Siemiatycze ligt in Oost-Polen aan de rivier de Bug, zo'n dertig kilometer van de grens met Wit-Rusland. Het is een kleine stad met 15.600 inwoners. Mietek Kosk is een van hen. Hij is beroepschauffeur en rijdt per week ruim drieduizend kilometer met zijn Mercedes-bestelwagen. Telkens dezelfde weg: Siemiatycze-Brussel, Brussel-Siemiatycze. Meer dan twintig uur rijden, 1600 kilometer lang. Elke week.
...

Siemiatycze ligt in Oost-Polen aan de rivier de Bug, zo'n dertig kilometer van de grens met Wit-Rusland. Het is een kleine stad met 15.600 inwoners. Mietek Kosk is een van hen. Hij is beroepschauffeur en rijdt per week ruim drieduizend kilometer met zijn Mercedes-bestelwagen. Telkens dezelfde weg: Siemiatycze-Brussel, Brussel-Siemiatycze. Meer dan twintig uur rijden, 1600 kilometer lang. Elke week. Mietek rijdt alleen. Om wakker te blijven zingt hij zelfgemaakte liedjes: 'Siemiatycze, mijn stad, waarom moet ik naar Brussel om werk te zoeken?' Hijzelf zoekt geen werk, hij vervoert werkwilligen. Een ticket voor een beter leven kost 300 zloty, omgerekend 75 euro. Twintig jaar geleden, toen Polen verstarde in de door generaal Wojciech Jaruzelski uitgeroepen noodtoestand, trokken de militanten van de verboden vakbond Solidarnosc vanuit Polen naar het vrije België. Hun familieleden volgden hen. De Poolse gemeenschap in België ving hen op. Vandaag pendelen duizenden Polen tussen hun vaderland en België, op zoek naar werk. Vanuit Siemiatycze alleen al zo'n vijfduizend. Want in de stad is er amper werk. En toch is werkloosheid er geen probleem. De inwoners van Siemiatycze harken de tuinen van de Brusselse herenhuizen, poetsen het zilver in de Jugendstilvilla's van de Waalse bourgeoisie. Poolse mannen timmeren de boekenkasten voor de Europese ambtenaren en Poolse vrouwen zingen Belgische kinderen in slaap. Wie een baan in Brussel versiert, houdt die, tot elke prijs. Zo'n baan wordt ten hoogste verhuurd of verkocht. Een poetsvrouw die veertig uur per week werkt, verdient maandelijks 1500 euro. Een schrijnwerker of bouwvakker verdient meer. Met dat stiekem verdiende zwarte geld, bouwt Siemiatycze zijn geluk. Want het gaat de stad goed. Dat kan je zien in de 'Belgische wijk', de rand van Siemiatycze waar de nieuwe rijken wonen. De straten zijn netjes onderhouden. Sinds de jaren negentig zijn hier nette eengezinswoningen gebouwd. De helwitte houten gevels blikkeren in de zon. Dat soort gevels is slecht bestand tegen de woedende winterstormen, maar ze getuigen van de nieuwe welstand. 'Zo bouwen ze ook in Californië', vertellen de bewoners aan iedereen die het horen wil. Eugeniusz Mudel toont trots zijn hifi-installatie en zijn gloednieuwe televisie met vlakke beeldbuis. Drie jaar lang werkte hij in Brussel bij een schrijnwerker. Hij verdiende goed en leefde zoals alle Poolse economische migranten. Hij deelde zijn kamer met een bouwvakker en leefde als een pauper. Geen restaurants, geen films, geen biertjes. Overuren maken en sparen. Dat spaargeld heeft hij geïnvesteerd in een eigen zaak in Siemiatycze. Bouwmaterialen en schrijnwerkerij. Hij verkoopt tapijten en verf aan de andere 'Belgen', zoals de Polen uit Brussel hier genoemd worden. Die 'Belgen' dromen van luxe en Mudel levert hun de kleuren voor dat kleine geluk. Maar de welstand heeft zijn prijs. De eigenaars van de mooie huizen wonen bijna voltijds in Brussel. Overdag is de wijk leeg. 'De ouders houden zich niet bezig met hun kinderen', klaagt lerares Edyta Brzozowska. 'We hebben hier zelfs drugsgebruikers.' Een hele generatie kinderen wordt door de grootouders opgevoed. De ouders hebben geen tijd om van dat hard verdiende betere leven te genieten. 'Zonder België zouden we hier grote problemen hebben', verklaart Zbigniev Radomski. Hij werd in november burgemeester van de stad. Veel veranderde dat niet. Ook daarvóór was hij de belangrijkste man van de stad. Hij is directeur van het staatsvervoerbedrijf. Dat heeft niets met politiek te maken, dat is business. Radomski is niet opgezet met concurrenten als Mietek Kosk. 'Die privéchauffeurs zijn gevaarlijk', zucht hij. 'Ze rijden alleen en zijn doodmoe. Daar moeten we een einde aan maken.' Zijn bedrijf heeft 49 luxueuze bussen, met telkens twee chauffeurs die elkaar aflossen. Kosk heeft het over een aanslag op de markt. Vermoeid achter het stuur? Dat is een alibi om hem te kraken. Hij ruikt vieze zaakjes en oude vetes. 'Ik zou wel eens willen weten waar Radomski dat geld haalt voor al die nieuwe bussen', smaalt hij. 'Hij reed vroeger de leiders van de verboden vakbond Solidarnosc van de ene illegale afspraak naar de andere. Maar wie rijft na de revolutie en de overwinning van Solidarnosc het geld binnen? Radomski, die in de communistische tijd ook al directeur van de vervoersmaatschappij was.'Elke vrijdag om acht uur 's ochtends vertrekt Kosk uit de stad. Het busje is volgetankt. De passagiers - een priester, een bouwvakker, enkele vrouwen - zetten zich gemakkelijk want de reis is lang. De reis kent Kosk uit het hoofd. Eerst de slingerweg door de bossen naar Warschau en dan rechtdoor over de West-Poolse heuvels naar Poznan, richting Duitsland. Na negen uur, drie korte stops en liters zwarte thee wordt het donker, maar Duitsland wenkt. Kosk houdt van Duitsland zegt hij, omdat de Duitsers pro-Solidarnosc waren. Maar van Duitsland zien hij en zijn passagiers alleen de toiletten in de restaurants langs de autowegen. Het begint te motregenen en de mist maakt het rijden lastig. Voor Hannover moet hij aan de kant, de dikke mist belet elk uitzicht. Daar rijdt de luxebus - video's, gemakkelijke zetels en ruimte voor de passagiers - van zijn concurrent hem voorbij. Drie uur later trekt de mist op. De bouwvakker slaapt, de priester houdt de chauffeur wakker: samen zingen ze patriottische liederen. Nog vier uur tot Brussel. Kosk zet zijn passagiers af en gaat naar het huis van vrienden, waar hij op de sofa mag slapen. Terwijl hij slaapt, wordt Pools Brussel wakker. De meeste Polen wonen in Sint-Gillis, de gemeente van burgemeester Charles Picqué, waar de rijke art-nouveauwijken en de arme wijken rond het Zuidstation naast elkaar leven. Een gemeente waar veel buitenlanders wonen. Nederlands of Frans hoeven de Poolse zwartwerkers niet te kennen. Pools volstaat: er is een Poolse patisserie, een Poolse slager, een Poolse videotheek. De nieuwkomers zetten meteen koers naar de Jourdanstraat 80. Daar werken de priesters en nonnen van de Poolse Katholieke Missie. Zij helpen de Polen in Sint-Gillis, maar willen niet dat hun adres een beurs voor zwartwerk wordt genoemd. Zwartwerk is zonde in de ogen van de kerk. Maar wellicht preekt priester Tadeusz Czaja harder tegen andere zonden. Officieel wonen in Sint-Gillis slechts ruim duizend inwoners uit Oost-Europa en in heel Brussel maar 2120 Polen. Dat kan niet kloppen. Elke zondag volgen meer dan 3300 Polen een van de vier Poolse missen in de Onze-Lieve-Vrouw ter Kapelle aan het Kapelleplein. De gotische kerk, waar Pieter Bruegel de Oude begraven ligt, is het hart van de Poolse gemeente. Volgens officiële cijfers is negentig procent van de Polen katholiek en 'in het buitenland wordt het geloof sterker', zegt Czaja. Ook Ewa Krauze gaat naar de mis, hoewel ze niet vroom is. Maar in de kerk ziet ze vrienden, bekenden en werft ze klanten. Ewa is kapster en woont sinds tien jaar in Brussel. Ze wil niet terug naar Polen. Ze spreekt vloeiend Frans en heeft in haar keukentje een kapsalon ingericht. Voor wassen, knippen en drogen betaal je 25 euro, bij de Belgische kapper om de hoek is dat het dubbele. Maar in de wereld van Ewa betaal je geen sociale zekerheid en geen belastingen. Met haar spaargeld wil ze over enkele maanden een echt kapsalon openen, volledig wettig en alles wit. Zonder problemen is het leven in Brussel niet, maar de Belgische politie valt best mee. Toen Ewa's jongere zus Marta enkele maanden geleden een baan van een Poolse poetsvrouw overnam, vroeg die 300 euro commissie. Marta weigerde en werd enkele dagen later door drie Polen ineengeslagen. Ze stapte naar de politie en die pakte de daders. 'Nu laten ze ons met rust', zegt Marta Krauze. 'De politie weet dat we geen gangsters zijn', zegt Mietek. 'We willen werken, we willen geen problemen'. In 'Vera Napoli', een Poolse disco in de Verhaegenstraat, drinkt hij koffie. Alcohol drinkt hij alleen thuis. De bar zit vol. Het is hier duur - 2,50 euro voor een biertje of een derde van het uurloon van een Poolse zwartwerker - maar de DJ speelt de hele avond Poolse schlagers. Een stukje thuis in Brussel. Copyright Knack/Der spiegel'zonder belgië zouden we hier grote problemen hebben.'