Op 17 juli 1999 werd hij gewijd. Sinds vier maanden is hij medepastoor in Dworp - zijn eerste opdracht. Het priesterschap trekt nog maar weinig jongeren aan, de roepingen worden jaar na jaar schaarser. Maar Dirk Hooft vindt het een luxe dat hij dit werk mag doen. 'Het klinkt misschien raar, maar ik vind het magnifiek dat ik vrijgesteld ben om al mijn tijd aan mensen te besteden', zegt hij.
...

Op 17 juli 1999 werd hij gewijd. Sinds vier maanden is hij medepastoor in Dworp - zijn eerste opdracht. Het priesterschap trekt nog maar weinig jongeren aan, de roepingen worden jaar na jaar schaarser. Maar Dirk Hooft vindt het een luxe dat hij dit werk mag doen. 'Het klinkt misschien raar, maar ik vind het magnifiek dat ik vrijgesteld ben om al mijn tijd aan mensen te besteden', zegt hij.'Ik kom uit een gelovige familie. We gingen wekelijks naar de mis. Geloof was iets vanzelfsprekends, er werd weinig over gesproken. Toen ik op mijn achttiende moest beslissen wat ik ging doen, dacht ik al aan het priesterschap. Maar mijn ouders vonden mij te jong. Ik ben dan in Leuven sociologie gaan studeren. Ik heb daar niet al pastoorke gespeeld. Ik heb mij enorm uitgeleefd in mijn studie, en ik heb gewoon meegedaan met het studentenleven. En ja, ik heb ook vriendinnen gehad. Na mijn studie kwam die gedachte om priester te worden terug. Ik heb het toen ernstig genomen en vanaf dat moment ben ik altijd vrij zeker geweest van mijn keuze.' 'Nee, het celibaat was voor mij geen argument om van het priesterschap af te zien. Ik ben daar nu ook niet mee bezig. Niet dat ik seksualiteit afwijs, verre van. Maar in een seksuele relatie geef je je helemaal aan één persoon, terwijl wij ervoor kiezen ons helemaal aan God en zijn mensen te geven. We missen dat lichamelijke wel, maar onze band met God is zo krachtig dat we dat wel aankunnen.' 'Voor celibaat moet je zelf kiezen. Want het is toch van een heel andere orde dan een buschauffeur die geen alcohol mag drinken. Misschien zou het goed zijn als er zowel celibataire als gehuwde priesters waren. Maar persoonlijk wil ik liever celibatair blijven.' 'Ik ervaar het geloof niet als een discipline, met leerstellingen over wat je moet en wat je niet mag. Het is meer een way of life, een manier van leven die gelukkig kan maken. Ik word gedreven door de persoon van Jezus. Voor mij is hij geen historische figuur of louter een inspiratiebron. Voor mij lééft hij. Ik kan die man ervaren, ik kan er een relatie mee opbouwen. Jezus is iemand die met mij mee de weg aflegt. Ik weet het, voor buitenstaanders is dat heel moeilijk te begrijpen. Maar het is dankzij die levende band dat ik het volhoud. Want het priesterschap kan best wel zwaar zijn.' 'Het geloof is voor mij zo'n grote schat, dat ik dat ook wil uitdragen. Ik wil andere mensen in de rijkdom ervan laten delen. Maar de mensen zitten niet te wachten op mijn blijde boodschap. Over een diepere dimensie spreken, is heel moeilijk geworden, zeker bij jongeren. Daarom probeer ik niet te veel grote woorden te verkondigen, daarmee sla je de mensen plat. Vaak wekt het zelfs allergie op. Ik probeer gewoon hun leven te delen en met hen mee te gaan, en door mijn levenswijze hun interesse te wekken.' 'Ik wil de mensen ook niet per se naar de kerk krijgen. Als dat je streefdoel is, raak je pas gefrustreerd. Hier in de parochie komen er per weekend gemiddeld tweehonderd mensen naar de mis. Ik zal niet zeggen dat het mij niks doet, te staan preken voor een bijna lege kerk. Vroeger dachten we dat het aan de vorm lag, dat traditionele eucharistievieringen te oubollig waren. Maar het zit veel dieper. Het geloof in die diepere dimensie die wij God noemen, is bij velen echt weg. Je merkt dat zelfs als je met kinderen een natuurwandeling maakt. Elke zondag een rockconcert in de mis zal dus het probleem echt niet oplossen.' 'Wij moeten weer naar de mensen toe gaan. De eucharistieviering is eigenlijk een feest. Maar we kunnen toch enkel feesten met mensen die we kennen? Dus moeten we eerst weer een vriendenkring opbouwen, een gemeenschap vormen. Dan pas kunnen we aan liturgie doen. Nu gebeurt het vaak omgekeerd. Veel priesters komen er niet meer toe echt contact te zoeken met hun parochianen, omdat ze opgeslorpt worden door het traditionele pastorale werk: doopsels, huwelijken, begrafenissen. Weet u dat sommige pastoors op hun eentje honderd begrafenissen per jaar moeten doen? Dan blijft er niet veel tijd voor andere dingen over. Maar dat probleem zal zich vanzelf oplossen. Onze gelovigen worden oud en verdwijnen, dat is het leven. Over een niet al te lange tijd zullen we met een veel kleinere groep jongere gelovigen overblijven. Dat vraagt veel minder werk, zodat we meer in de diepte kunnen gaan.'C.A.