Als er één boek is waarvoor een mens een inbraak zou plegen, dan wel de Verzamelde gedichten van Lucebert, zoals ze nu uitgegeven zijn. Het gaat op de eerste plaats om dat eigenzinnige, unieke dichterschap van Lubertus Jacobus Swaanswijk (1924-1994) natuurlijk, maar de vorm waarin dat merkwaardige oeuvre nu beschikbaar is, doet je vingers tintelen.
...

Als er één boek is waarvoor een mens een inbraak zou plegen, dan wel de Verzamelde gedichten van Lucebert, zoals ze nu uitgegeven zijn. Het gaat op de eerste plaats om dat eigenzinnige, unieke dichterschap van Lubertus Jacobus Swaanswijk (1924-1994) natuurlijk, maar de vorm waarin dat merkwaardige oeuvre nu beschikbaar is, doet je vingers tintelen. Al wekt het altijd wat wrevel op als een dichter in een cassette gevat wordt: het lijkt een graftombe. En al snel vermindert het aantal bezoekers aan zo'n monument, denk je dan. Je zou het Lucebert, de lichtdrager, niet toewensen. En het zal niet gebeuren ook. Jonge dichters als Ilja Leonard Pfeijffer en in mindere mate Peter Holvoet Hanssen zijn schatplichtig aan de Keizer van de Vijftigers. Lucebert ontwierp een tegenwereld in taal. In de pendelbeweging die eigen is aan de literaire smaak gaat de slinger, wat de appreciatie van Lucebert betreft, zeker in de goede richting. En in verband met de vormgeving van de Verzamelde gedichten: in een soort archiefdoos prijkt een vuistdik boek dat door zijn karmijnrode kleur alleen al toegang biedt tot een andere wereld. Je moet dan voorbij de rug en de flap van het boek, met daarop de licht trillende signatuur van Lucebert, koppig zonder hoofdletter geschreven. Een lichamelijke handtekening, bijna als een symbool van de intensiteit waarmee de autobiografische figuur Lucebert en de mens tout court in zijn gedichten aanwezig was. Omtrent Luceberts werk leiden nog altijd heel wat misverstanden een eigen leven. Bijvoorbeeld dat hij een figuur zou geweest zijn die zich boven alles en iedereen verheven voelde. Dan komt het verhaal van Luceberts optreden als Keizer van de Vijftigers ter tafel. In maart 1954 ging de dichter de prijs van de stad Amsterdam ophalen, kleedde zich daarbij als Keizer en liet zich omringen door een al even opvallend gevolg waartoe onder anderen Remco Campert behoorde. Ze werden door de politie hardhandig de toegang tot het Museum ontzegd. Daarbij raakt wel eens vergeten dat Lucebert met deze act vooral de romantische mythe van de dichter als 'god in 't diepst van zijn gedachten' wou ontkrachten. Hij was dan ook niet de dichter die verzet wou plegen tegen de knusse poëzie van de kleine dingen en de grote gevoelens waarvoor Vasalis en andere Criteriumdichters versleten werden, maar een ondermijner van het overdreven op zichzelf gerichte estheticisme van de Tachtigers. Het openingsgedicht sonnet uit de debuutbundel aprocrief ondersteunt de mythe van de dichter die zichzelf tot een hogepriester van het woord uitroept niet, maar ontkracht ze net, omdat ze de Tachtigers met hun eigen favoriete vorm bestrijdt. Lucebert was trouwens in zijn beginperiode altijd wel goed voor een rel. In 1949 liep bijvoorbeeld de fameuze Internationale Tentoonstelling Experimentele Kunst in het Stedelijk Museum, waar Cobra zich op zijn best toonde, volledig uit de hand tijdens een literaire avond die georganiseerd was door Gerrit Kouwenaar en Lucebert. Kouwenaar kan trouwens gelden als de ontdekker van Lucebert en hij introduceerde hem ook bij de Cobrakunstenaars. Lucebert kwam uit een gezin in de Jordaan waar kunst niet bepaald het allerhoogste goed was. Zijn moeder trok al toen Lucebert nog zeer jong was uit het gezin weg en zijn vader, een huisschilder, moest het alleen rooien met twee zonen. Lucebert had al vroeg artistieke aspiraties, maar zijn oudere broer probeerde hem te dwarsbomen. Tijdens de oorlog probeerde Lucebert te leven van zijn tekeningen en van muurschilderingen. Zijn leven kreeg pas kleur toen hij aan Gerrit Kouwenaar, toen redacteur bij de communistische krant De Waarheid, tekeningen aanbood. Toen ze elkaar ontmoetten, las hij Kouwenaar ook enkele gedichten voor. En die merkte onmiddellijk Luceberts dubbeltalent op. Kouwenaar introduceerde Lucebert bij Karel Appel, Constant en Corneille en bij dichters als Schierbeek en Campert. Met Cobra had Lucebert uiteindelijk weinig gemeen. Hij had meer op met avantgardisten als Paul Klee, Max Ernst, Hans Arp en later met Jean Dubuffet dan met de peinture automatique van Cobra. Op de Cobratentoonstelling was hij trouwens maar aanwezig met enkele ingelijste gedichten. En hij probeerde zelfs de gemoederen te bedaren toen er een handgemeen ontstond omdat Christian Dotremont een tekst voorlas - de gemiddelde Nederlander kende vlak na de oorlog zeer weinig Frans - waarin de woorden 'sovietique' en 'Marx' zowat het enige waren dat de toehoorders begrepen. Daarmee weze ook de opvatting dat Lucebert een Cobrakunstenaar zou zijn geweest, naar de prullenbak verwezen. Dat Lucebert op het eind van de jaren zeventig door poëzie-analisten als Van de Watering en Cornets de Groot geassocieerd werd met de mystiek, was terecht, maar het heeft tot de mythologisering van zijn dichterschap bijgedragen. Bovendien stelde De Groot dat Lucebert gebruik maakte van het dua- listische denken van de gnostiek om het dualisme te overwinnen. Een moeilijk vol te houden these. Je merkt gewoon aan Luceberts oeuvre dat er een grote, onophefbare onverzoenlijkheid in zit, die de gedichten net zo'n spankracht geeft. In die zin zit Jan Oegema in zijn heldere, want op geen enkel ogenblik etherisch aandoende studie Lucebert, mysticus ( Vantilt, 1999 ) dichter bij de waarheid wanneer hij stelt dat 'Lucebert zich met het gnosticisme kon identificeren, enerzijds omdat het axioma van een verborgen God aansloot bij zijn mystieke intuïties, terwijl anderzijds de demonologie van de gnostici geheel strookte met zijn perceptie van de historische actualiteit (de wereld beheerst door tirannieke machten )'. Lucebert had het erg moeilijk met de tirannie van het christendom en de manier waarop de maatschappij evolueerde. Hij wordt daarbij graag als de 'lichtbrenger', met een verwijzing naar zijn zelf gekozen synoniem, afgeschilderd. Dan zeker niet als een goddelijke figuur, want voor hem was de joods-christelijke godsfiguur eerder een heer van de duisternis dan een bevrijder. En toch vind je in van de maltentige losbol dit gedicht: 'als ik geen dichter was zou ik/ uit honderden woordwonden bloeden/ niets zou mij helpen geen gevleugeld/ geen hemels woord zou het bloeden stelpen'. Toch een boodschapper? Aan tegenstellingen geen gebrek als het om Lucebert gaat. Neem de evolutie in zijn poëzie, met daarbij inbegrepen de mysterieuze periode tussen 1963 en 1981, waarin Lucebert er als dichter het zwijgen toe deed en alleen als beeldend kunstenaar actief bleef. De kritiek maakt graag een onderscheid tussen de vroege en de late Lucebert, in de hoop om zo zijn stilzwijgen tussenin te kunnen verklaren. Stel nu even gewoon dat Lucebert in die pakweg twintig jaar zo opgeslorpt werd door het beeldend werk dat hij aanvoelde dat dit het meest aangewezen medium van het moment was? In die periode werd Lucebert meer en meer een meester van de zuivere lijnvoering en ging hij werken met voor hem nieuwe technieken als de ets en de litho. Nee, liever stelt men dat het vroege werk van Lucebert een vrolijk-anarchistisch dichter liet zien, terwijl hij in zijn latere werk vooral de verbitterde, cynische en uitdrukkelijk maatschappijkritische stem laat horen. Allemaal waar, maar bij Lucebert past, nee, geen nuancering, maar wel denken in paradoxen. De paradox is trouwens een stilistisch basisprocédé voor hem. Alleen zo kan hij de 'ruimte van het volledig leven' uitdrukken. Vanaf het begin van zijn oeuvre was Lucebert bezig met verzet. En dat zeker niet op een onbekommerde manier, maar met het volle gewicht. Als zijn poëzie in de vroegste bundels apocrief/de analfabetische naam of triangel in de jungle/de dieren der democratie een vrolijke indruk of profetische indruk opwekt, dan heeft dat toch op de eerste plaats te maken met de cynische toon van de dadaïsten. Ook zijn vroege poëzie was dus al een daad van verzet. Dat Lucebert in zijn 'late' periode vooral duisternis laat doorschemeren, heeft misschien vooral met de twijfel aan de kracht van het woord te maken, terwijl hij die aarzeling, paradoxaal genoeg, toch weergeeft in niet minder dan vijf bundels tussen 1981 en 1994. Misschien was bij de brenger van het licht een licht opgegaan: dat de ratio en de techniek, om het in termen van de Verlichting uit te drukken, het gehaald hebben ten koste van menswaardigheid en de vrijheid van het individu. Die evolutie heeft geen klaarheid gebracht, maar net alles waarover Lucebert wou berichten - het kleinmenselijke, bekrompene, op zichzelf gerichte - verdoezeld. En dat was vermoedelijk de drijfveer voor Lucebert om opnieuw met volle overtuiging ( zeker in de eerste helft van de jaren negentig) als dichter aanwezig te zijn, ook al zag hij het failliet van zijn eigen onderneming. Maar noemde hij zich ook in van de afgrond en de luchtmens al niet een 'verjaarde profeet'? En toch, nog maar eens paradoxaal genoeg, moet je alleen maar aan de manier denken waarop Lucebert zijn gedichten schitterend voordroeg om te beseffen dat het hem wel degelijk ernst was. Hij was een profeet, vond hij, omdat hij de waarheid sprak over het schone en het lelijke. Gelukkig gaat het om waarheid die verpakt is in voortdurende schakeringen en tegenstellingen. Luceberts gedichten missen nogal eens vaker een betekeniskern. De poëzieliefhebber haakt dan af en de essayist bijt er zijn tanden op stuk. Daarom zijn Luceberts gedichten net zo boeiend: ze nodigen uit tot een intuïtieve manier van lezen, waarbij we als lezer ons bijna op een fysieke manier, zonder voortdurend te willen interpreteren, laten meedrijven met de muzikale en beeldende kracht van zijn werk. In het allerlaatste gedicht noteert Lucebert: 'stram strompelt hij van knooppunt naar knooppunt/ de eens zo bekoorlijke zondebok/ je mag hem aanlachen als je kunt'. Je moet je als lezer laten leiden door de herhalingen en de dissonanten in zijn werk, zoals je naar jazz luistert. En vanuit de knooppunten die je dan vindt, krijg je een afgrondelijke blik op een oeuvre dat zich opent voor natuur en stad, mens en dier en hoe beangstigend fel die op elkaar lijken. Paul DemetsLucebert, 'Verzamelde gedichten', de Bezige Bij, Amsterdam, 912 pag., a 49,50.De lezer moet zich laten leiden door herhalingen en dissonanten, zoals je naar jazz luistert.