Vanaf 1 januari 2000 moeten alle Franse bedrijven met meer dan twintig werknemers overschakelen van een 39-urige naar de 35-urige werkweek. De kleinere bedrijfjes krijgen nog de tijd tot 2002 om zich aan de nieuwe wetgeving aan te passen.
...

Vanaf 1 januari 2000 moeten alle Franse bedrijven met meer dan twintig werknemers overschakelen van een 39-urige naar de 35-urige werkweek. De kleinere bedrijfjes krijgen nog de tijd tot 2002 om zich aan de nieuwe wetgeving aan te passen.De eerste wet over de 35-urige werkweek werd al in februari 1998 goedgekeurd. Ze stelde de ondernemingen voor uit vrije wil een arbeidsduurverkorting van vier uur door te voeren: wie dat deed, kon een financiële vergoeding opstrijken. Met de tweede wet, die op 19 oktober in eerste lezing werd aangenomen in de Assemblée, wordt de 35-urige werkweek gewoon opgelegd. Bedrijven die de maatregel niet invoeren, worden extra belast. De wetten op de 35-urige werkweek, geesteskinderen van minister van Werkgelegenheid en Solidariteit Martine Aubry, vormen het belangrijkste wapen van de Franse regering in de strijd tegen de werkloosheid: de arbeidsduurverkorting moet leiden tot arbeidsherverdeling. Het is de bedoeling dat de bedrijfsleiders massaal nieuwe krachten gaan aannemen. In ruil krijgen de ondernemingen overheidssteun in de vorm van loonkostenverlaging, die tot 60.000 frank per werknemer per jaar kan bedragen. Bij de goedkeuring van de eerste wet vorig jaar voorspelde de regering Jospin nog dat er 400.000 tot 700.000 nieuwe banen zouden worden gecreëerd. Een jaar later is de regering voorzichtiger geworden. Er wordt gewag gemaakt van "meer dan 100.000 banen" die er het vorige jaar zouden zijn bijgekomen, en aan toekomstvoorspellingen waagt men zich niet meer. Controversieel is de nieuwe wetgeving in hoge mate. Vorige maand hielden tienduizenden werkgevers in Parijs een sit in tegen de maatregel - het grootste ondernemersprotest sinds hun actie tegen de linkse machtsovername in 1981. Afgelopen week dreigde de Medef (de Franse tegenhanger van het VBO) ermee uit het systeem van sociaal overleg te stappen als de regering de financiering van de 35-urige werkweek niet aanpaste. De werkgevers namen het niet dat Jospin en zijn ministers fondsen wilden halen uit de werkloosheidsverzekering en de sociale zekerheid zonder dat ze de sociale partners hierover hadden geconsulteerd. De regering ging door de knieën: de beloofde loonkostenverlaging voor bedrijven die de 35-urige werkweek invoeren, zal voorlopig worden gefinancierd met alcoholtaksen en met de opbrengst van de belasting op de overuren, die de nieuwe wetgeving invoert. De rechtse oppositie, die er maar niet in slaagt zelf een vuist te maken tegen het linkse kabinet, verkneukelde zich in de reculade van Jospin en Aubry. DE FRANSE UITZONDERINGMaar de kritiek op de nieuwe wetgeving gaat verder dan het voorspelbare protest van ondernemers en liberale politici. Al sinds het aantreden van de regering Jospin in 1997 wordt er gedebatteerd over de pro's en contra's van de exception française: Frankrijk is tot nu toe het enige Europese land dat een algemene maatregel van verplichte arbeidsduurverkorting doorvoert. Begin jaren negentig verkondigde Martine Aubry zelf nog aan de vakbonden niet in zo'n maatregel te geloven. De afgelopen twee jaar heeft ze zich ontpopt als de Jeanne d'Arc van de arbeidsduurverkorting, zoals ze in de Franse pers wordt genoemd: ze voerde een zware campagne - debatten, bedrijfsbezoeken, televisieoptredens - om de maatregel te promoten. Maar ze is er niet in geslaagd om iedereen van haar nieuwe gelijk te overtuigen. De resultaten die de eerste wet op de 35-urige werkweek hebben opgeleverd, hebben haar daarbij niet geholpen. "Bij de start werd beloofd dat er veel banen zouden komen, geluk voor de werknemers, en een beetje overheidssteun. Bij de aankomst zullen er wellicht een beetje banen zijn gecreëerd, veel flexibiliteit ingevoerd, en massale overheidssteun uitgedeeld", zo schreef Le Nouvel Observateur eind februari. Dat is het grote politieke risico dat Aubry neemt: als de werkgelegenheid niet voldoende wordt aangezwengeld door de nieuwe wetgeving, zal haar grote linkse project van arbeidsduurverkorting en arbeidsherverdeling plotseling erg liberaal kleuren. Volgens de Franse pers is er nog nooit in de geschiedenis van het land zo'n reusachtige loonkostenverlaging doorgevoerd als die nu op stapel staat. Van het welslagen van haar project hangt de geloofwaardigheid van de regering Jospin af, die de strijd tegen de werkloosheid tot haar eerste prioriteit heeft gemaakt. Aubry, de nummer twee van de regering, heeft haar politieke toekomst in de waagschaal gesteld. Een politieke toekomst die, aldus de Franse media, haar op een dag naar Matignon, of wie weet zelf naar het Elysée zou kunnen brengen. FILLE A PAPANatuurlijk heeft ze het altijd gehaat: aangesproken worden als de dochter van Jacques Delors. Gelukkig komt dat nu steeds minder voor. Haar vader is uit de politieke schijnwerpers verdwenen en ze is zelf intussen een van de machtigste politici in het land. Een fille à papa, die op de naam van haar vader teert om carrière te maken, is ze alleszins niet. Maar zonder hem stond mevrouw Aubry wellicht ook niet waar ze nu staat. In haar jeugd was Martine Delors (°1950) een heel gewoon meisje zonder bijzondere ambities. Ze zat op school bij de zustertjes van les Oiseaux, waar ze middelmatige resultaten behaalde. Het studentenprotest van mei 1968 ging volledig aan haar voorbij, maar dat jaar kreeg haar leven wel een beslissende wending. Papa Delors stelde tot zijn afgrijzen vast dat nonchalante Martine misschien haar jaar moest overdoen. Hij greep onmiddellijk in. Dochterlief werd ingeschreven voor het examen steno-dactylo bij de Banque de France: ze moést niet verder studeren, ze mocht ook typiste worden. De boodschap kwam aan. In vier jaar tijd behaalde ze diploma's in de sociale wetenschappen en in de economie. En daarna ging het naar de prestigieuze Ecole Normale de l'Administration (ENA), de kweekschool voor aankomend politiek talent in Parijs. In 1975 ging de pas gediplomeerde énarque - zelfs op het moment van haar afstuderen kreeg ze van haar strenge vader geen complimentje - meteen aan de slag als ambtenaar op het ministerie van Arbeid. Vrienden en collega's raadden haar aan een passionanter departement uit te kiezen. Maar Aubry wist wat ze wou. Haar collega's beroemden zich erop nog nooit een bedrijfsleider te hebben ontmoet. Aubry trok er onmiddellijk op uit. Ze bezocht bedrijven, bleef zelfs slapen op de werf als dat nodig was, en ontdekte er naar eigen zeggen "levensomstandigheden Zola waardig". Onder de weinig sociaalvoelende minister van Arbeid Edouard Balladur kon ze echter al te weinig realiseren. Dan maar naar de Raad van State. Na een intermezzo van twee jaar was ze in 1981 terug op haar ministerie. Links was nu, met François Mitterrand, aan de macht. Ze werd adjunct-kabinetschef van Jean Auroux - iemand van de oude garde van de vakbond die zelf verkondigde er niks van te kennen, maar om tien uur 's morgens al ontzettend kon zitten genieten van een flesje Chablis. De wetten Auroux, die de werkgevers verplichtten jaarlijks met de werknemers te onderhandelen over loon en werkduur, waren al het werk van Aubry. Dat ze lef had, bewees de jonge politica toen ook al: van de 110 voorstellen die de nieuwe president bij de verkiezingen over het thema had geformuleerd, nam Aubry er niet één over. Toen Mitterrand haar daar jaren later over aansprak, was haar commentaar: "Ik had gelijk ook. Er staan soms stommiteiten in uw voorstellen, meneer de president." In 1986, wanneer la droite weer aan de macht was, ging Aubry in op de vraag van Jean Gandois om de nummer drie te worden van de chemiereus Péchiney. Van de vierhonderd hogere kaderleden was zij de enige vrouw. Ze was ook de enige die tegen de autoritaire Gandois durfde te zeggen dat hij "raaskalde". Maar zoals altijd, wist Aubry gezag af te dwingen met haar dossierkennis, haar werkkracht, haar goede connecties, haar scherpe denkvermogen. RIJSEL ALS LABORATORIUMOnder het premierschap van Edith Cresson werd Aubry voor het eerst minister. Van Arbeid vanzelfsprekend. Frankrijk telde op dat moment - 1991 - al drie miljoen werklozen. Maar Aubry geloofde nog niet in het paardenmiddel van de algemene arbeidsduurverkorting. In 1993 werden de socialisten opnieuw naar de oppositiebanken verwezen. Deze keer besloot Aubry aan sociaal werk te doen: met de steun van de werkgevers richtte ze de Stichting tegen de Uitsluiting (FACE) op, die kansloze jongeren uit de banlieues een opleiding en een eerste werkervaring wil bieden. De Parisienne in hart en nieren vestigde zich in deze jaren in Rijsel - de thuishaven van de voormalige PS-premier Pierre Mauroy. Hij haalde haar naar de Noord-Franse stad met de expliciete bedoeling haar zijn opvolgster te maken als burgemeester en president van het stedelijk district. Zelfs nadat ze in 1997 de nummer twee was geworden van de regering Jospin, bleven een tijdlang geruchten de ronde doen dat Aubry voor het einde van de kabinetsperiode ontslag zou nemen, om in Rijsel voor de aflossing van de wacht te zorgen. Rijsel zou voor de minister, die in het gemeentebestuur van de stad zitting heeft, ook een laboratorium vormen waar ze haar ideeën voor een sociale politiek kon uittesten. Maar echt veel tijd voor lokale politiek houdt Aubry voorlopig niet over. Daarvoor is haar ministerportefeuille - Werkgelegenheid en Solidariteit - te dik. Zo heeft ze naast de 35-urenwetten de voorbije twee jaar ook nog een project uitgewerkt ter bestrijding van de jeugdwerkloosheid en een programma op poten gezet om de uitsluiting van kwetsbare bevolkingsgroepen tegen te gaan: allebei dossiers met een budget van vele tientallen miljarden. Deze fille de fer, deze Thatcher de gauche mag dan niet bij iedereen geliefd zijn. Ze mag geen al te sterke machtsbasis hebben in de door allerlei persoonsgebonden stromingkjes verdeelde PS. Ze mag haar colères hebben en ze mag dan al een vrouw zijn: de allerhoogste staatsfuncties liggen binnen haar handbereik. Zolang ze maar niet over haar eigen voeten struikelt. Christine Albers