Er zijn zo van die verhalen waar men in showbizzland nooit genoeg van krijgt. Neem nu de belevenissen van Anna Leonowens, de Britse gouvernante die anno 1862 naar Siam - het huidige Thailand - reist om er de 67 kinderen van koning Mongkut in westerse stijl te onderwijzen. Eerst was er het dagboek van de heldin, dat we volgens kenners toch wel met een flinke korrel zout moeten nemen. De memoires (in twee dikke volumes) vormden de basis van een roman van Margaret Landon uit 1944, die twee jaar later tot de Hollywoodfilm Anna and the King of Siam leidde waarin Irene Dunne en Rex Harrison werden geregisseerd door John Cromwell. In 1951 volgde een musical van Rodgers & Hammerstein. Oorspronkelijk opgezet als een vehikel voor de Broadwaydiva Gertrude Lawrence, was het uiteindelijk Yul Brynner die de show onsterfelijk maakte.
...

Er zijn zo van die verhalen waar men in showbizzland nooit genoeg van krijgt. Neem nu de belevenissen van Anna Leonowens, de Britse gouvernante die anno 1862 naar Siam - het huidige Thailand - reist om er de 67 kinderen van koning Mongkut in westerse stijl te onderwijzen. Eerst was er het dagboek van de heldin, dat we volgens kenners toch wel met een flinke korrel zout moeten nemen. De memoires (in twee dikke volumes) vormden de basis van een roman van Margaret Landon uit 1944, die twee jaar later tot de Hollywoodfilm Anna and the King of Siam leidde waarin Irene Dunne en Rex Harrison werden geregisseerd door John Cromwell. In 1951 volgde een musical van Rodgers & Hammerstein. Oorspronkelijk opgezet als een vehikel voor de Broadwaydiva Gertrude Lawrence, was het uiteindelijk Yul Brynner die de show onsterfelijk maakte. Brynner had het acteren al opgegeven en werkte inmiddels als tv-regisseur voor CBS, toen hij kon worden overgehaald voor een auditie en prompt de rol van de koning van Siam won. Vijf jaar later kreeg hij een oscar (een zeldzame eer voor een musicalacteur) voor zijn vertolking in de kleurrijke filmbewerking van 20th Century Fox in het breedschermformaat Cinemascope 55. Alhoewel zijn bedje nu ook in Hollywood was gespreid, werd hij altijd vereenzelvigd met de rol van de Siamese monarch. Door de jaren heen speelde hij in welgeteld 4625 opvoeringen van het stuk; hij stierf in 1985 tijdens een van de vele revivals. De laatste weken was hij al dermate door kanker verzwakt dat hij nog nauwelijks het polkanummer Shall We Dance? kon dansen. Brynner maakte er een koppige, chauvinistische koning van vol kinderachtig machismo, terwijl Mongkut in feite een van de meest geliefde en progressieve heersers was uit de geschiedenis van Thailand, de eerste koning ook die zijn land openstelde voor westerse invloeden. Brynners atletische vertolking en zijn grappige omgang met de Engelse taal (best verwoord in zijn gebruik van de nieuwe uitdrukking et cetera, et cetera) werden de maatstaf voor elke acteur die in zijn schoenen stapte. In de spectaculaire Broadwayrevival van 1996 slaagde Lou Diamond Phillips ( La Bamba) er toch in om uit de schaduw van zijn voorganger te treden - een royale portie haar op zijn hoofd hielp om te breken met de traditie van Brynners kaalgeschoren glansrol. Enkele jaren geleden bracht het Ballet van Vlaanderen een Nederlandse versie - een absurditeit omdat een vertaling van een weergaloze song als Hello, Young Lovers Wherever You Are alleen maar gekunstelde zinnen oplevert als "Wie lief heeft, wordt door wie lief heeft herkend". RODGERS & HAMMERSTEINAanmerkelijk beter was de vertolking van het musicallibretto in de openluchtarena Hollywood Bowl in Los Angeles, met Julie Andrews als Anna en Ben Kingsley als de koning. Deze historische productie uit 1992 (die ook op cd werd vastgelegd) greep terug naar de soundtrack van de film uit 1956 en bevatte ook de songs (onder meer I Have Dreamed) die tijdens de montage sneuvelden. Twee jaar geleden kreeg The King and I ook nog een tekenfilmversie (van Disneyveteraan Richard Rich) die unaniem de grond werd ingestampt. En dan is er nu Anna and the King, een niet-gezongen versie waarin Jodie Foster in de Victoriaanse hoepelrokken stapt van de Engelse weduwe die met haar jong zoontje naar het Verre Oosten reist. En deze keer legt Anna Leonowens een anachronistische post-feministische bekeringsijver aan de dag. Het verhaal van deze koloniale confrontatie is echter zo onlosmakelijk verbonden met de muziek van Rodgers & Hammerstein, dat je tegen beter weten in toch voortdurend zit te hunkeren naar een van die bekende deuntjes. Dat de herinnering aan parelende melodieën als Hello Young Lovers, Getting to Know You of I Whistle a Happy Tune zo hardnekkig voortleeft, kun je niet alleen toedichten aan de nostalgie van een fan van de klassieke periode van de Amerikaanse musical. Het komt ook omdat regisseur Andy Tennant niets zinnigs in de plaats stelt. Een onweerstaanbare positieve levensinstelling is door de jaren heen het handelsmerk van de Amerikaanse musical. Ook in het werk van Richard Rodgers en Oscar Hammerstein II ontbreken de grote uplifting-nummers niet. Denk maar aan de door moeder overste gezongen Alpen-spiritual Climb Every Mountain in The Sound of Music. Veel hoger kan je al niet klimmen inzake onstuitbare levenslust. Maar toch introduceerde het succesvolle duo tijdens zijn achttien jaar lange samenwerking, die in 1943 begon met het grensverleggende Oklahoma!, ook serieuze thema's op het Amerikaanse podium. Het publiek dat in 1951 naar The King And I kwam kijken, werd vrij snel na de Tweede Wereldoorlog geconfronteerd met een exotische cultuur en thema's als rassenvermenging, vrouwenrechten, veelwijverij en slavernij. Het was ook al de vijfde Rodgers en Hammersteinmusical op rij waarin de protagonist dood ging - en dit in een genre waarin het happy end een vast gegeven is. Je moet al van een cynische houding getuigen die schadelijk is voor de gezondheid om aan de muziek van Rodgers & Hammerstein te kunnen weerstaan. Maar behalve onweerstaanbaar is ze ook fel dramatisch. In de melodieën en teksten ontwikkelen de personages en de plot zich noot voor noot en woord voor woord, zoals een bewonderaar het zo mooi beschreef. Een knap voorbeeld daarvan is het nummer A Puzzlement, een gezongen monoloog waarin we horen hoe de verscheurde koning - half barbaar, half republikein - heen en weer wordt geslingerd tussen zijn erfenis van oosters despotisme en het westers humanisme waartoe hij zich aangetrokken voelt. Door deze toch wel zware materie in een liedje te stoppen, krijgt de boodschap ook iets luchtigs, vanzelfsprekends, natuurlijks zelfs - ondanks de kunstmatigheid van het musicalgenre. Wie probeert zo'n innerlijk conflict op een "realistische" manier te verbeelden, krijgt algauw een nadrukkelijk sermoen. Een film als Anna and the King dus. EEN GECONSTIPEERD PRENTJESBOEKHet is duidelijk dat Andy Tennant een meer historisch correcte en minder geromantiseerde interpretatie van de feiten wilde brengen, maar die dubbele ambitie speelt hem in beide departementen behoorlijk parten. Om te beginnen, is dit een van de minst cultureel correcte verhalen die er zijn, tenslotte gaat het om een eenzijdig westerse visie op het negentiende-eeuwse Siam, waarbij alleen de koning zich aanpast terwijl Anna niets oosters van hem overneemt. De makers van Anna and the King gaan de paternalistische Oost-West relatie wat bijschaven vanuit het 2000 perspectief, wat natuurlijk niet kan zonder het mechaniek van deze exotische romance flink te forceren. Anna and the King is een voorbeeld van een film die van twee walletjes eet. Tennant reikt ons een romantisch koekje aan, maar zodra we het aannemen, worden we bestraft. De mars van de Siamase kinderen is even snoezig als een Disneyparade, maar daarna moet een van de schattige peuters zonodig doodgaan. In het tonen van de wreedheid waar de monarch toe in staat is - zo laat hij de koppen rollen van twee opstandige jonge minnaars die heiligschennis hebben gepleegd - gaat Tennant aanzienlijk verder dan vorige versies, maar anderzijds breit hij toch een happy end aan zijn film. Het was altijd al de vraag in hoeverre dit een love story is en meer dan ooit blijft de toeschouwer op zijn honger wat de romantische vervulling betreft. De rouwende weduwe wordt weer tot leven gewekt door de onuitgesproken liefde die groeit tussen haar en de koning. In een jaren vijftig Hollywoodfabeltje kon je die dubbelzinnige discretie nog als een teken van ware liefde zien, in een film met halfbakken realistische pretenties weet je gewoon niet wat te maken van een liefdesverhaal waarin de protagonisten elkaar nooit kussen en nauwelijks aanraken. Wanneer Tennant dan toch eindelijk lijkt te beseffen hoe frustrerend deze love story wel is, verandert hij dan maar radicaal van koers. De romantische perikelen verdwijnen op de achtergrond voor een slordige avonturenfilm vol paleisintriges en politiek gekonkel, toegebouwd naar een misplaatste actiefinale die een zwak doorslagje is van de climax van The Bridge on the River Kwai. Anna mag zich niet alleen bezighouden met de educatie van de kindertjes, ze mag zich nu ook geschokt tonen door de imperialistische kolonisatiedrift van de Britten en het wankele koninkrijk redden van een Birmaanse invasie. Voor Tennant, die ook in Ever After al geen blijf wist met het Assepoestersprookje, volstaat entertainment niet. Hij moet zonodig een en ander vertellen over rassen- en klasseverschillen en wordt in zijn pedagogische roeping flink gesteund door steractrice Jodie Foster, die zichzelf de jongste jaren wel bijzonder au serieux neemt en vijftien miljoen dollar kreeg voor haar belachelijk neo-kolonialisme. Foster ontdoet op verbeten manier haar personage van alle romantische frivoliteit. Haar vertolking is even eentonig als vreugdeloos: ze is twee uurtjes lang de verpersoonlijking van die emotionele repressie waar de Britten een patent op hebben. Zelfs als ze dan toch smelt voor de charmes van de monarch, geeft ze geen krimp. Je vraagt je af wat de almachtige koning in zo'n zuurpruim ziet, vooral daar het hem toch niet aan mooie en willige concubines ontbreekt. Van de verhoopte erotische spanning in de krampachtige toenadering tussen de vorst en de gouvernante is al helemaal geen sprake in dit geconstipeerd romantisch prentjesboek. VERBODEN IN THAILANDGelukkig is er nog Chow Yun-Fat om in te gaan tegen de teneur van de film. De Hongkongse actiester, die schitterde in de ballet-achtige geweldorgieën van John Woo, is het beste uit de film. Zijn koningsfiguur is sexy en charismatisch, bij vlagen ondeugend en kwetsbaar en straalt een aangeboren autoriteit uit. Mooi is hoe zijn Mongkut zelf lichtjes geamuseerd lijkt door zijn zwak voor de westerse bemoeial. Anders dan The King and I, die volledig gedraaid werd in de Hollywoodstudio's van 20th Century Fox en waarin Brynner voortdurend blootvoets over de spekgladde vloeren liep, werd Anna and the King volledig gedraaid op locatie, weliswaar niet in Thailand maar in Maleisië. In Thailand, waar de erfgenamen van Mongkut nog altijd de scepter zwaaien, hebben ze nog steeds The King and I niet verteerd - deze onschuldige prent blijft er nog altijd verboden. Ook voor deze nieuwe superproductie gaven de autoriteiten geen toelating om te draaien waar het verhaal zich oorspronkelijk afspeelde. Inmiddels is ook deze nieuwe versie in Thailand verboden, omdat de film de monarchie zou ondermijnen en de Thaise geschiedenis ernstig verdraait. 20th Century Fox heeft dan maar flink geïnvesteerd (het totale budget bedraagt 70 miljoen dollar) in de grootschalige reconstructie van de groen en gouden koninklijke paleizen in Bangkok op een golfterrein buiten de Maleisische hoofdstad Kuala Lumpur. Het gigantische decor (de grootste set sinds Cleopatra juicht de persmap) mag dan nog echt lijken, Tennant is zo'n hopeloze regisseur dat zijn film toch geen greintje authenticiteit uitstraalt. Anna and the King lijkt veeleer te spelen in een Walt Disney-pretparkversie van het negentiende-eeuwse Siam. Ondanks de vele massataferelen met duizenden dorpelingen opgetrommeld uit Maleisische dorpen, de processies met rijkelijk versierde olifanten, de tochtjes op de staatsieboot met gouden roeispanen en de weelderige kostuums gefabriceerd uit 15 kilometer Thaise zijde, ontbreekt het de film aan ook maar enige grandeur. Het brokaat wordt ons inderdaad naar het hoofd gegooid, in deze film die lijkt op een volgestouwde luxeboetiek vol afgeprijsde oriëntaalse prullen. Mise-en-scène is kennelijk iets waar Tennant nog nooit van heeft gehoord. Al dit volk en al die middelen, en nog oogt Anna and the King als een banale tv-film. Zelfs de fotografie van de anders zo briljante Caleb Deschanel ( The Black Stallion, The Right Stuff) ziet er alleen maar rommelig uit, ook al omdat het slecht gebruik van de telelens de tableaus platdrukt en van de nagestreefde kleurenpracht een vies potje maakt. Et cetera, et cetera. "Anna and the King" komt op 26 januari in de bioscoop.Patrick Duynslaegher