Het vergaat straathoekwerkers nog slechter dan undercovers. Speurders die onder een valse identiteit een bepaald milieu infiltreren, worden goed beschermd. Straathoekwerkers krijgen helemaal geen bescherming. Ze weten veel maar kunnen beter zwijgen, zeker tegen politie en gerecht. Zoals Erik Castermans, een van de pioniers van het straathoekwerk in Vlaanderen en van het Vlaams Straathoekwerk Overleg (Vlastrov) onlangs op een colloquium over het beroepsgeheim van de straathoekwerker verklaarde, "moet er tussen de doelgroepsleden en welzijnswerkers een grote mate van vertrouwen b...

Het vergaat straathoekwerkers nog slechter dan undercovers. Speurders die onder een valse identiteit een bepaald milieu infiltreren, worden goed beschermd. Straathoekwerkers krijgen helemaal geen bescherming. Ze weten veel maar kunnen beter zwijgen, zeker tegen politie en gerecht. Zoals Erik Castermans, een van de pioniers van het straathoekwerk in Vlaanderen en van het Vlaams Straathoekwerk Overleg (Vlastrov) onlangs op een colloquium over het beroepsgeheim van de straathoekwerker verklaarde, "moet er tussen de doelgroepsleden en welzijnswerkers een grote mate van vertrouwen bestaan (...) Het is dan ook essentieel dat je de gasten kunt garanderen dat persoonlijke informatie niet uitgewisseld wordt met derden. En die derden worden ruim geïnterpreteerd door de werkers maar vooral door de gasten." Van straathoekwerkers wordt verwacht dat zij zeer discreet zijn en een strikte gedragscode volgen in het contact met hun "gasten". Het is niet altijd zo zeker dat zij het beroepsgeheim kunnen inroepen zoals het Strafwetboek (artikel 458) dat oplegt aan "geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd". Straathoekwerkers en welzijnswerkers in het algemeen vragen nochtans om een dergelijke bescherming. Zij willen dat het nieuwe parlement daarover een discussie ten gronde voert. Zeker nu bij de regeringsvorming een strengere aanpak van jonge delinquenten op de agenda staat. Onlangs werd in Leuven nog een welzijnswerkster ontslagen omdat zij de bevoegde overheden niet had meegedeeld dat de ouders van een jongeman een hoeveelheid drugs in diens kamer thuis hadden ontdekt. Zo komen welzijnswerkers en vooral straathoekwerkers onder toenemende druk van politie en gerecht te staan om informant en zelfs verklikker te worden. De overheid kan de druk makkelijk opvoeren, want bijna alle straathoekwerkers zijn in loondienst van de gemeenten en van Binnenlandse Zaken. En meestal werken ze in het kader van het veiligheidsbeleid dat die gemeente heeft uitgestippeld. Precies door dit arbeidsstatuut kan de overheid, desnoods, het Wetboek van Strafvordering (artikel 29) inroepen. Daarin staat dat "iedere (...) ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of een wanbedrijf verplicht is daarvan dadelijk bericht te geven aan de procureur des konings bij de rechtbank binnen wier ambtsgebied die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd of de verdachte zou kunnen worden gevonden...". Ook daarom vraagt Vlastrov dat niet alleen het beroepsgeheim en de deontologische code van het straathoekwerk in hun arbeidscontracten zouden worden opgenomen. Vlastrov vraagt ook dat steden en gemeenten hun welzijnsinitiatieven zouden onderbrengen "in meer autonome structuren of via detachering toevertrouwen aan private welzijnsorganisaties". Vlastrov wordt hierin, als afdeling van het Steunpunt Algemeen Welzijnswerk, gesteund door de Vereniging voor Alcohol en Drugsproblemen (VAD), door de Vereniging van Vlaamse Behandelingscentra Verslavingsproblematiek en door Uit de Marge, de landelijke jeugddienst voor werkingen met kansarme jongeren.Frank De Moor