Hoewel hij de tussentijdse verkiezingen in het kiesarrondissement Anwerpen van 9 december 1928 overtuigend had gewonnen, mocht de Vlaams-nationalistische voorman August Borms niet in het parlement gaan zetelen. De man bevond zich nu eenmaal achter de tralies, waar hij een levenslange gevangenisstraf uitzat wegens collaboratie met de Duitse bezetter tijdens de Eerste Wereldoorlog. 83.058 stemmen had Borms behaald, zijn liberale tegenkandidaat Paul Baelde kreeg er 44.410, twee extreem linkse lijsten rijfden samen 6699 stemmen binnen. 58.052 kiezers hadden blanco of ongeldig gestemd. De Kamer annuleerde Borms' uitslag, Baelde legde de eed af als volksvertegenwoordiger en verder werd van hem niet veel meer vernomen.
...

Hoewel hij de tussentijdse verkiezingen in het kiesarrondissement Anwerpen van 9 december 1928 overtuigend had gewonnen, mocht de Vlaams-nationalistische voorman August Borms niet in het parlement gaan zetelen. De man bevond zich nu eenmaal achter de tralies, waar hij een levenslange gevangenisstraf uitzat wegens collaboratie met de Duitse bezetter tijdens de Eerste Wereldoorlog. 83.058 stemmen had Borms behaald, zijn liberale tegenkandidaat Paul Baelde kreeg er 44.410, twee extreem linkse lijsten rijfden samen 6699 stemmen binnen. 58.052 kiezers hadden blanco of ongeldig gestemd. De Kamer annuleerde Borms' uitslag, Baelde legde de eed af als volksvertegenwoordiger en verder werd van hem niet veel meer vernomen. Maar het was ook niet de bedoeling dat Borms wel degelijk parlementslid zou worden. Een groot politicus was hij overigens allerminst. Van hem zou zelfs vooral het politieke onvermogen in de herinnering blijven, het gebrek aan inzicht, de consequentie waarmee hij zich vergiste. Eind 1928 had hij maar één rol te spelen, die van symbool. Veel hoefde Borms daar niet voor te doen - het liefst in het geheel niets zelfs, zo vonden ook zijn medestanders. Want nauwelijks was hij vrijgekomen of Herman Vos, die de zogeheten "Bormsverkiezing" mogelijk had gemaakt, beklaagde zich al over wat Borms zoal schreef of vertelde: "Een intellectuele leiding kan men van hem niet verwachten." Het is waar dat Borms nooit is betrapt op originele of belangwekkende ideeën. Borms, geheel gegrepen maar tegelijk ook totaal verblind door het flamingantische idealisme, stond te ver af van de realiteit van alledag om zijn politieke potentieel correct te kunnen inschatten. Hij besefte evenwel zeer goed dat hij een krachtige symboliek incarneerde. Na het verkiezingssucces van december 1928 wist hij dat zijn vervroegde vrijlating niet lang kon uitblijven. Vanuit zijn cel begon hij, aldus de jonge Gentse historicus Björn Rzoska, "zijn eigen bevrijdingsfeest te organiseren. Hij gedroeg zich als een filmregisseur die zijn hoofdpersonage, in casu zichzelf, in optimale omstandigheden op zijn fans wilde loslaten." In de vroege ochtend van 17 januari, geen anderhalve maand na de verkiezing, gingen de deuren van de gevangenis van Leuven voor hem open.GERMAANSE FILOSOFIE "OM ZIJN VOLK TE HELPEN"Spijt of wroeging waren August Borms geheel onbekend. Integendeel, hij zon alleen op "wraak op de Belgische staat" en in 1940 zou hij prompt opnieuw doen wat hem in 1918 al zo kwalijk was genomen: collaboreren. Na de Tweede Wereldoorlog, op 12 april 1946, twee dagen voor zijn 68ste verjaardag, werd hij in de kazerne van Etterbeek voor het executiepeloton gesleept. Buiten het Vlaams-nationalisme was er maar één iemand die zich daar druk over maakte: de schrijver Willem Elsschot (zie kader). Antibelgicisme was relatief nieuw in de Vlaamse beweging. Het bestond al vóór 1914, maar kwam vooral tot ontwikkeling in de radicalisering van de oorlogsjaren. Al twee decennia werkte het flamingantisme aan een ideologische uitdieping. De aloude taaleisen kregen een bredere, maatschappelijke dimensie met het zogeheten cultuurflamingantisme, dat vooral werd gedragen door jonge, al dan niet nog aankomende intellectuelen, scholieren en studenten. Zij stelden zich niet langer tevreden met een taalwet hier en daar, die dan toch meestal in zijn uitvoering zou worden geboycot, zo leerde de ervaring. Deze flamingantische, vaak katholieke studenten streefden met veel romantiek en idealistische bevlogenheid naar een nieuwe samenleving. Daarin zou een nieuwe, Vlaamse culturele elite - zijzelf dus - de oude, burgerlijke en Franstalige machthebbers vervangen. Die elite had tot taak om het volk uit zijn achterlijkheid te "verheffen" en wou Vlaanderen op die manier sociaal, cultureel en economisch uit de verknechting en uitbuiting halen. Vandaar de centrale eis in deze episode van de Vlaamse beweging: een Vlaamse universiteit in Gent. Ook de in 1878 geboren August Borms, telg uit een kleinburgerlijk gezin uit Sint-Niklaas, was daardoor gegrepen. Hij was in het flamingantisme geschoold aan het Klein Seminarie van zijn geboortestad en ging in Leuven Germaanse filologie studeren. "Om zijn volk te kunnen helpen", zoals de mythografie luidt. Dat belette niet dat hij na een korte leraarscarrière eerst voor vijf jaar naar Peru trok om daar, in opdracht van het Belgische ministerie van Onderwijs, het middelbaar onderwijs te helpen reorganiseren.DE DUITSERS MOETEN WINNEN EN HEBBEN VEEL VOLK NODIGBij zijn terugkeer kreeg Borms een baan als leraar aan het Antwerpse atheneum en ging hij in Merksem wonen. Van toen af begon hij een reputatie in de Vlaamse beweging op te bouwen, vooral als redenaar. Doctrine interesseerde hem niet. De Vlaamse eisen waren voor hem zo evident dat daarover geen discussie mocht bestaan. Dat kon alleen tot verdeeldheid leiden. Vandaar ook dat hij, hoewel devoot katholiek, ijverde voor de "godsvrede", de eenheid van katholieke en vrijzinnige flaminganten, niet zozeer uit principiële tolerantie, maar louter om de krachten niet te versnipperen. En ook uit onbegrip voor politieke realiteiten, waardoor hij er later ook geen been in zou zien om met de Duitse bezetter samen te werken, zelfs met de nazi's. In zijn ogen diende de collaboratie de Vlaamse zaak en dat volstond als legitimatie. Wat voor Borms telde, was het winnen van zieltjes voor de goede zaak en hij deed dat met verve. Hij had zelfs graag gezien dat aan zijn atheneum alleen flamingantische leerkrachten zouden worden aangesteld. Borms gaf aanvankelijk blijk van een bijzondere aandacht voor Frans-Vlaanderen. Zo belandde hij tijdens de Eerste Wereldoorlog ook in de collaboratie, omdat hij van de Duitsers de toezegging had gekregen dat Frans-Vlaanderen in de toekomst bij het door Duitsland gecontroleerde België (of bij een autonoom Vlaanderen) zou worden aangehecht. Zo behoorde ook Borms tot het activisme, de flamingantische beweging die tijdens de oorlog met de Duitse bezetters ging collaboreren om zo van hen te krijgen wat België steeds had geweigerd. Met hun Flamenpolitik wilden de Duitsers evenwel vooral hun eigen belangen dienen: invloed krijgen in België eens het land na een Duitse overwinning in hun invloedssfeer terecht zou komen. Waren het aanvankelijk vooral politiek marginale jongeren die zich in het activisme engageerden, Borms maakte zich bij hen bijzonder populair toen hij zich als eerste prominente figuur uit het gevestigde flamingantisme bij het activisme aansloot. Borms verzeilde in activistisch vaarwater toen hij in juni 1915 de leiding overnam van de krant Het Vlaamsche Nieuws, waarvan de oorspronkelijke uitgever de uitgave had gestaakt na een conflict met de Duitse censuur. Geen bezwaar voor Borms. Het stoorde hem al evenmin dat het activisme bij de bevolking op grote afkeer stuitte. Democratische gezindheid was de meeste activisten nu eenmaal vreemd. Borms praatte zelfs ook de deportatie van Vlaamse arbeiders naar Duitsland goed. "Wij vragen te veel", meende hij. "De Duitsers moeten zegevieren en hebben daartoe veel volk nodig. Van de Duitse overwinning hangt ook het lot van Vlaanderen af." De redenering impliceerde ook dat Borms niet bij zijn Duitse beschermheren wou gaan protesteren tegen de deportaties, want dat had hen tegen hem in het harnas kunnen jagen, wat zijn eigen politieke positie had kunnen aantasten. Borms klom steeds hoger in de activistische hiërarchie, lag aan de basis van het separatisme binnen het activisme en eindigde als lid van de Commissie van Gevolmachtigden, die als een marionettenregering van de Duitsers over Vlaanderen wou regeren. Borms was daarbij verantwoordelijk voor het "Nationaal Verweer", waarbij hij onder meer dacht aan de oprichting van een eigen knokploeg en militie, de Vlaamse Rijkswacht. Bij het einde van de oorlog vluchtte hij naar Duitsland, maar niet zonder eerst van zijn medestanders de garantie af te dwingen dat zij ervoor zouden zorgen dat zijn vrouw haar "burgerlijk bestaan" ongestoord kon voortzetten. De vervolging van de activisten na de oorlog wekte een ressentiment op dat het antibelgicisme een beslissende stoot gaf. Het werd nog verder gevoed door het onbegrip en de vaak brutale arrogantie van het oude, burgerlijke bestel. Dat was gloriërend uit de oorlog gekomen en maakte van het activistische landverraad gebruik om heel de Vlaamse beweging te discrediteren. Zo groeide het Vlaams-nationalisme ideologisch uit, ook op grond van positieve, toekomstgerichte impulsen, wat niet belet dat het toch sterk was getekend door een negatieve sfeer van frustratie en rancune. In haar concrete actie bediende het Vlaams-nationalisme zich graag van een mystiek van lijden en offeren. Bijvoorbeeld August Borms, "martelaar voor Vlaanderen". Na de oorlog was Borms ter dood veroordeeld, een straf die in levenslang werd omgezet. Zeker, Borms was geen kleine garnaal geweest in het activisme, maar hij had van zijn zaak zozeer een showproces gemaakt, dat hij de rechter geen andere keuze liet dan die tussen de vrijspraak en de doodstraf. En aangezien aan Borms' schuld niet kon worden getwijfeld, werd het dat laatste. Negen jaar bleef Borms "zuchtend in de Belgische kerker" zijn rol als martelaar spelen. Hij weigerde een vervroegde vrijlating omdat hij de daartoe gestelde voorwaarden niet wou aanvaarden. Zelfs toen het volstond om daarvoor een eenvoudig gratieverzoek in te dienen, ging hem dat te ver. Het was in die slachtofferrol dat Borms tot een mythe uitgroeide. Zijn beginselvast idealisme contrasteerde met de harteloosheid van de Belgische staat. Die visie liep parallel met hoe Vlaanderen tegen zichzelf aankeek: genegeerd en geminacht door de topklasse van de francofone katholieken en liberalen die het landsbestuur in handen hadden, die nog altijd van geen Vlaamse universiteit wilden horen, die taalwetten saboteerden of niet met amnestie voor de veroordeelde activisten over de brug wilden komen.RUIM EEN MILJOEN FRANK VOOR DE VOORZITTERDat alles stond in fel contrast met het "werkelijke land" in Vlaanderen. Daar won een groeiende middenklasse sociaal-economisch almaar aan belang, wat blijkt uit het ontstaan van een netwerk van professionele en andere verenigingen, van het Vlaams Economisch Verbond via de Vlaamse Toeristenbond tot tal van Vlaamse sportclubs. "Vlaams zijn" was hun identiteit, hun teken des onderscheids en de legitimatie van hun machtsaanspraken. Deze sociaal-culturele elite ontstond niet als gevolg van een wilsdaad, maar van een sociologisch feit. Aan die groei ontleende ze zoveel assertiviteit dat ze niet langer bereid was om de oude burgerlijke dominantie nog te accepteren. Het propagandistisch voortdurend in de actualiteit gehouden geval-Borms kon gelden als het kristallisatiepunt voor het conflict tussen de oude Belgische machthebbers en de nieuwe Vlaamse elite. Deze laatste kreeg een belangrijk deel van het Vlaamse electoraat mee, toen eind 1928 in Antwerpen een tussentijdse verkiezing moest worden georganiseerd, na het overlijden van de liberale volksvertegenwoordiger Paul Kreglinger. Een opvolger was niet beschikbaar. In zulke omstandigheden was het gebruikelijk dat alleen de betrokken partij een lijst indiende, zodat de liberalen - wier partij zich vaak uitgesproken antiflamingantisch opstelde - Paul Baelde als hun kandidaat naar voren schoven. Maar de flaminganten zagen de kans schoon om de krachtproef aan te gaan. Ze maakten van Borms hun kandidaat, met een tweede katholieke flamingant als opvolger. Onder impuls van respectievelijk Frans Van Cauwelaert en Camille Huysmans onthielden de katholieke en socialistische partij zich in de kiesstrijd, zodat het ging tussen Borms en Baelde. Borms won met een straatlengte. De boodschap kwam goed over: al snel raakte de taalwetgeving in een stroomversnelling. Zelfs de liberale krant La Dernière Heure had het begrepen. Ze schreef in 1929: "Men verdeelt een land niet ongestraft in uitstekende vaderlanders en slechte burgers." In de jaren dertig bleef August Borms zich opwerpen als de boven de partijen staande verzoener, maar nooit groeide hij uit boven zijn strikt symbolische rol. Met het gros van het Vlaams-nationalisme dreef hij af naar extreem rechts, om meteen na de Duitse bezetting van mei 1940 in de collaboratie te belanden. Omdat hij alweer meende dat wat goed was voor de Duitsers, goed was voor Vlaanderen, aarzelde hij niet om jonge Vlamingen op te roepen om dienst te nemen in het Duitse leger aan het Oostfront. Hij werd ook voorzitter van de commissie die - op staatskosten - schadeloosstellingen uitbetaalde aan veroordeelde activisten. En voorzitter Borms vergat vooral zichzelf niet. Hij incasseerde een schadevergoeding van ruim één miljoen, plus een pensioen van 281.000 frank per jaar, een fortuin in die tijd. Het was zijn ultieme wraak op België. Tot het laatste moment volhardde August Borms in de collaboratie. Hij kreeg er na de oorlog ook de zwaarst denkbare straf voor.Charlie Chaplin, een film zonder woordenMarc Reynebeau