Een groep Texanen besloot onlangs om een gemeenschap van Ron Paul-supporters te stichten. De vurigste aanhangers van de libertijnse Paul, die tot voor kort in de running was voor de Republi- keinse nominatie voor de presidentsverkiezingen, kunnen nu een huis bouwen in Paulville, een vooralsnog braakliggend stukje West-Texas. Daar denken ze vrij te kunnen zijn. Ze zullen er niet meer worden geconfronteerd met andere levenswijzen noch met mensen die hun bovengemiddelde vrijheidsdrang niet delen.
...

Een groep Texanen besloot onlangs om een gemeenschap van Ron Paul-supporters te stichten. De vurigste aanhangers van de libertijnse Paul, die tot voor kort in de running was voor de Republi- keinse nominatie voor de presidentsverkiezingen, kunnen nu een huis bouwen in Paulville, een vooralsnog braakliggend stukje West-Texas. Daar denken ze vrij te kunnen zijn. Ze zullen er niet meer worden geconfronteerd met andere levenswijzen noch met mensen die hun bovengemiddelde vrijheidsdrang niet delen. Cynici grinniken bij het idee, en zelfs Ron Paul is niet meteen enthousiast over het Paulvilleproject. Toch is het niet zo uitzonderlijk dat aanhangers van een politieke beweging ervoor kiezen dicht bij elkaar te gaan wonen. Steeds meer Amerikanen troepen immers samen in clusters van gelijkgezinden. Conservatieve kiezers willen tussen conservatieven wonen, en liberalen zoeken andere liberalen op. Dat fenomeen zorgt haast vanzelfsprekend voor geografische verschuivingen in de verkiezingsresultaten. In 1976 werd Jimmy Carter met 50,1 procent van de stemmen tot president van de Verenigde Staten verkozen. Hoewel het een nek-aan-nekrace was, woonde 26,8 procent van de kiezers in een district waar Carter ofwel met 20 procent voorsprong won ofwel met evenveel achterstand verloor. Het percentage Amerikanen dat in zulke zogenaamde landslide-districten woont, is sindsdien haast verdubbeld. Bij de verkiezingen van 2000 ging het al om 45,3 procent van de kiezers. Toen George W. Bush in 2004 op het nippertje werd herverkozen, was dat 48,3 procent. 'Hoe kan het een nek-aan-nekrace zijn als ik niet één Bushaanhanger ken?' vroeg toneelschrijver Arthur Miller zich toen af. Het antwoord is simpel: die klitten in andere buurten samen. Uit statistische gegevens van de verschillende districten vallen amper sporen van ideo-logische segregatie af te lezen. Volgens Bill Bishop, auteur van het recente boek The Big Sort: Why the Clustering of Like-Minded America is Tearing us Apart, komt dat doordat districten vaak erg groot zijn. Zo telt het district Cook in Illinois meer dan 5 miljoen inwoners, en is Beaverhead in Montana 14.400 vierkante kilometer groot. De buurten waar mensen zo'n ideologische cluster vormen zijn veel kleiner dan dat. Amerikanen verhuizen vaak, meestal uit praktische overwegingen. Voor ze een nieuwe woonplaats kiezen, gaan ze eerst eens rondrijden in de buurt. Ze kijken of er wapenwinkels en evangelische kerken te vinden zijn, of er veel auto's met anti-oorlogsstickers in de straten staan, of er yogacursussen georganiseerd worden en je er biologische groenten en fruit kunt kopen. Onbewust gaan ze dus op zoek naar een plek waar ze zich thuis kunnen voelen, waar gelijkgezinden wonen. De keuze van je woonplaats wordt gedeeltelijk door je budget bepaald. Dat spreekt vanzelf. Maar het zijn andere factoren die mensen als de toekomstige bewoners van Paulville drijven. In de VS kun je iemands politieke voorkeur immers niet van zijn loonstrookje aflezen. Culturele factoren zijn veel doorslaggevender. Wie in de VS naar een andere stad verhuist, kiest niet zozeer tussen een chique en een verlopen buurt maar wel tussen gelijkwaardige buurten met verschillende culturen. Wie in Washington DC werkt maar in een buitenwijk wil wonen, kan bijvoorbeeld kiezen voor Maryland of voor het noorden van Virginia. In beide staten vind je dezelfde groene lanen en even goede scholen. Maar in Virginia zijn er veel conservatieve buurten met grote kerken en bekende Bushaanhangers. In de chique randgemeenten van Maryland daarentegen zijn Republikeinen net zo zeldzaam als verwaarloosde voortuintjes. In veel tuinen staan ook borden met de boodschap dat oorlog het antwoord niet is op de problemen van de VS maar Barack Obama misschien wel. In een boekhandel in Bethseda, een van de duurste buitenwijken van Maryland, zit de gepensioneerde advocaat Steven Balis, met wilde grijze haren en een afgewassen T-shirt, The New York Times te lezen. Hij noemt zichzelf 'een Democraat bij gebrek aan alternatieven'. Voor hem lag het voor de hand om in Maryland te gaan wonen in plaats van in Virginia. Als we hem vragen of hij ook sociaalconservatieve kennissen heeft, antwoordt hij simpelweg: neen. Omdat Amerikanen zo mobiel zijn, eindigt hun drang om tussen gelijkgestemden te leven nogal snel in segregatie. Een boekhouder uit de staat Texas kan bijvoorbeeld wonen waar hij wil. Liberale boekhouders zullen echter automatisch kiezen voor de funky buurten van Austin, terwijl hun conservatieve vakbroeders veeleer naar de villawijken van Dallas zullen verhuizen. In Californië zoeken conservatieve Amerikanen dan weer hun heil in Orange County of Central Valley. Amerikanen worden dus hoe langer hoe minder met andere overtuigingen geconfronteerd. Dat kon onderzoekster Diana Mutz van de universiteit van Pennsylvania zelfs wetenschappelijk aantonen in haar boek Hearing the Other Side: uit vergelijkend onderzoek in twaalf landen blijkt dat een Amerikaan het minst kans loopt om een gesprek over politiek te beginnen met iemand die het niet met hem eens is. Intrigerend is wel dat Amerikanen zich meer op hun eigen ideologische eiland terugplooien naarmate ze hoger opgeleid zijn. Goed opgeleide mensen zijn meestal rijker, dus kunnen ze vrijer kiezen waar ze willen wonen. Bovendien zijn ze mobieler dan veel anderen. Uit een studie uit de jaren tachtig en negentig blijkt bijvoorbeeld dat 45 procent van de jonge Amerikanen met een universitair diploma binnen de vijf jaar na het afstuderen naar een andere staat verhuist. Bij jongeren met alleen een diploma van de middelbare school is dat amper 19 procent. Dat is niet zonder gevaar, want onderzoek heeft aangetoond dat wie tot een homo- gene groep behoort zich sneller extreem opstelt. Ook intelligente, open mensen zijn daar niet immuun voor. Zo is gebleken dat Republikeinse rechters conservatievere stellingen innemen als ze in een panel met Republikeinse collega's worden gezet. Democratische rechters worden dan weer liberaler als ze met andere Democraten samenwerken. De Amerikaanse politiek wordt dus als het ware gebalkaniseerd, en dat komt niet alleen door de geografische segregatie. Door het enorme aanbod aan televisiekanalen is er altijd wel een station te vinden dat de vooroordelen van de kijker nog versterkt. Op het internet is dat nog meer het geval. Via websites zoals conservativedates.com of democraticsingles.net kunnen Amerikanen zelfs een gelijkgezinde partner zoeken. En dan is er nog de groeiende beweging voor thuisonderwijs, die al meer dan een miljoen Amerikaanse kinderen afschermt van elk idee waar hun ouders het niet mee eens zijn. Neem Melynda Wortendyke, een toegewijde christen die haar zes kinderen zelf lesgeeft in haar huis in Virginia. Zij haalde haar oudste van de kleuterschool af omdat ze het niveau te laag vond, maar ook omdat het kind er werd blootgesteld aan een boek over lesbische moeders. 'Onze eigen overtuigingen worden steeds opnieuw voor ons herhaald', zegt Bill Bishop. 'We horen ze almaar weer in de televisieprogramma's die we bekijken, we lezen ze in de kranten die we kopen en op de blogs die we bezoeken, en dan duiken ze ook nog eens overal in onze buurt op.' Maar wat is daar eigenlijk mis mee? Waarom zouden mensen niet tussen gelijkgezinden mogen wonen als ze zich daar goed bij voelen? Wie heeft daar last van? Bishop pleit er niet voor om het recht om te wonen waar je wilt aan banden te leggen, maar hij maakt zich wel zorgen om de gevolgen. Zo hebben kiezers in ideologisch homogene districten de neiging om extremere volksvertegenwoordigers te verkiezen. Debatten veranderen dan al snel in scheldtirades. Daardoor wordt het voor de wetgevende macht ook een stuk moeilijker om de traditionele tegenstellingen te overstijgen en tot compromissen te komen. Gevolg: aanslepende problemen, zoals het wankele pensioensysteem en de ziekteverzekering, raken niet opgelost. Op die manier vallen de Verenigde Staten volgens Bishop uit elkaar in gebalkaniseerde gemeenschappen met inwoners die geen begrip kunnen opbrengen voor mensen met andere overtuigingen. Daar heeft hij wel een punt. Republikeinen die nooit een Democraat tegenkomen, zullen sneller geloven dat Democraten er extremere standpunten op na houden dan zijzelf, en vice versa. Vandaar de venijnige toon die veel verkiezingscampagnes kenmerkt. Maar als Bishop beweert dat dit fenomeen de VS uit elkaar trekt, gaat hij wat snel door de bocht. De Amerikaanse politiek mag dan gepolariseerd zijn, vooralsnog staan beide groepen elkaar niet naar het leven. 'We hebben respect voor elkaars overtuiging', zegt Wortendyke over de weinige liberalen in de thuisonderwijsbeweging. 'We haten elkaar, maar wel op een hoffelijke manier', vat Steven Balis het samen. ©THE ECONOMIST - VERTALING EN BEWERKING: ANN PEUTEMAN