De Europese Centrale Bank (ECB) heeft in zijn jonge leven nog niet vaak geboft. Natuurlijk was de eurorevolutie een succes, maar dat is voornamelijk te danken aan de politieke overheden, de banken, de distributiesector en vanzelfsprekend de bevolking, die niet over het ongemak aan het morren sloeg. Afgezien daarvan is er geen waarnemer meer die eraan twijfelt dat de ECB in Frankfurt veel van zijn prestige verloren heeft. De euro ging sterker van start dan de dollar, maar verloor snel een kwart van zijn wisselwaarde. De centrale bankiers konden niet meer doen dan klagen dat dit onterecht was. En nu overvalt Europa en de wereld een economische crisis, even zwaar als die van de eerste olieschok die een einde maakte aan de Golden Sixties. De centrale bankiers trekken de kop tussen de schouders, in de hoop dat het economisch onweer snel overwaait. De samenwerking tussen de ECB en de Europese politieke overheden verloopt erg koeltjes en de bank slaagt er niet in het vertrouwen van de internationale financiële markten te winnen. De kritiek van beursanalisten en economisten op het ECB-beleid zwelt aan.
...

De Europese Centrale Bank (ECB) heeft in zijn jonge leven nog niet vaak geboft. Natuurlijk was de eurorevolutie een succes, maar dat is voornamelijk te danken aan de politieke overheden, de banken, de distributiesector en vanzelfsprekend de bevolking, die niet over het ongemak aan het morren sloeg. Afgezien daarvan is er geen waarnemer meer die eraan twijfelt dat de ECB in Frankfurt veel van zijn prestige verloren heeft. De euro ging sterker van start dan de dollar, maar verloor snel een kwart van zijn wisselwaarde. De centrale bankiers konden niet meer doen dan klagen dat dit onterecht was. En nu overvalt Europa en de wereld een economische crisis, even zwaar als die van de eerste olieschok die een einde maakte aan de Golden Sixties. De centrale bankiers trekken de kop tussen de schouders, in de hoop dat het economisch onweer snel overwaait. De samenwerking tussen de ECB en de Europese politieke overheden verloopt erg koeltjes en de bank slaagt er niet in het vertrouwen van de internationale financiële markten te winnen. De kritiek van beursanalisten en economisten op het ECB-beleid zwelt aan. Nochtans is de ECB Bank Europa's monetaire autoriteit. Het staat niet zo duidelijk in de handboekjes, maar het is de vierde macht - en niet de minste - naast de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht. De politieke overheden vertrouwen de stabiliteit van de munt toe aan benoemde functionarissen. Daarmee staan zij hun gezag over de munt af, verliezen zij een stuk zeggenschap over hun begrotingen en moeten ze hun sociaal beleid in een monetair keurslijf snoeren. Ze hebben nog heel weinig vat op het reilen en zeilen van de economie. Daar is de ECB heer en meester over, vooral via zijn rentebeleid. Europa, ziek aan het economisch liberalisme van de jaren negentig, verleende zijn centrale bank zulke grote autonomie dat er geen politieke of andere macht meer tegenover staat. De monetaire autoriteit vertoont dan ook de neiging monetair autoritair op te treden. De centrale bankiers zijn de moderne kardinalen alleen in dienst van de munt. Autoriteiten zijn per definitie gezaghebbend. Alan Greenspan, voorzitter van de Federal Reserve, de Amerikaanse centrale bank, gold lange tijd als de invloedrijkste bankier van de wereld (zijn prestige gaat zienderogen achteruit omdat hij geen einde kan maken aan de beurscrisis en het economische noodweer). De Europese monetaire autoriteit laat niet na haar gezag te gebruiken om de politieke partner te waarschuwen, steeds in de stijl van 'te veel uitgegeven, te weinig gespaard'. Over de echte ontsporingen in de recente turbulente economische geschiedenis viel weinig te horen. Greenspan hekelde ooit nog de 'irrationele exuberantie' van de aandelenbeurzen. Niet zo in Europa. Gouverneur Guy Quaden van de Nationale Bank van België acht zich, terecht, niet mee verantwoordelijk voor de beurszeepbel. Maar hij liet, net als zijn collega's, na de spaarders erop te wijzen dat de beurs geen goktent is waar nooit verlies wordt geleden. Frankfurt zit op een berg financiële en economische informatie en wist beter dan wie ook dat de snelle groei van de nieuwe economie iets tumorachtigs had. Over de jungle van het zakenbankieren maken de centrale bankiers zich alleen binnenskamers zorgen. Het gebrek aan controle op de financiële instellingen en het sluwe boekhouden van grote bedrijven is hen bekend. De autoriteit gaat heel selectief om met zijn gezag. Voorzitter Wim Duisenberg van de ECB verkondigt dat hij zich niet aan doemdenken wil bezondigen. Maar slechts weinigen delen zijn mening dat er niets ergs aan de hand is. De mensen lezen kranten en kijken televisie. In Japan, de derde economische wereldmacht, heerst er al vier jaar deflatie (daling van de prijzen en bijgevolg van de ondernemingswinsten, de dividenden en de beurskoersen). Tokio kan het bankensysteem alleen met belastinggeld overeind houden. Amerika raakt niet uit het economische dal. In oktober nam het consumentenvertrouwen een spectaculaire duik. En dat is ernstig, want het zijn de Amerikaanse gezinnen die de wereldeconomie draaiende moeten houden. Het aanhoudende terrorisme versterkt de onzekerheid en het wantrouwen van producenten en consumenten. De oorlogstaal van president George W. Bush tegen Irak weegt als lood op beurzen en economieën. Analisten geloven zelfs dat een aanval op Irak beter zou zijn dan de spannende onzekerheid nu. De strijd zou de kans vergroten dat de beurzen aantrekken en de olieprijzen dalen. Europa doet het nog slechter dan Amerika. Duitsland, de voormalige motor van de Europese economie, glijdt af naar 'Japanse toestanden'. De ECB, die het allemaal nog niet zo slecht gaan vindt, herziet maand na maand zijn groeivooruitzichten. Zopas werd de verwachte economische groei gehalveerd tot 0,3 procent - dat is bijna een stilstand. De kans dat Europa terugvalt in een recessie is de laatste weken waarschijnlijker geworden, waarschuwt de Europese werkgeversvereniging Unice. En Amerika laat straks onder druk van het aanzwellende tekort op zijn rekeningen met het buitenland en om de eigen economie te versterken waarschijnlijk de sterke dollar vallen. De euro kan dan opwippen tot 1,15 dollar. Mooi voor de Europese munt, zonder twijfel, maar catastrofaal voor de export. Voor het eerst sinds heel lang is er weer sprake van 'deflatie', 'financiële crisis' en zelfs van 'crisis van het systeem'. Een deel van de financiële markten houdt rekening met die doemscenario's, maar de ECB volhardt in het sussen. Wij moeten gewoon door het conjunctuurdal, luidt de beleidsregel in Frankfurt. Maar donderdag zal het er toch stuiven op de maandelijkse raad van bestuur. In de voorbije crisismaanden had de ECB uitsluitend oog voor de stabiliteit van de munt. Met een relatief hoge officiële rente - 3,25 procent tegen slechts 1,75 procent in de Verenigde Staten - wierp hij een dam op tegen de inflatie (prijsstijgingen). Maar de centrale bank wordt blindheid verweten: niet inflatie is het gevaar, wel deflatie. Lage rente moet de interne Europese vraag stimuleren. Zelfs de Amerikanen doen er lastig over dat de ECB niet meer doet om de producenten en de consumenten met goedkoop geld aan te moedigen. Voorzitter Wim Duisenberg hield tot enkele dagen geleden vol dat een renteverlaging de economie niet kan helpen - het probleem is een gebrek aan vertrouwen en de dreigende oorlog tegen Irak. Maar als de renteverlaging er deze week niet komt, komt zij er zeker volgende maand. De hele financiële wereld zit erop te speculeren. Duisenberg en zijn centrale bank hebben een punt wanneer zij geloven dat een renteverlaging alleen niet heilzaam kan zijn. De economische turbulenties van het voorbije decennium lijken de mogelijkheden van het monetair beleid te hebben uitgehold. Ondanks de lage rente komt de Amerikaanse economie niet op dreef en de bijna nulrente helpt Japan niet uit het moeras. Daar zijn verschillende redenen voor. Wantrouwige geldschieters eisen een hoge risicopremie boven op de lage officiële rente. De banken werken aan het herstel van hun rentabiliteit via een hogere selectiviteit in de kredietverlening. Kleine en middelgrote ondernemingen zijn daar het slachtoffer van. Het bedrijfsleven kampt met overcapaciteit en behoeft niet zonodig nieuwe investeringen. En de consumenten zijn ongerust, zij sparen hun geld. Al verklaart de ECB zichzelf machteloos, zij weet wél wat moet worden gedaan om uit de crisis te raken. De Europese lidstaten moeten verregaande structurele hervormingen doorvoeren in hun arbeidsmarkten, pensioenstelsels en gezondheidszorg. En ze moeten de lonen in bedwang houden. Met dit pleidooi voor de afbraak van het Europese sociaal model gaan zij volgens het progressieve deel van Europa flink buiten hun boekje. De bankiers doen aan politiek. Linkse politici en vakbondslui vragen zich af wanneer de bankiers uit Frankfurt zullen uitleggen waarom de flexibele arbeidsmarkten, de spaarzame sociale zekerheid en de afkalvende salarissen de economie níét vooruithelpen in de VS, noch in Japan. Het sneuvelen van het stabiliteitspact in Europa - dat de landen tot begrotingsevenwicht dwingt - is het gevolg van de opstand van de politiek tegen het monetaire beleid. Die wordt geleid door 'de drie groten' Duitsland, Frankrijk en Italië. De verkozen politici zien de werkloosheid groeien, zijn verplicht op sociale uitgaven te besparen en de belastingen te verhogen. Zij stellen vast dat niemand, de centrale bank nog het minst, in staat blijkt de economische crisis te keren. Bijgevolg trachten zij zelf met begrotingstekorten hun economieën te stimuleren. De slinger gaat weer richting politiek. Ondanks het geldende economisch liberalisme klinkt de roep om meer staatshulp aan de economie steeds harder. Economisch interventionisme, zo heet dat, moet vermijden dat de technologiesector onder zijn schulden bezwijkt en dat de solvabiliteit van de financiële sector in het gedrang komt. En de monetaire autoriteit? Volgens Alan Greenspan is monetair beleid geen wetenschap maar kunst. En in de kunst zijn de smaken verdeeld, op z'n minst. Guido Despiegelaere