Journalisten kicken op geheimen en nog meer op het ontsluieren ervan. Wanneer dat niet lukt, gaan ze mokken en neemt het geheim in hun fantasie de proporties aan van een groot en krankzinnig complot. Het overkwam VRT-journalist Peter Verlinden vorige week. Bij de voorstelling van zijn boek Weg uit Congo, een reeks getuigenissen over het einde van het Belgische koloniale regime in Congo in 1960, 'onthulde' hij het bestaan van een 'geheim' rapport daaromtrent. Maar niemand wou hem daarvan inzage geven, al citeert hij wel uit een deelverslag ervan.
...

Journalisten kicken op geheimen en nog meer op het ontsluieren ervan. Wanneer dat niet lukt, gaan ze mokken en neemt het geheim in hun fantasie de proporties aan van een groot en krankzinnig complot. Het overkwam VRT-journalist Peter Verlinden vorige week. Bij de voorstelling van zijn boek Weg uit Congo, een reeks getuigenissen over het einde van het Belgische koloniale regime in Congo in 1960, 'onthulde' hij het bestaan van een 'geheim' rapport daaromtrent. Maar niemand wou hem daarvan inzage geven, al citeert hij wel uit een deelverslag ervan. Dat rapport inventariseert de wandaden waarvan Belgen het slachtoffer werden bij de muiterij van het Congolese leger na de onafhankelijkheid op 30 juni 1960. De psychose die toen ontstond, joeg tienduizenden Belgen (en andere blanken) op de vlucht. De paniek stond toen het goede begrip in de weg van wat werkelijk gebeurde. Helaas brengt ook Verlinden daarin geen verheldering. Hij plaatste de door hem verzamelde getuigenissen niet in een bredere historische context. Daardoor kan hij ook niet door de paniek en de chaos van 1960 heen kijken. Bovendien houdt Verlinden het bij een opvallend eng-blank perspectief; over de vele Congolese slachtoffers van 1960 valt geen woord.Had dat 'geheime' rapport dat kunnen verhelpen? Niet echt. Bovendien is er niet veel geheim aan. Want Verlinden deed zijn huiswerk niet goed. Hij zag een cruciaal boek over het hoofd, het lijvige Fin de la souveraineté belge au Congo (1963) van Walter Ganshof van der Meersch, in 1960 minister voor Algemene Zaken in Afrika. Verlinden had eruit kunnen leren waarvoor dit onderzoek precies diende. De 'informatiecommissie' werd mee door Ganshof opgericht op 16 juli, waarna ze razendsnel te werk ging. Al de volgende dag had ze een eerste rapport klaar, de twee daaropvolgende dagen telkens nog een. Waarom zo snel? Ten behoeve van minister van Buitenlandse Zaken Pierre Wigny. Op 20 juli diende hij de Verenigde Naties in New York uitleg te geven over de toen aan de gang zijnde Belgische militaire interventie in Congo. Met de rapporten kon hij aantonen dat er erge dingen gebeurden in Congo en dat het Belgische leger daar dus op humanitaire missie was, de officiële thesis van het moment. Daarom bestond de commissie ook uit hoge magistraten, voorgezeten door Pedro Delahaye, toen raadsheer bij het Hof van Cassatie, opdat geen twijfel zou bestaan over haar 'objectiviteit'.De commissie diende dus vooral een diplomatiek doel. Eens het Belgische leger Congo had verlaten, verloor ze haar politieke nut en verdween ook alle haast. Op 28 juli hield justitieminister Laurent Merchiers er nog een persconferentie over, om de binnenlandse kritiek op de militaire interventie te smoren, op 4 augustus voltooide de commissie nog een vierde deelrapport (waaruit Ganshof in zijn boek uitvoerig citeert) en verder werd er niets meer over vernomen.Peter Verlinden putte zich bij de presentatie van zijn boek uit in snelle, maar ongefundeerde en soms anachronistische of sensatiegerichte speculaties over de redenen waarom het rapport nu nog confidentieel wordt gehouden. De meest voor de hand liggende reden negeerde hij evenwel: de belofte van privacy. Vooral als het ging om seksueel geweld toonden veel respondenten, zeker nonnen, zich immers begrijpelijkerwijs erg terughoudend om voor de commissie te getuigen. Daarom beschikte deze ook over een 'vrouwelijke sectie', geleid door Eliane Lieckendael, toen nog substituut in Brussel.De tegen Belgen bedreven wreedheden werkten in 1960 in België een anti-Congolees ressentiment in de hand. Daarbij werd de toenmalige premier Patrice Lumumba om politieke redenen vaak als de kwade genius achter het geweld voorgesteld. Slechts weinig Belgen lieten dus een traan toen Lumumba wat later werd vermoord. De ironie wil dat Peter Verlindens boek dat ressentiment ongewild weer voedsel geeft - en dat net nu de Kamer zich moet uitspreken over het eindrapport van de commissie die de Belgische rol in de moord op Lumumba heeft onderzocht.Marc Reynebeau