Het Ruimtelijk Structuurplan kent zichzelf een dubbelvoudige opdracht toe : de steden versterken en toch de open ruimte vrijwaren.
...

Het Ruimtelijk Structuurplan kent zichzelf een dubbelvoudige opdracht toe : de steden versterken en toch de open ruimte vrijwaren.Tot eind februari kan de bevolking haar opmerkingen kwijt over het ontwerp ruimtelijk structuurplan. In de gemeentehuizen en de openbare bibliotheken liggen exemplaren van het vijfhonderd bladzijden dikke document voor openbaar onderzoek ter inzage. Niemand verwacht een overrompeling, maar van onverschilligheid is ook geen sprake. Vele verenigingen mobiliseren hun achterban en in elke provincie organiseert de Vlaamse overheid twee informatievergaderingen. Voor de Limburgse inspraakvergaderingen zakten vorige week driehonderd mensen naar het provinciehuis in Hasselt af. Tot een vuurwerk van vragen of een hoogoplopende discussie kwam het niet. Na de voorstelling en de vragenronde volgde een hoffelijk applaus. Nooit geraakten de gemoederen verhit. De boeren informeerden naar de landbouwgrond, de groenen vonden in het ontwerp te weinig waarborgen voor de beloofde natuuruitbreiding. Slechts de grootste twijfelaars zochten na afloop nog snel bevestiging over de ruimtelijke toekomst van hun gemeente, en of daar nu wel of niet plaats was voor een industrieterrein. Van theoretische debatten ligt Vlaanderen niet wakker. Er leeft iets van : we zien wel wat er in de praktijk gebeurt. Alleen concrete vragen over het gigantische Fenixproject op de oude mijnterreinen in Waterschei (Genk) brachten het uitgebreide panel van ambtenaren even aan het koorddansen, maar niet uit evenwicht. Voorts deden de ambtenaren op de informatievergaderingen met overgave hun werk, en niemand in de zaal die er aan dacht hen uit te kreten voor communisten in schaapsvacht. Het zag er aanvankelijk anders uit. Enkele jaren geleden, bij het opstarten van de structuurplanning, oordeelde zelfs de voorzichtige krant De Standaard dat in vergelijking met de uitgangspunten van het Structuurplan, de Roemeense dictator en volksverhuizer Nicolae Ceausescu een softe welzijnswerker moet zijn geweest. Het IJzeren Gordijn was amper gesloopt, of Vlaanderen viel ten prooi aan het collectivisme. Ruimtelijke ordening blijft een gevoelig thema. HET PLAN IS GEEN PLANIn 1992 gaf Theo Kelchtermans (CVP), toen bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, het Structuurplan een nieuwe kans. Aan aankondigingen had het tot dan toe niet ontbroken. Sinds staatssecretaris Luc Dhoore (CVP) in 1975 de idee in zijn beleidsnota lanceerde, zou elke Vlaamse regering er bij hoogdringendheid werk van maken. Meer dan twintig jaar later is het Structuurplan er nog niet. Tot Kelchtermans er dus in 1992, na enkele schuchtere pogingen van zijn voorgangers, wel de schouders onder zette. Onder leiding van de professoren Louis Albrechts (KUL) en Charles Vermeersch (UG) tekende een plangroep het concept uit. Eddy Baldewijns (SP), die Kelchtermans op Ruimtelijke Ordening opvolgde, verzekerde de continuïteit en nam het plan over. Sinds vorige zomer is de structuurplanning ook decretaal vastgelegd in het planningsdecreet (24 juli 1996). Dat bepaalt onder meer dat er op drie niveaus aan structuurplanning wordt gedaan : op Vlaams, provinciaal en gemeentelijk. Het lagere gemeentelijke plan mag niet ingaan tegen de principes van het hogere provinciale plan. Het provinciale plan mag niet strijdig zijn met de visie van het Vlaamse structuurplan. Een van de merkwaardigste kenmerken van het Structuurplan is dat het geen plan is. Wie in gemeentehuis of bibliotheek hoopt de mogelijk nieuwe bestemming van zijn grond op plan te kunnen achterhalen, komt bijgevolg bedrogen uit. Het Structuurplan geeft een visie op waar het met Vlaanderen heen moet. Het is niet direct bindend voor de burger, wel voor de overheid. Maar indirect zal de burger de gevolgen voelen. Eens het plan goedgekeurd is, wordt de filosofie omgezet in de gewestplannen en in gemeentelijke algemene en bijzondere plannen van aanleg (APA en BPA). Die ordenen de ruimte wél op een concrete manier. DE ORDENING VAN DE VRAAGDat het met Vlaamse ruimtelijke ordening erg gesteld is, heeft veel te maken met de bewuste uitholling van de administratie die vooral niet aan planning mocht doen en nog minder de overtredingen mocht constateren of bestraffen. Gelukkig komt daar onder Eddy Baldewijns stilaan verandering in (zie kader). Maar tot nu toe gold als regel : hoe meer er gemorst werd met de schaarse ruimte, des te meer kwam dat de carrière van menig politicus ten goede. Lobbywerk, cliëntelisme en politiek dienstbetoon waren beter uitgebouwd dan het ruimtelijk beleid. Maar de bedenkelijke ruimtelijke kwaliteit vloeit ook voort uit een gebrek aan visie. De overheid deed alleen haar uiterste best alle bouwaanvragen zo bereidwillig mogelijk te beantwoorden. Het enige kader voor ?deze ruimtelijke ordening van de vraag? waren de gewestplannen. Maar die werden, indien nodig, ook aangepast en zelden om meer open ruimte te creëren of de kernen te versterken. Bovendien zijn de gewestplannen verouderd. Het Structuurplan moet een inhaalbeweging realiseren. Vertrekkend van de reële situatie, wil het de groei kanaliseren. Volgens plan is er ruimte voor 400.000 woongelegenheden wat niet hetzelfde is als woningen. Dat kan binnen de bestemmingen op bestaande gewestplannnen. Er wordt rekening gehouden met bijna 7000 hectare bijkomende bedrijventerreinen bovenop de 55.000 op de gewestplannen. Er komt 10.000 hectare bos bij en 38.000 hectare natuur- en recreatiegebied. De landbouw levert volgens de opmakers van het plan ?geen hectare? in. In 2007 zal er 750.000 hectare landbouwgrond blijven. Dat is zoveel als nu, maar 56.000 minder dan in het gewestplan. Deze ruimtebalans, of de afweging van de verschillende behoeften, is belangrijk om het Structuurplan aanvaardbaar te maken. Nog meer wegen de principes door waarop de ruimtelijke ordening straks moet stoelen. Het Structuurplan kiest voor de versterking van de kernen van dorpen en steden. Het wonen en de economische activiteiten moeten worden samengebracht. De infrastructuur moet eveneens worden gebundeld. Er komt een striktere hiërarchie van wegen en de concentratie van wonen en werken moet de toekomstkansen van het openbaar vervoer als alternatief voor de auto vrijwaren. Anders dan de gewestplannen kiest het Structuurplan voor de verweving van de functies en dus in de mate van het mogelijke voor de combinatie van wonen en werken. Het plan eist weer een hoofdrol op voor de in het recente verleden verwaarloosde steden. Enigszins paradoxaal wil dat niet zeggen dat daarmee de stadsvlucht uit, bijvoorbeeld, Antwerpen of Gent wordt gekeerd. Wel zal de groei beter aansluiten bij de oude kernsteden dan bij de uitvoering van de bestaande gewestplannen het geval zou zijn. ZELFS BRUGGE LOOPT LEEG?De stad is vol,? schreef Pascal De Decker drie jaar geleden naar aanleiding van de eerste voorstellen rond het Structuurplan. Volgens de planoloog is een verdere suburbanisatie onvermijdelijk. ?In Vlaanderen leven vandaag 1,2 miljoen mensen of een kwart meer dan in 1947. In Vlaanderen wonen vandaag 830.000 gezinnen meer dan in 1947, een toename met zestig procent.? De Decker, intussen adviseur van minister van Stedelijk Beleid Leo Peeters (SP), vond dat het beleid niet rond de vraag kan ?of de kernsteden de grenzen van hun capaciteit niet hebben bereikt, in de plaats van valse illusies achterna te hollen als zouden de steden sponsen met een quasi onbeperkt absorptievermogen zijn.? Overigens neemt het aantal gezinnen in de kernsteden nog toe. Maar het zijn niet de klassieke gezinnen met vader, moeder en twee kinderen. Het zijn vaak mensen die voor het eerst zelfstandig gaan wonen, gescheiden mannen en vrouwen, bejaarden. Daardoor daalt de bevolking. Zelfs een stad als Brugge kon die trend de voorbije twintig jaar niet ombuigen, ondanks zijn voor Vlaanderen unieke stadsvernieuwing. Een strikte reürbanisatiepolitiek heeft volgens De Decker funeste sociale gevolgen. Want vooral in armere buurten zoals, bijvoorbeeld, de Gentse negentiende-eeuwse gordel zijn er nog te veel kleine en slechte woningen in dichtbevolkte buurten met weinig groen. Om er het leven aangenamer te maken, dringt een sanering en een verdunning van de bevolking zich op. ?Het is op zich al positief dat deze kleine en vaak slechte woningen niet langer door kroostrijke gezinnen worden bewoond,? aldus De Decker. ?Als de stad niet leeg is, kan zij niet weer gevuld worden, tenzij naar onverantwoorde en onleefbare dichtheden gestreefd wordt.? De Decker pleit, zoals zijn minister vandaag, voor een omgekeerde beweging. De kernstad moet worden ontpit : binnengronden moeten weer worden vrijgemaakt zodat er gemeenschapsruimte ontstaat in het midden van een huizenblok. En er moet meer openbare ruimte komen. Die stelling heeft grote ruimtelijke gevolgen. Want als de kernstad niet dichter bewoond kan worden, dan moet de stad verder blijven uitbreiden. Met andere woorden, de druk op de randgemeenten neemt niet echt af, Structuurplan of niet. Het komt er dus in de eerste plaats op aan om de groei van de stad te begeleiden en een einde te maken aan de wildgroei. De suburbanisatie gaat door. WIJKEN MET TE VEEL MENSENDat is ook de stelling van professor Ann Verhetsel (Ufsia). Maar het Structuurplan zorgt er wel voor dat de bebouwing nauwer aansluit bij de steden. In opdracht van de mobiliteitscel van het Vlaamse Gewest onderzocht Verhetsel de verkeersstromen van en naar Antwerpen. Daarvoor moest ze weten waar de mensen in 2010 zullen wonen en werken. Verhetsel onderzocht het gewestplanscenario waarin de trends van de jongste kwarteeuw zich doorzetten. Behalve de suburbanisatie of het doorgroeien van de stad in de rand (Kapellen, Brasschaat, Schilde, Edegem, Hove,...) is er vooral sprake van de verstedelijking van een tweede gordel, nog verder van de kernstad (zie kaart). ?Ook op het platteland, in de open ruimte, duiken stedelijke kenmerken op,? stelt Verhetsel vast. Volgens haar prognoses hebben sommige landelijke gebieden tegen 2010 bevolkingsdichtheden die dichter aansluiten bij stedelijke en suburbane dan bij landelijke gebieden. Bij een ongewijzigd beleid, welteverstaan. Maar de overheid wil ingrijpen om de steden kansen te geven en dus de economische concurrentie met de andere stedelijke gebieden in Europa aan te kunnen ; om de mobiliteit te garanderen ; om de landbouw rechtszekerheid te geven ; om de open ruimte en de natuur te sparen. Maar ook Verhetsel denkt dat in het structuurplanscenario de kernen van steden als Antwerpen, Mechelen of Sint-Niklaas bevolking zullen verliezen (blauw en groen op de kaart). De stad blijft dus groeien, maar de versnippering en de verspreide bebouwing worden afgeremd. In een volgende fase van het Structuurplan worden de stedelijke gebieden afgebakend waarbinnen de groei van bevolking en economische activiteit moet worden geconcentreerd. Dat kan niet allemaal in de kernsteden, denkt Verhetsel. Al woont ze zelf in de kern van Antwerpen en is ze er voor om de steden leefbaarder te maken voor gezinnen met kinderen. Maar in heel wat wijken wonen nu al te veel mensen. Daar vindt zij een daling van de bevolking wenselijk, tot een gemiddelde van vierduizend inwoners per vierkante kilometer in het Antwerpen van voor de fusie en drieduizend in de rest van Antwerpen en de andere woonkernen van het stedelijk gebied. De studie van Verhetsel maakt geen deel uit van het Structuurplan, maar vertrekt wel van dezelfde uitgangspunten. Met het Structuurplan is het debat over de steden dus pas goed geopend. Want alleen al de bevriezing van de situatie van 1991, met zestig procent van de bevolking in stedelijk gebied, betekent een geweldige ommezwaai van het beleid dat de groei op het platteland stimuleerde. Probleem is dat we die ommezwaai niet eens zullen merken. Slechts wanneer het roer niet omgaat, zullen we het merken : dan blijft er van het Vlaamse landschap niks meer over. Peter Renard Links het gewestplanscenario. Ver van de kernstad Antwerpen groeit een verstedelijkte (rode) band van Wuustwezel over Brecht, Malle, Zandhoven, Grobbendonk, Heist-op-den-Berg richting Mechelen. In het structuurplanscenario (rechts) blijven de kernen van Antwerpen, Mechelen en Sint-Niklaas inwoners verliezen (blauw en groen). Maar de groei sluit aan bij de stadskern, in stedelijk gebied. Minister van Ruimtelijke Ordening Eddy Baldewijns (SP) wil dat de bouwovertredingen eindelijk worden gesanctioneerd.