DOOR FRANS VERLEYEN
...

DOOR FRANS VERLEYEN Als het goed is, krijgen schoolkinderen nog wel eens een oude tekst van Demosthenes in handen. Hun leraar zal er wellicht bij vertellen dat de beroemde Atheense redenaar, vierde eeuw vóór Christus, als kind een spraakgebrek had. Hij overwon het door zuiver te leren praten met een kiezelsteen in de mond. Zijn vlijmscherpe politieke toespraken maakten geschiedenis. Die ?filippica's? waren gericht tegen de opdringerige koning van Macedonië, vader van wereldveroveraar Alexander de Grote. Achteraf bleken ze profetisch. In het Uffizi-museum van Firenze staat het borstbeeld van Marcus Tullius Cicero. Tweeduizend jaar geleden maakte hij in Rome naam als advocaat, ambtenaar, consul en lid van de Senaat. Daar kreeg hij te maken met de corrupte Lucius Catilina die een staatsgreep voorbereidde. Cicero's aanklacht tegen de fortuinjager (? quo usque tandem..., hoelang nog, Catilina, zult gij ons geduld misbruiken ??) blijft tot de wereldliteratuur behoren. Cicero schiep eens en voorgoed het beeld van de politicus die moedig, helder en intelligent moet kunnen spreken. Ook onze eigen eeuw kende veel opvallende staatslieden met het talent om een kernachtige idee tot de juiste woorden om te smelten. Jean Jaurès, Willy Brandt, Nasser, Churchill. Die laatste bracht zijn land in de oorlog tegen Hitler, met de belofte van ?zweet, bloed en tranen?. Later zag hij, vanwege de communistische opmars, een ?ijzeren gordijn over Europa neerdalen?. Het werden staande uitdrukkingen. En toen de Franse justitie tijdens de studentenopstand van mei 1968 de rebelse filosoof Sartre in de gevangenis wou opsluiten, verbood president De Gaulle dat met de gevleugelde zin : ?On n'arrête pas Voltaire.?In België was Paul-Henri Spaak ( ?nous avons peur?) wellicht de laatste grote politieke redenaar. Nadien verbleekte het parlementaire woord gaandeweg tot een tam of technocratisch vocabulaire. Soms vlamde nog eens een vonk op in de mond van wijlen André Cools ( ?messieurs, je vais vous parler le sang à la bouche?) of de VU'er Paul Van Grembergen. Vandaag zijn ogenblikken van bezieling of goed geformuleerde intelligentie echter zeldzaam geworden. De democratie wordt beheerd door mensen die zich in het zogenaamde Wetstratees uitdrukken. Tussen taal en politiek zou nochtans een delicate band moeten bestaan. Een staatsgezag dat het privé-leven, de toekomst en de huishoudelijke economie van zijn onderdanen in grote mate controleert elke Belg zit in dat web gevangen moet waardig en met precisie kunnen spreken. Maar wie in het parlement of via de beeldbuis de gebruikelijke debatten bijwoont, hoort meestal onhandige zinnen en vaak meelijwekkend gestamel. Dat is steevast doorspekt met bastaardnederlands waarin maatregelen geïmplementeerd en ambtenaren niet geherwaardeerd maar functionarissen gerevaloriseerd worden. Veel schrijvers en mensen die op een of andere manier met cultuur bezig zijn, noemen taal een soort eerste vaderland. Zij is immers het voertuig waarop hun gedachten rijden. Op een wat ingewikkelder manier is zij zelfs de moeder van hun psychische en emotionele ervaringen, van hun spirituele beleving, hun humor ook. En bovenal is zij vrijwel het enige instrument om een band met de buitenwereld te onderhouden. Juist daarom is veeltaligheid een bron van veel levensgenoegen. Naar eigen zeggen, sprak de in Gent geboren keizer Karel Spaans tegen God, Italiaans met vrouwen, Frans tegen mannen en Duits met zijn paard. Waarom hebben onze machtigste politici het zo moeilijk om zich met een volwassen woordenschat in een behoorlijke stijl uit te drukken ? Die kwaal kan vele oorzaken hebben. Slecht onderwijs gehad, thuis niet in de moedertaal opgevoed, intellectuele bedremmeldheid. Maar het kan ook dieper zitten. Zo leidt afwezigheid van een waarachtige overtuiging of gewoon stofkennis tot woordzwendel : het in de lucht blazen van technische en triviale termen. Het jargon. Wie niets te zeggen of, erger nog, iets te verbergen heeft, kan moeilijk een genietbare uiteenzetting houden. Wie duister spreekt, is bijna altijd een bedrieger van zichzelf of van anderen. Enkele weken geleden beleefde de Nederlandse Tweede Kamer een plezierig moment. VVD-fractieleider en interpellant Frits Bolkestein, een briljante tegenstribbelaar, deed iets ongewoons. Tegen zijn gewoonte in zwaaide hij de regering een heleboel lof toe. De Kamer aanhoorde hoe hij het beleid van de paarse coalitie onder Wim Kok, naar wie ondertussen zowat heel Europa bewonderend opkijkt, als het ware de hemel in prees. Waarop de premier het parlement minzaam vroeg : zullen we nu even met zijn allen de wave maken ? Met dat ene woord uit de voetbaltribune vatte hij het politieke klimaat in Den Haag spitsvondig samen. Het volk onthoudt zoiets, schiet er een eind mee op. Achter de voorgevels van de Brusselse Wetstraat woont misschien geen enkele politicus meer die zijn burgers met dat soort taalbeschaving kan opbeuren, gidsen of stimuleren. Ook die rare onmondigheid van het staatsgezag, het oligarchische gebroebel, maakt deel uit van de politieke en maatschappelijke vulgariteit waaronder het land lijdt. Goed spreken of schrijven, is goed denken, goed voelen en goed weergeven, wist graaf De Buffon al tweehonderd vijftig jaar geleden. Uit ondervinding weet elke inwoner van België dat zijn hogere overheid aan die stelregel niet voldoet. DE OPENBARE KUNSTEr bestaan in de gewone samenleving tal van beroepen waarbij de kandidaat of postulant zijn taalvermogen moet bewijzen. Personeelsdirecteuren, leraars, journalisten, verkopers en PR-agenten komen er niet zonder aanleg voor verbale communicatie. In de nochtans alles en iedereen verterende politiek schijnt die eis niet meer te worden gesteld. Dat is eigenaardig. Vroeger verwierf bijna elke verkozene zijn bekendheid door een paar knappe redevoeringen, een bij uitstek openbare kunst. Vandaag hebben ministers grote moeite om een verstaanbaar televisiegesprek te voeren. Het valt te vrezen dat hun verbaal analfabetisme wijst op geslotenheid, interne coöptatie, kramp, geheimhouding, verborgen agenda's en een gevaarlijk gebrek aan belangstelling voor de man in de straat. Die loopt dan ook dood.