De kosten van de vergrijzing van de bevolking, en vooral de uitgaven voor de pensioenen en de gezondheidszorg, lopen tegen 2050 op tot 6,3 procent van het bruto binnenlands product (bbp) of ongeveer 22 miljard euro. Tegen dan zal 28,9 procent van de welvaart opgaan aan de sociale zekerheid. Dat blijkt uit het zevende jaarverslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing.
...

De kosten van de vergrijzing van de bevolking, en vooral de uitgaven voor de pensioenen en de gezondheidszorg, lopen tegen 2050 op tot 6,3 procent van het bruto binnenlands product (bbp) of ongeveer 22 miljard euro. Tegen dan zal 28,9 procent van de welvaart opgaan aan de sociale zekerheid. Dat blijkt uit het zevende jaarverslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing. In vergelijking met het vorige jaarverslag houdt de nieuwe prognose op lange termijn slechts een lichte verhoging (plus 0,1 procent van het bbp) van de kosten van de vergrijzing in. Maar in de komende jaren is er wel een aanzienlijke toename van die kosten in vergelijking met vroegere prognoses. Zo zullen de pensioenen en de gezondheidszorg tot in 2013 al 1,5 procent extra van het bbp (of ruim 5 miljard) vergen. Dat is 0,7 procent (of bijna 2,5 miljard) meer dan de Studiecommissie vorig jaar nog raamde. Ze geeft daarvoor twee verklaringen: de lagere economische groei en de hoge inflatie (die resulteert in overschrijdingen van de spilindex en zodoende ook in verhogingen van de sociale uitkeringen). 'Dit zal belangrijke gevolgen hebben voor de openbare financiën', noteert de Studiecommissie diplomatisch. Deze evolutie op korte termijn is inderdaad slecht nieuws voor de regering-Leterme, die niet alleen worstelt met een nieuwe staatshervorming, maar ook budgettair de grootste moeite heeft om de eindjes aan elkaar te knopen. Daarbij houdt ze minder geld over voor de financiering van de vergrijzing dan nodig is. Haar meerjarenbegroting tot 2011 blijft 6 tot 7 miljard euro onder het schema dat de Hoge Raad voor Financiën voorhoudt. Op basis van het nieuwe jaarverslag van de Studiecommissie zou minstens een deel van dat te sparen bedrag goed van pas komen. In haar ramingen tot 2050 heeft de Studiecommissie dit keer ook rekening gehouden met de nieuwe bevolkingsvooruitzichten. Een stijgende vruchtbaarheidsgraad (1,76 kinderen per vrouw) en een gunstig migratiesaldo (dat stijgt tot 57.000 mensen in 2012, daalt naar 16.000 mensen in 2034 en opnieuw stijgt tot 26.000 mensen in 2050) dragen bij tot een verjonging van de bevolking. Maar die gunstige demografische ontwikkelingen wijzigen de kosten van de vergrijzing niet fundamenteel, omdat de 'opaboomgeneraties' vanaf 2010 hoe dan ook in de bevolking aanwezig zijn en de levensverwachting verlengd wordt (89,7 jaar voor vrouwen en 84 jaar voor mannen). Het nieuwe jaarverslag van de Studiecommissie bevestigt ook het armoederisico bij ouderen. Arm is wie moet rondkomen met minder dan 860 euro per maand voor een alleenstaande en met minder dan 1805 euro voor een gezin met twee kinderen. In België loopt 23 procent van de 65-plussers het risico om in de armoede te verzeilen. In Frankrijk (16 procent), Duitsland (13 procent) en Nederland (6 procent) is dat risico beduidend kleiner. Een aantal mechanismen in de pensioenstelsels (minima, gelijkgestelde periodes, afgeleide rechten enzovoort) beperken in ons land enigszins het armoederisico bij ouderen. Aanvullende pensioenen (tweede en derde pijler) doen dat amper. Ze zijn vooral 'een middel tegen inkomens-terugval bij pensionering van betere verdieners', aldus de Studiecommissie. Patrick Martens