De wereld bestaat uit twee delen, een onderkant en een bovenkant. De helften worden van elkaar gescheiden door de grote cirkel van de horizon die zich precies op ooghoogte bevindt. Alles boven de horizon maakt deel uit van de hemel, wat daaronder ligt, is de aarde. Dat betekent dat van het menselijke lichaam het voorhoofd en de hersenpan tot de hemel behoren, de rest tot de aarde.
...

De wereld bestaat uit twee delen, een onderkant en een bovenkant. De helften worden van elkaar gescheiden door de grote cirkel van de horizon die zich precies op ooghoogte bevindt. Alles boven de horizon maakt deel uit van de hemel, wat daaronder ligt, is de aarde. Dat betekent dat van het menselijke lichaam het voorhoofd en de hersenpan tot de hemel behoren, de rest tot de aarde. Dat is een nogal vereenvoudigde voorstelling van de werkelijkheid, wat niet hoeft te betekenen dat ze geen waarheid bevat. Het was de oude Plato die in de vierde eeuw voor Christus begreep dat de wereld ongeveer zo in elkaar zit. Plato zag in dat het redelijke deel van de menselijke ziel zich hoog in het hoofd bevindt, en dat het dat deel is dat onze ziel gemeen heeft met de wereldziel, waarvan we de rationele orde aan het hemelgewelf kunnen bewonderen. Het lichaam onder het hoofd heeft niet eenzelfde waarde. Het is een "logge massa van aarde, water, lucht en vuur, die aan de ziel vastgegroeid is en zich onrustig en redeloos gedraagt", vond Plato. Hij verkondigde die opvatting in deTimaeus, het te weinig gelezen, schitterende verhaal over het ontstaan van de wereld. Nog in hetzelfde boek verklaart de filosoof, die zelf zijn "logge massa" goed genoeg heeft verzorgd om tachtig jaar te worden, waarvoor het lichaam dan wel dient. Datgene wat wij het hoofd noemen, hebben de goden bolvormig gemaakt, om het zoveel mogelijk te doen lijken op het heelal, dat ook de vorm van een bol heeft. "Om nu te voorkomen dat het hoofd zich zou moeten voortrollen over de aarde, met al haar hoogten en laagten, en dat het alle moeite zou hebben om er overheen te geraken, gaven de goden aan het hoofd een lichaam tot voertuig dat de verplaatsing zou vergemakkelijken. Vandaar dat het lichaam uitstrekbare en buigbare ledematen kreeg, waarop het kan steunen en waarmee het overal doorheen kan komen, terwijl het, helemaal bovenop, het verblijf draagt van het goddelijkste en heiligste in ons." Het is waar dat de moderne wetenschap een andere opvatting verdedigt over de functies en de ontwikkelingsgeschiedenis van het lichaam, en dat zij daarmee in staat is méér organische feiten te verklaren. Maar nooit eerder en misschien ook nooit nadien werd een zo plausibele uitleg gegeven voor de karakteristieke gedragingen van de mens. Waarom anders lopen wij als enig dier rechtop dan om het hoofd zo dicht mogelijk bij de hemel te brengen waar het thuishoort? "We zijn als een plant die niet in de aarde, maar in de hemel wortelt", schrijft Plato. "Het is door ons hoofd - dat immers onze wortel is - naar de hemel te richten waar de ziel haar natuurlijke oorsprong vond, dat het goddelijke het hele lichaam rechtop houdt." In moderne oren klinken deze woorden wat bevlogen, maar toegegeven moet worden dat het met het hoofd geweest is, en niet met de buik of de voeten, dat de mens de hemelbewegingen heeft opgehelderd. De astronomie kwam pas volop tot ontwikkeling na Plato, maar die had al begrepen hoe deze wetenschap tot stand moest komen. Twee instrumenten waren daartoe nodig: de ogen en het verstand, de ingangen en de inhoud van het hoofd. En toch heeft juist de wetenschap, de vrucht van het Griekse denken, het klassieke Griekse wereldbeeld afgebroken en opgeruimd. De oude, statig wentelende kosmos waarvan de sferen zich om de aarde krommen, werd vervangen door een bouwwerk van kolossaler formaat, hoger opgetrokken en met diepere fundamenten, maar minder huiselijk ingericht. Een mens is in deze burcht niet meer dan een mier, en een mier alleen maar een bundeltje moleculen. De verdeling van de wereld in een hemel en een aarde is opgeheven. De aarde werd een hemellichaam tussen de hemellichamen, de hemel een bodemloze afgrond met zwermen sterren in vrije val. Het heelal van de huidige wetenschap is niet langer een kunstwerk, in elkaar gezet door een welwillende demiurg, maar een turbulente ruimte, explosief uitdijend na de oerknal, een door niemand geregisseerd drama vol cataclysmen, chaotische omwentelingen, supernova-uitbarstingen, zwarte gaten en röntgenbronnen. In dit tumult is de aarde de oase waar het leven de tijd kreeg om zich te ontwikkelen. Levende wezens zijn constructies van eiwitten en DNA, producten van drie miljard jaar mutaties en selecties. In ontelbare varianten hebben ze zich over de planeet verspreid. Aan de breed vertakte boom van het leven bengelt als een jong twijgje ook de menselijke soort. Er is niets mis met het beeld dat de wetenschap van de wereld optimmert, het heeft zijn eigen glans en grootsheid, maar het geeft te weinig antwoorden om ermee te kunnen leven. De ruimte is groot genoeg, maar het vergezicht is weg. Waar moeten we naartoe, wij, gedegenereerde primaten, wankele proteïnecombinaties met de ambitie om te begrijpen? Wat doen we op de korst van deze verdwaalde planeet? Niet de kennis die we sinds de Grieken verworven hebben, vormt een probleem, maar de kennis die verloren ging. De eenheid is weg. Hemel en aarde zijn verenigd, maar de scheidingslijn loopt nu tussen ziel en lichaam. Plato had de twee aan elkaar geknoopt en de ziel de opdracht gegeven het lichaam te sturen, het lichaam om de ziel te dragen. Het materiaal waaruit de ziel was samengesteld, was hetzelfde als dat van de wereldziel, zodat wie de kosmos begreep, ook wist wat goed is voor de mens. Fysica en ethica vormden één geheel. De moderne wetenschap heeft de ziel afgeschaft. Natuurlijk bestaat zij nog, die diepste grond van elke menselijke gedachte, maar niet in de schema's waarmee we de wereld verklaren. De ziel is weg en het lichaam volgt nu de wetten van de fysica, die ons in staat moeten stellen te begrijpen hoe het functioneert. Verder is het niet nodig nog te vragen wat de zin is of waartoe dit alles dient, want het antwoord is al gegeven: het heeft geen zin en er is geen doel. Er zijn alleen de moleculen. Ondertussen schreeuwt de ontwortelde mens die met zijn ziel geen raad weet, zijn nood uit, maar van de wetenschap hoeft hij geen hulp te verwachten. Hooguit een therapie. En Plato wordt niet meer gelezen op de middelbare scholen. Verlichting is voorlopig niet op komst.Gerard Bodifée