor de federale regering. Daarin doet Columberg een aantal suggesties die op hoongelach zijn onthaald. Zou het, bijvoorbeeld, nuttig zijn de verschillende taalgemeenschappen opnieuw aan tafel te zetten? Want is de politieke en maatschappelijke context sinds het vastleggen van de taalgrens niet wezenlijk veranderd? Kan méér rechtstreekse democratie - referendums, met andere woorden - een uitkomst bieden voor de huidige problemen? Kan de Belgische bevolking zich niet eens uitspreken over een volledige tweetaligheid in het ganse land? Is er iets verkeerds aan als de betrokken gemeenten zelf zouden beslissen waar ze naartoe willen? De Zwitserse rapporteur haast zich om telkens te onderstrepen dat elk initiatief in dit kader van "des problèmes très difficiles et apparament insurmontables" moet worden ingebed in overleg, begrip en respect voor ieders eigenheid, voor de historische werkelijkheid en vooral voor de bestaande instellingen. INEENS WAS DAAR DE TAALGRENSDe nota-Columberg lijkt dus een stuk genuanceerder dan uit de hetze in de media blijkt. Daarom is het nog geen perfecte synthese van de problemen in de Brusselse faciliteitengemeenten en biedt het ontwerp evenmin de perfecte aanbevelingen of oplossingen. In de omstandige motivering van zijn uitvoerig opstel, begeeft Dumeni Columberg zich herhaaldelijk op voor hem wel zeer glad ijs en gaat hij zelfs al eens uit de bocht. Te veel en te vaak baseert hij zich niet op harde, feitelijke informatie, maar op losse niet nagetrokken gegevens. Het heet dan "il semble que...", elders "j'ai même entendu parlé de..." of "si cela est vrai..." De Zwitser blijkt ook een nogal particuliere kijk te hebben op de taalconflicten. Volgens hem gaat het niet over een politieke Spielerei of wat lokaal geblaat, maar bijna over een open oorlog tussen twee gemeenschappen. Inclusief kindertjes die niet naar bepaalde scholen mogen, bibliotheekboeken die stuk voor stuk worden geteld, beslissingen van gemeenteraden die permanent naar de prullenmand gaan. Een totale oorlog dus, die ook relatief onbeduidende media als De Randkrant, Carrefour of Télé-Bruxelles met de ijver van een jihad voeren. Columberg is duidelijk niet altijd even goed op de hoogte van de plaatselijke mores. Hij weet bijvoorbeeld niet dat Gewesten en Gemeenschappen nu al allerhande akkoorden en overeenkomsten mogen afsluiten. Dat het invoeren van een feitelijke tweetaligheid eerder al eens is voorgesteld. En hij worstelt krampachtig met het uitgebalanceerd arsenaal van juridische constructies dat is uitgebouwd om de taalproblematiek te bevriezen. In dit zelfs voor Belgen ondoordringbaar woud van wetten en decreetjes, bevoegdheden en grondwettelijke principes, loopt Columberg enigszins verloren. En vertekent in zijn vlijt de historische werkelijkheid. Zo vat hij onder meer de visie van de Franstaligen op heel de problematiek samen en uit dit hoofdstukje blijkt dat onze taalgrenzen wel bijzonder snel en totaal onverwacht tot stand kwamen; "certaines personnes se sont simplement réveillées un matin du mauvais côté de la frontière". Dergelijke uitschieters getuigen niet meteen van een groot doorzicht in de vaderlandse geschiedenis. Volgens kenners heeft Dumeni Columberg zich al te zeer laten "inpamperen" door collega's als Clerfayt, die weken rond de verslaggever hingen. Zij hebben hem er zeker niet op gewezen dat zijn tocht niet van alle gevaar was ontbloot. Ook al was het maar omdat de klagende partij in dit geval misschien niet eens aan de criteria van een minderheid voldoet. Artikel 1 van een kaderovereenkomst - van de Raad zelf - over nationale minderheden definieert deze entiteiten namelijk als "un group de personnes dans un Etat qui entretiennent des liens anciens, solides et durables avec cet Etat". Het is op zijn minst betwistbaar of de Franstalige inwijkelingen in de Rand onder die noemer vallen. Senator Leo Goovaerts (VLD) die eveneens in de Raad van Europa zetelt, denkt dat de affaire-Columberg vooral uit de hand liep door de korte en gebrekkige informatieronde - 36 uur - van de Zwitser in ons land. "Die brave meneer heeft onder andere Jean-Luc Dehaene ontmoet. De premier had er even bij moeten gaan zitten om alles uit te leggen. Of hij had Columberg tenminste een ambtenaar moeten meegeven die heel de problematiek tot in de details kent. Maar neen, Dehaene dacht 'dit is een bietenkwiet en ik heb betere dingen te doen'. Met alle gevolgen van dien." DE KLEUR VAN AMBTENARENSOKKENWat gaat er nu gebeuren met het ontwerp van verslag dat vroegtijdig uitlekte? Columberg dient het normaliter einde deze week in bij de Commissie van Juridische Aangelegenheiden en Mensenrechten die hem de informatieopdracht gaf. Als deze club - zij vergadert in het Turkse Istanbul - het ontwerp omzet in een verslag, buigt einde van de maand de voltallige parlementaire raadsvergadering zich over het stuk. De commissie kan echter het ontwerp ook nog bijsturen via amendementen, maar volgens Goovaerts is dit géén oplossing want "het gaat om een litteraire tekst, als je daaraan peutert, vallen dingen weg en stuikt alles in mekaar." Volgens de VLD-senator vertrek je beter van de realiteit. "De resolutie die aan de basis van de zaak ligt, is ondertekend door 25 mensen en we zitten nu met een ontwerp. Daar kan je dus niet omheen. Wat is het probleem? Dat meneer Columberg onder andere Zwitserse technieken op ons land wil toepassen. Er zit een dosis gezond verstand in zijn voorstellen, maar met gezond verstand alleen kan je ook geen auto repareren. Hij weet dat je in Zwitserland een referendum mag organiseren over de kleur van de sokken van ambtenaren en gelooft dat dit bij ons ook kan. Goed, neem een aantal mensen die de resolutie niet mee ondertekenden, zet daar een kenner van de Belgische situatie bij en vraag hen om een advies over het ontwerp. Zij kunnen misschien iets herschikken en van het geheel een coherent ding maken." Goovaerts meent dat zo'n operatie iedereen best zou uitkomen. Iedereen, behalve dan Dumeni Columberg die omzeggens een nul krijgt voor zijn huiswerk. Zegt Leo Goovaerts: "Dat is vervelend, misschien ga ik met mijn voorstel buitenvliegen, maar ik doe aan politiek, niet aan kameraderie."Jos Grobben