Honderdvijftig jaar geleden verscheen On Liberty van John Stuart Mill. Dat wordt in liberale kringen herdacht met de obligate en vrome bewering dat dit dunne boekje, een pamflet in feite, nog altijd brandend actueel is. Tot de jaren tachtig werd On Liberty door velen beschouwd als de Poulidor van de negentiende-eeuwse geschriften: het tweede meest invloedrijke van de eeuw, alleen voorafgegaan door dat andere dunne boekje, het Communistisch Manifest. Na de doortocht van Ronald Reagan en Margareth Thatcher, de golfslag van het neoliberalisme en de tsunami van zijn financiële gevolgen, kan die orde worden omgekeerd.
...

Honderdvijftig jaar geleden verscheen On Liberty van John Stuart Mill. Dat wordt in liberale kringen herdacht met de obligate en vrome bewering dat dit dunne boekje, een pamflet in feite, nog altijd brandend actueel is. Tot de jaren tachtig werd On Liberty door velen beschouwd als de Poulidor van de negentiende-eeuwse geschriften: het tweede meest invloedrijke van de eeuw, alleen voorafgegaan door dat andere dunne boekje, het Communistisch Manifest. Na de doortocht van Ronald Reagan en Margareth Thatcher, de golfslag van het neoliberalisme en de tsunami van zijn financiële gevolgen, kan die orde worden omgekeerd. Uiteraard - hoe kan het anders met een boek waarover honderden andere boeken werden geschreven - zijn er ook heel wat auteurs die beweren dat On Liberty onsamenhangend is, bol staat van de contradicties, en zeker niet getuigt van het rigoureuze denkwerk dat je hier en daar in de andere werken van Mill vindt. Er wordt zelfs beweerd dat hij het boek niet eens zelf schreef, of toch niet alleen. Het zou helemaal of gedeeltelijk van de hand van Harriet Taylor zijn, de latere mevrouw Mill. Maar als oprecht conservatieve auteurs willen aantonen hoe schabouwelijk het liberale denken wel is, dan verwijzen ze echter steevast naar On Liberty. In 2007 deed Theodor Dalrymple dat nog, vernietigend en grappig, in In Praise of Prejudice (vorig jaar vertaald als Leve het vooroordeel). De meeste liberalen blijven echter trouw aan Mill. Zij beseffen immers dat zij hun vrijheidsidee aan hem ontlenen. Mill had een radicale opvatting van vrijheid. Hem stond een soort zelf-realiserende vrijheid voor ogen. Volgens hem was het mogelijk en wenselijk dat het individu zich zelf, autonoom vormgeeft, wars van alle mogelijke invloeden van buitenaf. 'Over zichzelf, over zijn eigen lichaam en geest, is het individu meester' ( sovereign, schrijft Mill, dus meer nog heerser dan meester). Dat recht moet volgens Mill niet alleen tegen de staat worden verdedigd - daar lag volgens hem niet het grote probleem. Die vrijheid moest vooral tegen de samenleving worden beschermd, tegen de 101 manieren waarop die individuen kan beïnvloeden. Mill: 'Bescherming (...) tegen de dwingelandij van de magistraat volstaat niet; men moet beschermd worden tegen de tirannie van de heersende opinie en de heersende gevoelens, tegen de neiging van de samenleving om haar eigen ideeën en praktijken (...) op te dringen als gedragsregels.' Om die door Mill ideaal geachte toestand te bereiken, moeten ook de individuen hun bijdrage leveren - geen rechten zonder plichten of toch niet zonder een kleine inspanning. 'Nu net omdat de tirannie van de heersende opinie van "excentriciteit" een verwijt maakt, is het wenselijk, willen we erin slagen die tirannie te breken, dat mensen excentriek zijn.' Mill kon zich trouwens behoorlijk opwinden over het gebrek aan excentriciteit van zijn tijdgenoten. Volgens hem schoten de meeste mensen schromelijk tekort. 'Een eigenzinnige smaak, excentriek gedrag worden geschuwd als misdaad.' Hij had daar harde woorden voor. 'Wie de wereld over de loop van zijn leven laat beslissen, heeft eigenlijk geen andere faculteit nodig dan die van de nabootsende aap.' Hyperindividualistische excentriekeling dan wel na-aper, radicale denkers stellen de mensen altijd voor radicale keuzes; aan nuance gaat On Liberty alvast niet ten onder. Wie zou denken dat Mill dat allemaal niet letterlijk meent en het gewoon gebruikt om een soort doctrine van de vrije wil op een didactische wijze af te zetten tegen het geloof in de gedetermineerdheid van de mens, wordt van bij de openingszin van On Liberty op het rechte pad gezet. Ik wil, zo schrift Mill, hier geenszins een filosofische discussie voeren over vrije wil versus determinisme (noodzaak, schrijft hij), maar het hebben over 'sociale vrijheid', de werkelijke vrijheid van de burger. Leeft dat vrijheidsideaal nog? Ik vroeg het aan mijn eerstejaarsstudenten aan de Vrije Universiteit Brussel (VUB). Zij konden voor een aantal milliaanse uitspraken aangeven of ze ermee akkoord gingen of niet. Mill is alive and kicking op de campus , zo lijkt het toch. Individualiteit en keuze worden nagenoeg unaniem onderschreven. Meer dan 80 procent is samen met Mill van oordeel dat elk individu zijn eigen levenspad moet kiezen, onafhankelijk van anderen, en dat elke opinie evenveel waard is als een andere. 70 procent deelt zelfs het credo van Mill: het individuele recht om alles te doen zolang men anderen maar niet schaadt. Nagenoeg alle redeneringen die Mill in zijn boekje spint, steunen op dat principe. Zelfs in zijn extravagante kantjes - zijn kleurrijke afkeer van conformisme en conventies, zijn zwak voor excentriekelingen - wordt Mill door een meerderheid van de studenten gevolgd. Geloven die jonge mensen nu echt wat ze zeggen? Zijn zij echt van oordeel dat zij hun individualiteit moeten cultiveren, of houden ze er toch rekening mee dat zij heel wat water in de wijn zullen moeten doen om met anderen te kunnen leven? Zijn die jonge mensen tot nog toe zo buitengewoon gelukkig geweest dat ze nog nooit iemand zijn tegengekomen met zo'n domme, dwaze opinies dat men ze onmogelijk gelijkwaardig kan achten aan de opinies van redelijke en verstandige mensen? Geloven zij nu echt dat zij een levenspad kunnen kiezen, onafhankelijk van anderen? Hebben ze dan nog zo weinig boeken gelezen dat ze kunnen geloven dat hun ideeën hun eigen ideeën kunnen zijn? Hoeveel boeken moet men lezen om te beseffen dat alles wat kan worden gezegd hoogstwaarschijnlijk al een paar keer werd gezegd? Die vragen stellen, is ze beantwoorden. De grote, overweldigende mate van instemming met de opvattingen van Mill is een gevolg van het hedendaagse conformisme. Het gevolg van een nieuwe vorm van eenheidsworstdenken, van een denken waarvan de sloganeske verwoordingen (dikwijls door Mill geïnspireerd) het verstand meteen op nul zetten, de kritische zin uitschakelen en ja-geknik verwekken. Toen de instemming met het vrijheidsideaal van Mill werd gemeten, kreeg de ene helft van de studenten één uitspraak. De andere helft werd gevraagd te kiezen tussen twee uitspraken, de ene de weer-gave van Mills standpunten zoals hierboven opgesomd, de andere een uitspraak die het tegendeel beweerde en op die manier aanzette om niet meteen met het conformisme van de dag mee te stappen, maar even na te denken. Zonder aangeboden alternatief kregen zeven van de acht milliaanse uitspraken een meerderheid van de studenten achter zich. Gemiddeld ging 80 procent van de studenten met die uitspraken akkoord. Het aanbieden van een alternatieve uitspraak en het aanzetten tot enig nadenken, doet de steun flink slinken. Nog vier van de acht uitspraken krijgen dan een meerderheid achter zich. Gemiddeld stemt nog 50 procent in met de uitspraken. Er zijn evenveel voor- als tegenstanders van Mills vrijheidsopvatting. 78 procent zegt dat ideeën nooit van één persoon zijn; 61 procent dat conventies en gewoonten er zijn om te worden gerespecteerd; 50 procent dat niet alle opinies evenveel waard zijn. Men kan zich natuurlijk afvragen waarom toch nog ongeveer de helft van die studenten meestapt met opvattingen zoals de gelijkwaardigheid van alle opinies, het onafhankelijk kiezen van een eigen levenspad, of het geloof in de mogelijkheid van de eigen uniciteit. Je zou denken dat wie even een koele, kritische blik werpt op het eigen leven en ook eens even om zich heen kijkt, in één oogwenk en voor de rest van zijn dagen van dergelijke illusies genezen is. Heel veel mensen blijken echter immuun voor dat inzicht. Zij erkennen weliswaar de patronen, de conventies, het conformisme, de invloeden in het leven van de anderen, maar achten zichzelf uitermate origineel, wars van beïnvloeding door de omgeving. Een andere lichting studenten kreeg een aantal uitspraken voorgelegd die peilen naar de mate waarin ze hun smaken en opvattingen beïnvloed achten. Zij werden weer op een toevallige wijze in twee nagenoeg gelijke groepen verdeeld (346 in de ene groep, 342 in de andere). Aan de ene groep werden uitspraken voorgelegd die gaan over 'de mensen', aan de andere groep werden dezelfde uitspraken voorgelegd, maar nu geformuleerd op een manier die betrekking heeft op de respondent zelf. Met de uitspraak ' mijn smaken worden sterk bepaald door wat ik op televisie zie' gaat slechts 9 procent akkoord. 92 procent acht zich niet beïnvloed door de televisie. Met de uitspraak ' mensen hun smaken worden sterk bepaald door wat ze op televisie zien'gaat echter 52 procent akkoord. Het patroon is duidelijk: 'ik' ben origineel, niet beïnvloed door mijn omgeving, de andere mensen daarentegen zijn zeer sterk door hun omgeving beïnvloed. Nog? 'Mijn smaken zijn zeer persoonlijk, niet door anderen beïnvloed', 49 procent akkoord. 'De smaken van mensen zijn zeer persoonlijk. Niet door anderen beïnvloed', 27 procent akkoord. 'Ik merk dat mijn smaken gewoon de mode volgen', 15 procent akkoord. 'De smaken van mensen volgen gewoon de mode', 37 procent akkoord. 'Ik slaag er doorgaans in mijn eigen mening te vormen. Zonder me door anderen te laten beïnvloeden', 54 procent akkoord. 'Mensen slagen er doorgaans in hun eigen mening te vormen zonder zich door anderen te laten beïnvloeden', 19 procent akkoord. 'Mijn opvattingen worden sterk beïnvloed daar wat ik op televisie zie', 7 procent akkoord. 'De opvattingen van mensen worden sterk beïnvloed door wat ze op televisie zien', 49 procent akkoord. 'Mijn opvattingen zijn sterk be-invloed door mijn ouders', 26 procent akkoord. 'De opvattingen van mensen zijn sterk beïnvloed door hun ouders', 61 procent akkoord. Heel wat van die jongeren achten zich omgeven door kuddedieren, maar geloven in de eigen originaliteit en individualiteit. Daarin schuilt de blijvende, enigszins puberale aantrekkingskracht van On Liberty. Mill was in feite een romantische ziel, Engelse stijl. Net als andere romantici zag hij standaardisering en eenheidsworst om zich heen grijpen. Zijn warme pleidooi voor excentriciteit moet worden gelezen als een verzet tegen die tendens. Achttien jaar voor Mill On Liberty schreef, reisde de professionele excentriekeling en onverbeterlijke romanticus Théophile Gautier naar Andalusië, toen nog beschouwd als een wilde, 'oosterse', exotische streek. In zijn reisverhaal benadrukte Gautier het grote contrast tussen zijn avontuurlijke en gevaarlijke tocht en het toen opkomende toerisme van de veilige en voorspelbare reis. Hij zag daarin een trend. 'Een van de grote nadelen van het moderne leven is het gebrek aan het onvoorspelbare en het avontuurlijke. (...) Nog een eeuw van dat soort ontwikkeling en iedereen zal vanaf zijn geboorte al kunnen voorspellen wat met hem zal gebeuren tot aan zijn dood. (...) Het zal weldra onmogelijk worden een Rus van een Spanjaard, een Engelsman van een Chinees, een Fransman van een Amerikaan te onderscheiden (...) Het universum zal verzinken in verveling en zelfmoord zal de volkeren der aarde uitroeien.' Zo'n hyperbool kon een Parijse dandy onder de Andalusische zon zich permitteren, maar kon onmogelijk uit de pen van een Engelsman, opgevoed volgens strikt utilitaristische principes, worden gewrongen. Nochtans dacht Mill er net zo over. Hij was van oordeel dat zijn tijdgenoten tegen individualisering vochten, die de kop wilden indrukken. 'We zouden zowaar nog geloven iets grandioos te hebben bereikt als we allemaal hetzelfde zijn geworden.' Die standaardisering werd volgens Mill bevorderd door de expansie van het onderwijs, van de massamedia en van de consumptie. Zijn oproep om in de naam van een radicale vrijheid te breken met conventie, om origineel en excentriek te zijn, was een romantische reactie tegen de zegevierende standaardisering die hij overal om zich heen meende te zien. Heeft Mill gewonnen of verloren? Honderdvijftig jaar later zijn de meningen nog altijd verdeeld. 'Ik' ben aan de standaardisering ontsnapt en bijzonder origineel, maar alle 'anderen' zijn eraan ten prooi gevallen, kuddebeesten. De toekomst van Mill en van het liberalisme hangt daarvan af: kijken we enkel naar onszelf of ook naar de anderen? DIT IS EEN GASTBIJDRAGE. MARK ELCHARDUS IS PROFESSOR SOCIOLOGIE AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT BRUSSEL.