Het conflict tussen godsdienst en politiek in Turkije is voorlopig gewonnen door de politiek en dit ondanks de militairen.
...

Het conflict tussen godsdienst en politiek in Turkije is voorlopig gewonnen door de politiek en dit ondanks de militairen.N ecmettin Erbakan heeft dus toegegeven. Daarmee is hij geplooid voor de realiteit in Turkije, het land waarin hij al zovele decennia lang mee de politiek manipuleert. Tegelijk ook heeft hij daarmee een deel van zijn geloofwaardigheid verloren bij zijn electoraat. Want ook dat is de realiteit in macholand Turkije. Voor één keer nochtans, en als het hierbij blijft, is het dit keer de grote meerderheid van de Turken zelf of ze gelovige moslims zijn of niet die als winnaars uit het conflict komen. Wat voor een conflict is dat, dat de afgelopen weken voor de vierde keer sinds 1960 op een ?kemalistische? militaire staatsgreep dreigde uit te lopen ? Moestafa Kemal, genaamd Ataturk, was de vader des vaderlands, de man die in de jaren twintig, na het verkruimelen en instorten van het Ottomaanse rijk, het moderne Turkije oprichtte en het bijeen wist te houden op het toch aanzienlijke grondgebied van Klein-Azië, annex Anatolië. De manier waarop hij dat deed, was de militaire, en daarenboven de Turkse : autoritair, drastisch, met weinig aandacht voor de franjes. De Turkse staat moest westers zijn. Niemand had ooit Turkije ?de zieke man van Azië? genoemd, Istanbul was altijd Europees geweest. De staat moest dus een republiek zijn, democratisch in de mate van het mogelijke (bewaakt door de militairen, in een Midden-Oosten dat politiek nog feodaal was), een rechtsstaat en een lekenstaat (midden in de islamitische wereld). De Turkse mannen moesten hun fez af- en een pet opzetten, hun baard afscheren en hun snor laten staan, en ze moesten allemaal een pak aan van westers model. De vrouwen mochten niet meer gesluierd lopen. Voor de rest was de godsdienst vrij, zo stond dat in de grondwet. En omdat aan de noordkant achter die andere grens de Russische bolsjevieken de Sovjetunie aan het bouwen waren (en Rusland een traditionele vijand van Turkije was), werden pro-communistische, socialistische, anarchistische of andere ?subversieven? net als de islamisten buiten de wet gesteld. De grondwet verbood en verbiedt nog steeds de twee tendensen uitdrukkelijk : de linksen die de staat willen veranderen, de islamisten die de lekenstaat willen afschaffen. Beiden worden vervolgd en periodiek opnieuw uitgeschakeld door een repressie-apparaat dat daarin gespecialiseerd is, en nooit onderschat moet worden. Deze moderne, kemalistische staat, die bestond op zijn leger en op de moderne, kosmopolitische burgerij in Ankara en Istanbul, is door zijn omgeving niet verwend geworden. Permanente vijandschap met Griekenland (ook al geen parel van vooruitstrevendheid, maar als de West-Europese landen moesten kiezen tussen Athene en Ankara, kozen en kiezen ze bijna altijd blindelings voor Athene) in het westen, de Sovjetunie en de Koude Oorlog in het noorden, Centraal-Azië in het oosten, en de Arabische wereld in het zuiden. Als brug naar de moderniteit bleef eigenlijk alleen Istanbul zelf, en de Oriënt-Express over. De politieke partijen in de grote steden een rechts-liberale, een links-sociaal-democratische meestal groeiden wel tot grote apparaten, maar weerstonden de corruptie van het Midden-Oosten niet, en rotten weg tot satrapieën zonder enig moreel of politiek gezag. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen de jaren van ontwikkeling en dekolonisatie bij de buurlanden, en het leger van Ataturk had niets te doen dan met lede ogen het eigen moeras te bekijken. DE KWALEN VAN DE MODERNE TIJDDe eerste keer dat het leger tussenbeide kwam, was dat een beweging van jonge officieren die terug wou aansluiten bij het ware kemalisme. De regeringsleiders werden opgesloten, eerste-minister Adnan Menderes werd opgehangen. De tweede keer werd niemand geëxecuteerd. Premier Süleyman Demirel werd vastgezet en voor een tijd uit de politiek geweerd, maar enkele jaren later was hij alweer present om zijn jarenlange duo met de sociaal-democraat Bülent Ecevit uit te voeren. Ook dat werd, in 1980, besloten met het land op de rand van de open burgeroorlog (in de hoofdrollen, naast Demirel en Ecevit, de fascisten-grijze wolvenleider ex-kolonel Alparslan Türkes, en de rechts-islamistische Necmettin Erbakan, de huidige premier) en een derde militaire staatsgreep. De herhaalde staatsgrepen haalden natuurlijk het land niet uit het moeras, hoe goed de militairen het misschien ook bedoelden. (En na de tweede keer begonnen veel Turken daar toch aan te twijfelen, maar de kwaal bleef voor de meerderheid van de bevolking toch erger dan de remedie.) Ze holden de politieke cultuur uit, die toch al weinig wortel had kunnen schieten, maar vooral vernietigden ze de sociale voedingsbodem van het kemalisme dat ze wilden redden. Keer op keer werd elke tien jaar door de militaire ingrepen de politieke en intellectuele elite van de grote steden afgeroomd. De mensen die de lekenstaat, de republiek en de westerse moderniteit moesten verdedigen, werden uit het politieke proces gebannen of anderszins gemarginaliseerd. Hun plaatsen werden ingenomen door vrome, maar minder geschoolde moslims uit Anatolië, die de open geest van de Ottomaanse beschaving te enen male misten en van de moderne tijden in de politiek eigenlijk alleen de corruptie kenden. Onder president Türgut Özal werd economisch een liberaal geïnspireerde vernieuwing ingezet, op basis van privatiseringen en massaal geld lenen. Die politiek werd echter na de dood van Özal door zijn opvolgers niet tot een goed einde gebracht. Het gevolg was dat de exploderende Turkse bevolking met een vastgereden economie geplaagd zat en een immer lager vliegende levensstandaard, terwijl het immens grote platteland van Anatolië door de kwalen van de moderne tijd veroverd werd zonder van de voordelen ervan te kunnen genieten. Dit, en de populaire revolte tegen de woekerende corruptie, maakte de weg vrij voor de snelle opgang van de Refah-partij van Necmettin Erbakan. Dat is de Welvaarts-partij die nu de Turkse regering vormt met de minderheidsparticipatie van de partij van het Juiste Pad, van ex-eerste minister, nu vice-premier en minister van Buitenlandse Zaken Tansu Çiller. Met zijn Refah-partij heeft Erbakan 21 procent van de stemmen behaald bij de laatste parlementsverkiezingen, op een programma dat zowel islamistisch als rechts-populistisch was. Grofweg kan men zeggen dat het de wanhoop van de Turkse bevolking over het wanbeleid van de andere partijen was, en over de aanslepende oorlog in het oosten van het land, veeleer dan de aantrekkingskracht van de religieuze fator, die hen voor Erbakan heeft doen stemmen. De Refah zou ook niet aan de macht gekomen zijn als de andere, ?klassieke? partijen akkoord hadden kunnen raken over een regeercoalitie zonder de partij van Erbakan. Maar dat konden ze dus niet. En sindsdien zit de oude Necmettin afwisselend met Tansu Çiller op de zetel van de eerste-minister. DE SLUIER VERSCHEEN WEERAanvankelijk leek dat zelfs geen negatieve ervaring te worden. De Turkse regering ontwikkelde een zekere creativiteit in haar beleid voor de regio, leek zich minder aan te trekken van de Navo en de Amerikanen, sloot een militair samenwerkingsakkoord met Israël, kocht gas in Iran, en liet de Europese Unie weten dat ze, als ze Turkije nog als lid wilden, daar assertiever in zouden moeten worden. Het zou allemaal overtuigender geweest zijn als Turkije minder duidelijk in de vuile oorlog tegen de PKK en overigens alle Koerden ter wereld verstrikt had gezeten en de handel met het Irak van Saddam Hoessein minder broodnodig had gehad. De Europeanen bewogen niet, Erbakan gooide het over een andere boeg. En dat had hij nu net niet moeten doen. Natuurlijk hadden zijn religieuze volgelingen van de Refah-overwinning die trouwens voorafgegaan was door tal van regionale en lokale overwinningen, onder andere in de grote steden , gebruik gemaakt om voor een aantal religieuze voldongen feiten te zorgen. Religieuze broederschappen en sekten zijn in een soefi-land als Turkije nooit uit de lucht geweest, ook al waren ze bij wet en grondwet verboden. Nu werden ze meer en meer geduld, en staken dus steeds openlijker de kop op. En de sluier verscheen weer in het stadsbeeld. En op radio en tv werd opgeroepen voor de sharia, de zogenaamde oorspronkelijke islamitische wetgeving. Enzovoort. De banden met Iran werden aangehaald en Iraanse diplomaten kwamen met religieuze uitspraken en aanmaningen. Erbakan zelf stelde voor op het Istanbulse Taksim-plein een grote moskee te bouwen, en de wetgeving aan te passen zodat die ?voldongen feiten? niet meer illegaal zouden zijn. In het stadje Sincan, een uur bezuiden Ankara, liet de burgemeester een ?nacht van Jeruzalem? organiseren, met vertegenwoordigers uit Iran en van alle fundamentalistische groepen van de regio. De volgende dag, de vierde februari, rommelde een kolonne van 35 tanks en pantservoertuigen door Sincan en werd de burgemeester opgepakt. Op 28 februari kwam de Nationale Veiligheidsraad bijeen, waar de president, de premier en een aantal ministers in zetelen, naast de legertop, de politie en de geheime diensten. Het was een regelmatig geplande vergadering, maar ze duurde negen uur. De raad legde premier Erbakan een lijst van 22 punten voor, met de vraag dat hij die zou ondertekenen en toepassen. Dat ging over de voldongen feiten, en de grondwet en de bestaande wetten die opnieuw in acht moesten genomen worden. Het vervelende voor Erbakan was dat de raad, de militairen dus, niets nieuws of onwettigs vroegen. Van de 22 eisen gingen er twintig over het doen toepassen van bestaande wetten. Het beroep van de premier op de democratie dat die van volk en parlement kwam en niet van het leger , zou ook doeltreffender geweest zijn als zijn regeringspartner niet aan de kant van de raad was gaan staan ; als de vakbonden niet geëist hadden dat hij de nota ondertekende ; als in de grote Turkse steden geen spontane betogingen tegen hem ontstaan waren ; en als de Refah uiteindelijk niet de enige partij in heel Turkije geweest was die hem in zijn weigering bleef steunen. Vorige week heeft hij getekend. Misschien kan dit het begin van de neergang van het Turkse islamisme inluiden. Maar niet als de andere Turkse partijen er niet in slagen zich ernstiger voor te doen dan ze in feite zijn. Sus van Elzen Het Turkse leger beschermt de lekenstaat tot de dood erop volgt.