Motorcrosser Joël Smets bewijst dat men ook in ons land vanuit het niets topsporter kan worden. Een reportage over rijstijlen en begeleiders.

De man stond heel het weekend op dezelfde plek. Hij sprak met niemand, keek geconcentreerd naar wat er op het circuit gebeurde. Hij was goed georganiseerd: eten en drinken, documentatie, paraplu en regenkledij – alles netjes geschikt op zijn gemotoriseerde rolstoel.

De man was een van de vele rolstoelgebruikers die in het weekend van 3 en 4 augustus in het Limburgse Genk de Belgische manche van het wereldkampioenschap motorcross volgden. Hij was ooit motorcrosser geweest, maar sprong eens verkeerd over een heuvel en verloor een been. De meeste mannen in een rolstoel langs het circuit waren slachtoffers van een motorongeval.

Ze keken gretig naar de rijders die hun droom waarmaakten, de kampioenen die hun machines wel altijd onder controle wisten te houden. Heel toegankelijke kampioenen overigens. Er zullen weinig sporten zijn waarin het publiek zo dicht langs de omheining zijn favorieten kan aanmoedigen, of waarin het een extra-ticket kan kopen om in de paddock naar de uitgestalde motoren en hun mecaniciens te gaan kijken, en te hopen op een toevallige ontmoeting met een van de vedetten.

‘Soms haalt dat voortdurende contact met het publiek je wel eens uit je concentratie,’ zegt viervoudig wereldkampioen 500cc Joël Smets, ‘maar het hoort er nu eenmaal bij. Er zouden veel minder mensen naar de crossen komen kijken als die band met hun idolen er niet was. Motorcrossliefhebbers zijn meer dan andere supporters bij hun sport betrokken.’

Toch leken het grootste deel van de vele duizenden bezoekers aan de Belgische Grote Prijs geen motorclubrijders of motorfanaten, wel gezinnen met kinderen op uitstap. Wat niet belet dat de ambities met grote regelmaat de kop opstaken. Vele kinderen speelden motorrijdertje, sommigen hadden een speelgoedmotortje dat ze door de modder stuurden, de gelukkigsten reden op een kleine motor door het publiek. De ogen van de ouders verraadden trots: de kleine zal vaders droom waarmaken.

Voor zulke ouders is de Desselse krachtpatser Smets (nu 33 jaar) het perfecte rolmodel. Kreeg pas op zijn zeventiende – hij speelde toen voetbal bij Witgoor Sport – van een oom zijn eerste motor: een 500cc, de zwaarste in de cross. ‘De eerste keer dat ik het ding vastpakte viel hij om en kreeg ik hem niet meer recht,’ herinnert Smets zich. ‘Ik dacht toen: gij gaat mij niet liggen hebben. En ik begon eraan. Vanaf dan was de cross het belangrijkste in mijn leven.’

BALLERINA VAN DE MOTORSPORT

Het contrast tussen Smets, die naar crosskampioen Joël Robert genoemd werd, en zijn eeuwige rivaal Stefan Everts kan onmogelijk groter. Zesvoudig wereldkampioen (in de drie klassen) Everts is de zoon van Harry, zelf ooit wereldkampioen, hoewel dat er niet meer aan te zien is. ‘Je zou zijn benen eens moeten bekijken,’ nuanceert sportarts André Debruyne, die zoon Everts medisch begeleidt. ‘De Evertsen zijn vrij tenger voor topcrossers, maar net als zijn vader stuurt Stefan zijn motor vooral met zijn benen, een beetje zoals een ruiter zijn paard. Hij staat ook veel recht op zijn motor, hij is echt de ballerina van de motorsport. Smets is een ander type, die stuurt met zijn bovenlichaam. Die durft het gas helemaal open te gooien en probeert de motor vervolgens onder controle te houden. Stefan is anders, die is vergroeid met zijn machine. Toen hij drie was, reed hij al meer op de motor dan dat hij liep. Ik ben er zeker van dat zijn hersenen op een bepaalde manier op zijn machine zijn ingesteld.’

Debruyne is er ook van overtuigd dat Smets meer uit zijn talent had kunnen halen mocht hij vroeger ontdekt zijn en deskundig begeleid. Maar de nuchtere Kempenaar laat het niet aan zijn hart komen: ‘Ik besef dat wel, maar anderzijds ben ik er trots op dat ik er op mijn manier ook geraakt ben. Zo ben ik toch een unicum. In het begin was het natuurlijk wel frustrerend. Mijn materiaal liet het nogal eens afweten, en soms hadden we niet genoeg geld om naar een Grote Prijs te rijden. Maar ik bleef erin geloven. En mijn omgeving bleef me steunen. Zo hebben we de top gehaald.’

De motorcrosswereld is een hechte internationale familie die, dixit Smets, elk jaar kleiner wordt. Elk weekend ontstaat er op een circuit een heus dorp van grote vrachtwagens en mobilhomes, waartussen de rijders en hun entourage de wedstrijd voorbereiden. Een uur voor de Grote Prijs 250cc in Genk zat de Britse KTM-rijder James Dobb rustig zijn eerste baby een fruitpapje te geven – hij zou vijfde eindigen. Heel huiselijk, met uitzondering van het voortdurende geloei van motoren in de achtergrond. Pitspoezen die de gezinsvreugde wreed zouden kunnen verstoren, blijken er niet te zijn. ‘Te veel zand en modder voor poppekes,’ monkelt Smets, wiens gezin (vrouw en kind) ook zoveel mogelijk van de partij is. ‘Dat soort vrouwen vind je alleen op asfalt.’

Het KTM-team, waarvan Smets het voornaamste uithangbord is, wordt gemanaged door Ludo Van der Veken, Smets’ eerste mecanicien. Het steunt sterk op Smets’ entourage uit het prille begin. Zijn trainer is nog altijd Yves Demeulemeester, hoofdopvoeder van het ‘gesticht’ in Mol. De catering van KTM wordt ook door een Mollenaar verzorgd: Pierre Hooyberghs, die zijn frituur sloot om met Smets de boer op te kunnen.

Vele crosskampioenen lijken weinig kapsones te hebben. ‘Er zit geen imagebuilding achter,’ zegt sportarts Debruyne. ‘De man zoals je hem ziet, is de man zoals hij is.’ Voor Smets’ chef-kok Hooyberghs is dat belangrijk: ‘De meeste crossliefhebbers zijn eenvoudige mensen. Ruw volk met een goed hart. Daarom moeten de vedetten niet te hoog van de toren blazen. Toen ik Joël eens vertelde – hij was al wereldkampioen – dat een kind uit mijn buurt dat fan van hem was in een ziekenhuis aan kanker lag te sterven, ging hij een namiddag mee op bezoek. Voor die jongen was dat een lichtpunt in zijn leven. Sindsdien kan Joël op mijn onvoorwaardelijke inzet rekenen.’

MEER PIJN IN DE ARMEN

Manager Van der Veken crosste zelf toen Smets aan zijn loopbaan begon. ‘Maar ik was te veel met de mechaniek bezig om een goede crosser te zijn. Als ik reed, dacht ik voortdurend aan wat ik in de motor voelde, aan wat ik beter had kunnen afstellen. Joël heeft dat niet. Als die op zijn motor stapt is het om te crossen. Ik hield eigenlijk meer van de motor dan van de cross, bij Joël is dat omgekeerd. Daarom besloot ik om mecanicien te worden en Joël de kans te geven voluit te gaan.’

Ongeveer 80 procent van een motor is basisafstelling, de rest wordt aangepast aan de individuele rijder. Zo is de vering op het voorwiel bij Smets harder dan bij Everts. Dat geeft de motor meer stabiliteit, maar kost de rijder comfort omdat hij meer pijn in de armen krijgt. Smets compenseert de pijn door zijn karakter, Everts de iets geringere stabiliteit van zijn motor door zijn rijstijl. ‘Motorcrossers zouden lang niet dezelfde resultaten behalen als ze met elkaars machine moesten rijden,’ stelt Van der Veken. ‘De individuele afstelling is echt wel belangrijk.’

Everts’ trainer Willy Linden hamert sterk op het belang van een goede houding op de motor: ‘De eerste houding die een beginnend rijder op zijn motor aanneemt, is cruciaal. Velen hebben de neiging te proberen de rijstijl van toprijders na te bootsen, maar dat is fout. Je moet een zo natuurlijk mogelijke houding op je motor zoeken. De rijstijl van Everts en Smets is totaal anders, maar dat stijlverschil uit zich niet in een verschillend rendement. Iedereen moet op zijn manier het maximum uit zijn motor proberen te halen.’

Ook het circuit vereist een specifieke afstelling. De Horensbergdam van Genk is een omloop met veel korte stukken, zodat het vermogen van de motor meer naar versnelling en minder naar snelheid moet gaan. Er zijn ook nogal wat sprongen, wat een hardere vering vereist.

‘Man en machine moeten één geheel worden,’ ervoer Smets. ‘Als de fijnafstelling niet goed is, ga je met je lichaam het tekort compenseren, en dat kost energie. De kunst van het crossen is zoveel mogelijk lichaamsenergie pompen in het sturen en het maken van snelheid, en zo weinig mogelijk in het in bedwang houden van de motor. Als je machine te dikwijls los van je lichaam komt, verlies je te veel energie om hem in koers te houden. Fysiek gezien zitten de meeste topcrossers op hetzelfde niveau, maar het verschil uit zich vooral in de efficiëntie waarmee energie in rijsnelheid wordt omgezet.’

In Genk stond er geen maat op Smets’ talent, net als twee weken later in de Grote Prijs van Duitsland. Van de eerste tot de laatste ronde op kop. De helft van het deelnemersveld gedubbeld. Voor een leek was het wat moeilijk, die gedubbelden, tot het doordrong dat hoe vuiler een crosser was, hoe verder achterop in de koers hij lag. En vader Aloïs Smets toonde feilloos aan dat de stijl waarmee heuvels en bochten genomen werden, veel sierlijker was voor top- dan voor meerijders. ‘Een toprijder springt niet te hoog over de heuvels. Hoe langer hij de grond niet raakt, hoe meer tijd hij verliest. En aan de top kan het op seconden aankomen.’

Hoewel vader Smets nooit competitiesport deed, perste hij er toch een behoorlijke spurt uit om zijn zoon na aankomst als een van de eersten geluk te wensen. De toprijders die op het podium mochten, leken niet echt getekend door de inspanningen, wel door allerhande wonden en littekens. ‘Een uitgeputte crosser valt en komt niet aan,’ wist vader Smets. ‘Een crosser die vermoeid wordt, kan nooit tot op het einde het maximum uit zijn machine halen en wordt door anderen voorbij gereden.’ Sportarts Debruyne bevestigde dat motorcross een sport is waarbij het talent van de rijder (inbegrepen zijn durf, zijn bestendigheid tegen druk en zijn koersdoorzicht) alleen rendeert als zijn fysieke conditie optimaal is (zie kader).

CHAMPAGNE OP EEN MAATPAK

Ook voor de podiumceremonie is ervaring belangrijk. Voor de kersverse Vlaamse minister van Sport Guy Vanhengel (VLD), nochtans zelf een motorfanaat, was het zijn eerste Grote Prijs. Zijn niet echt aan de omstandigheden aangepaste saaie maatpak kreeg de volle laag van de champagne die Smets vrolijk in het rond spoot.

Maar Vanhengel bleef er nuchter bij: ‘De motorcrosssector worstelde met het probleem dat vele circuits ontstonden vóór de huidige regelgeving rond ruimtelijke ordening. De sport moest dringend de wettelijke zekerheid krijgen die ze verdient, zeker nu de Belgische kampioenen vele jongeren aanspreken. We mogen de doorstroming van talent naar de top niet hypothekeren. Daarom besloot de Vlaamse regering om twaalf tot vijftien circuits wettelijk te erkennen. In een aantal gevallen zullen we daarvoor het gewestplan moeten wijzigen. Maar zelfs de groenen stemden voor, omdat de circuits niet veel ruimte in beslag nemen.’

Smets bekent dat hij vroeger wel eens in de bossen van zijn geboortestreek ging crossen. En dat zijn succes vele mannen tot motorcrossen aanzet, die ook graag in de vrije natuur rondrijden, hoewel dat niet meer mag. ‘Ik begrijp dat niet iedereen even enthousiast over offroad-crossen is,’ geeft hij toe, ‘maar mij gaf het een gevoel van vrijheid. Ik hou ook van de natuur, hoewel dat misschien eigenaardig klinkt voor iemand die een groot deel van zijn tijd op een motor zit. Ik ben dikwijls gevallen omdat ik op mijn motor naar een mooi landschap keek. Motor en milieu zijn verzoenbaar. Een probleem is wel dat vele rijders hun motor niet goed afstellen, zodat ze te veel stank verspreiden en te veel lawaai maken. Vele rijders hebben de neiging een motor te kiezen die te zwaar voor hen is en dus sowieso te veel lawaai maakt. In de bossen ga je ook rijden, niet racen. Om de praktijk van het illegaal crossen terug te dringen, is het absoluut noodzakelijk dat er meer circuits komen.’

Volgend jaar gooit Smets het over een andere boeg. Vooreerst is hij van plan om de rally Parijs-Dakar te rijden, weliswaar in een wagen en niet op een motor, en voor het avontuur, niet voor de competitie. Vervolgens ruilt hij voor de eerste keer in zijn professionele carrière zijn oude getrouwe 500cc in voor een 450cc, waarmee hij zal aantreden in de ‘koninginnenklasse’: die van de 250cc. Everts zet eveneens de stap terug naar de klasse waarin hij ook al wereldkampioen werd, en die dit jaar gedomineerd wordt door de Fransman Mickael Pichon.

‘De markt is veranderd’, legt Smets uit. ‘De nieuwe generatie lichtere motoren is even krachtig als de zwaardere van nu. Als de markt doodbloedt, zal de competitie met de zware motoren niet meer gepromoot worden. Wat zou de voldoening zijn van te blijven rijden met iets dat als het vijfde wiel van de wagen beschouwd wordt? Ik kan het mij als een van de drie vaandeldragers van de sport evenmin permitteren om te blijven hangen. Het schrikt mij wel een beetje af om met een lichtere motor te gaan rijden, want ik ben echt vastgeroest in de 500cc. Maar daarom is de uitdaging natuurlijk dubbel zo groot.’

Op schrik voor de concurrentie heeft Smets zich nooit laten betrappen, ook nu niet: ‘Ik hou niet van grootspraak, maar ik meen dat ik, als ik in de winter van fysieke ongemakken gespaard blijf, en in het crossseizoen niet met technische moeilijkheden te maken krijg, Everts en Pichon in de 250cc kan kloppen. Het zullen in ieder geval spannende wedstrijden worden. Maar in onze sport weet je het natuurlijk nooit. Ik haal dit jaar mijn beste niveau ooit, maar door allerhande tegenslagen zal ik misschien het slechtste globaal resultaat in tien jaar tijd rijden. Je mag nooit vergeten dat de motor een belangrijke rol in onze sport speelt.’

Dirk Draulans Foto’s: Wim Van Cappellen/reporters

‘Voetballers zijn verwende luxepaardjes, dat zijn geen echte topsporters.’

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content