Hij heette dus François Goossens, de man die op 18 augustus 1950 het vuur opende op Julien Lahaut, de voorzitter van de Belgische Communistische Partij. Tot nu toe was alleen zijn codenaam bekend, Adolphe, al was zijn rol in de aanslag al in 1985 onthuld in het boek De moord op Lahaut van Rudi Van Doorslaer en Etienne Verhoeyen. Toen VLD-senator Vincent Van Quickenborne vorige week via De Standaard liet weten hoe de in 1977 gestorven Adolphe echt heette, ging zijn 'onthulling' niet verder dan die naam.
...

Hij heette dus François Goossens, de man die op 18 augustus 1950 het vuur opende op Julien Lahaut, de voorzitter van de Belgische Communistische Partij. Tot nu toe was alleen zijn codenaam bekend, Adolphe, al was zijn rol in de aanslag al in 1985 onthuld in het boek De moord op Lahaut van Rudi Van Doorslaer en Etienne Verhoeyen. Toen VLD-senator Vincent Van Quickenborne vorige week via De Standaard liet weten hoe de in 1977 gestorven Adolphe echt heette, ging zijn 'onthulling' niet verder dan die naam. De moord behoort tot het 'zwarte' verleden van België, de nasleep van de Tweede Wereldoorlog, toen het land herstelde van bezetting en collaboratie en vooral een uitweg zocht uit de Koningskwestie. Die leidde ertoe dat koning Leopold III uiteindelijk de kroon doorgaf aan zijn zoon Boudewijn. Bij de eedaflegging van de jonge prins op 11 augustus 1950 ontstond opschudding toen de kreet 'vive la république' vanuit de communistische fractie door de Kamer van Volksvertegenwoordigers schalde. Dat was Lahaut, dacht iedereen, al mag wellicht Henri Glineur de 'eer' opeisen, wat hij veel later ook deed. Aan de oppervlakte ging de Koningskwestie erom of Leopold tijdens de oorlog niet te vriendelijk was geweest voor de Duitse bezetter. Daaronder lag een veel fundamentelere, ideologische vraag. Leopold kon zich niet verzoenen met het democratische bestel en opteerde, naar de mode van de jaren dertig, voor een onversneden rechts, door hem geleid autoritair bewind. Tot aan zijn dood kleefde hij deze elitaire en reactionaire denkbeelden aan. Zo werd hij een exponent in een veel bredere politieke strijd, die na de oorlog door de hardliners in de CVP naar een climax werd gestuwd toen ze rond diens persoon een katholiek meerderheidsbewind tot stand wilden brengen. De koning diende als boegbeeld voor de krachten die zich sinds de Eerste Wereldoorlog keerden tegen de moderniteit, de democratie en de sociale gelijkheid. In dat kader organiseerden het hof, de kerk en de grote holdings de strijd tegen 'het rode gevaar', dat ideologisch de schutkleur van een rechts Belgisch nationalisme aannam. Zo begon een nu nog altijd niet verdwenen anti-democratische traditie. Tijdens de oorlog ontstond daaruit een belangrijke verzetsbeweging, vooral in het Geheim Leger, die minder door anti-fascisme dan door nationalisme en royalisme werd gedreven. Ze maakte zich een cultuur van geweld en intimidatie eigen, die ze na 1945 niet opgaf. Voor haar ging de oorlog immers verder, opnieuw tegen alles wat links was - en met dezelfde methoden. De Koningskwestie, waarin de geliefde vorst andermaal werd belaagd en die van haar militanten de radicaalsten onder de leopoldisten maakten, hield het anti-democratische engagement onder stoom. Het rechtse verzet leverde het personeel voor allerlei clandestiene acties en spionageopdrachten. Want er was werk aan de winkel. De paranoia van de tijd zag de Koningskwestie als een onderdeel van een groot communistisch complot. De Koude Oorlog kwam immers volop op gang, wat de rechtse nationalisten ook verzekerde van ruime Amerikaanse steun. Die kwam bovenop de patronage die ze al genoot. Zo konden deze anti-communisten vaak rekenen op bescherming vanwege inlichtingen- en politiediensten, het leger en andere officiële instanties. Ze knapten tenslotte voor hen het vuile werk op. Daartoe behoorden onder meer de uitbouw in de jaren vijftig van het verzetsnetwerk Gladio voor het geval de Sovjet-Unie België zou bezetten, of de moordplannen van 1960 tegen de Congolese, als communist verketterde premier Patrice Lumumba. Tot in de jaren tachtig bleef 'officieel' rechts samenwerken met allerlei schimmige avonturiers, onder meer het Front de la Jeunesse of Westland New Post, zoals bleek uit het nooit precies in kaart gebrachte netwerk rond de CEPIC (de rechtervleugel van de PSC) van wijlen premier Paul Vanden Boeynants. In die extreem-rechtse traditie past ook François Goossens. Na Leopolds abdicatie hoopten Goossens' opdrachtgevers wellicht om met de moord alsnog het tij te keren. Ze wilden een communistische revolte uitlokken, die het bestaan van dat communistische complot kon bewijzen en de anti-communistische repressie zou legitimeren. Maar er gebeurde niets. Een zoveelste, uit paranoia geboren misrekening. Het gerecht ging niet al te fanatiek naar Lahauts moordenaars op zoek. Om 'hooggeplaatsten' te ontzien, creëerde het officiële België in dit en vele andere gevallen een schemerzone waarin extreem-rechts zoniet werd aangemoedigd, dan toch gedoogd. De politieke wonden daarvan zijn vandaag nog altijd niet genezen. Marc Reynebeau