Toen mij onlangs werd gevraagd om juryvoorzitter te worden van de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek heb ik geen moment getwijfeld. Hoewel ik nooit in mijn leven ergens een voorzitter van heb willen zijn en jury's en prijzen van nature wantrouw, vind ik dat ik voor kunstkritiek in ons taalgebied een uitzondering moet maken. Goede essayisten en critici zijn namelijk even noodzakelijk als schaars en zouden daarom op handen gedragen mogen worden. In de pers krijgen ze steeds minder ruimte om hun gedachten op te schrijven. De media verlangen geen analytische exposés waarin ideeën worden opgebouwd en visies worden geformuleerd - omdat ze onterecht menen dat die dor en onleesbaar zijn - maar makkelijke stukken waarin snel een mening wordt neergezet. Het liefst met grote afbeeldingen van de kunstwerken erbij. Want de kunst spreekt toch voor zich. En kijken is makkelijk en denken is moeilijk. Maar wie kan de Biënnale van Venetië terugbrengen tot een paar honderd woorden zonder de inhoud ervan geweld aan te doen? Het is puur cynisme om dat wel te veronderstellen.
...

Toen mij onlangs werd gevraagd om juryvoorzitter te worden van de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek heb ik geen moment getwijfeld. Hoewel ik nooit in mijn leven ergens een voorzitter van heb willen zijn en jury's en prijzen van nature wantrouw, vind ik dat ik voor kunstkritiek in ons taalgebied een uitzondering moet maken. Goede essayisten en critici zijn namelijk even noodzakelijk als schaars en zouden daarom op handen gedragen mogen worden. In de pers krijgen ze steeds minder ruimte om hun gedachten op te schrijven. De media verlangen geen analytische exposés waarin ideeën worden opgebouwd en visies worden geformuleerd - omdat ze onterecht menen dat die dor en onleesbaar zijn - maar makkelijke stukken waarin snel een mening wordt neergezet. Het liefst met grote afbeeldingen van de kunstwerken erbij. Want de kunst spreekt toch voor zich. En kijken is makkelijk en denken is moeilijk. Maar wie kan de Biënnale van Venetië terugbrengen tot een paar honderd woorden zonder de inhoud ervan geweld aan te doen? Het is puur cynisme om dat wel te veronderstellen. Beeldende kunst dringt steeds verder door in de samenleving, vult de openbare ruimte. Musea en galeries en kunstbeurzen zijn the place to be, Jan met de pet wil er zich mee omringen, er zelfs in investeren, omdat er geld mee te verdienen valt of een verzameling aanzien geeft. Maar wat als de kritische reflectie over kunst verdwijnt? Als schrijver heb ik last van hetzelfde fenomeen in de literaire kritiek. Het lijkt alsof er aan diepgaande analyses geen eer meer te behalen valt. Complexiteit en gelaagdheid van het kunstwerk worden vlak gemaakt door mensen die niet de kans krijgen - of te lui zijn of niet bij machte - om vrij en analytisch te denken. Een rol speelt hierin zeker ook het economische motief dat de critici niet genoeg betaald worden om tijd in hun analyses te steken. Maar betekent dit dat ze het daarom ook niet moeten doen? Als je slecht betaald wordt, neem dan in ieder geval de vrijheid om een goed stuk te schrijven! De tendens is dat critici de weinige ruimte die ze krijgen gebruiken om zichzelf te profileren, en met snel geformuleerde meningen doen alsof ze een standpunt innemen. Maar een mening is niet hetzelfde als een standpunt. Een kritische houding is niet hetzelfde als kritiek. Wat is een opinie waard als een analyse ontbreekt? Wat is een opinie zonder visie? Vorige week zat ik in een café naast twee kunstenaars die zich bezopen omdat hun werk uit een groepstentoonstelling in een belangrijke krant was neergesabeld. Er werd niet verteld waarom de criticus hun werk zo oppervlakkig en gemakzuchtig vond - dat zou nog interessant kunnen zijn - maar alleen dat het zo was. Zoals zo vaak wierp de criticus zich op als een objectieve instantie en maakte zichzelf onzichtbaar. De kunstenaars spraken elkaar tevergeefs moed in met de gebruikelijke argumenten: het is maar een mening van één persoon en morgen is iedereen de krant vergeten maar onze kunst blijf bestaan. 'Ik vermoord haar', riep de een plotseling. 'Want zij vermoordt mij.' De paar kunsttijdschriften die ons taalgebied arm is en die hun schrijvers serieus de kans geven in de diepte te gaan en hen daarin in sommige gevallen zelfs begeleiden, worden vooral gelezen door een gespecialiseerd kunstpubliek. Dat zou je kunnen doen besluiten dat kunst alleen voor een kleine groep zou moeten dienen. Het is comfortabel en geborgen om je daarin op te houden. Maar waarom zou die cirkel niet uitgebreid mogen worden naar de grotere groepen mensen die zich potentieel in kunst zouden willen verdiepen maar er niet het vocabulaire voor krijgen aangereikt? Kijken naar kunst moet je namelijk leren. Dit is de rol die de schrijver over kunst zou kunnen spelen. Met eruditie, bevlogenheid en voorstellingsvermogen. Zijn taak is zich te verdiepen in het werk van een kunstenaar, op de hoogte te zijn van internationale ontwikkelingen, en in staat te zijn om de ervaring die een werk oproept te beleven en vervolgens op te schrijven. De kunstcriticus heeft een verantwoordelijkheid naar de kunst toe en naar het publiek dat geïnformeerd moet worden. Kunstenaars bewegen, de kunstkritiek moet meebewegen, de kunst vindt nieuwe vormen, de kunstkritiek moet dat ook doen. Waar de kunstenaar experimenteert moeten de denkers over kunst dat evenzeer doen. Recensenten en essayisten moeten het elan van de kunst begrijpen, vatten, plaatsen. Hedendaagse kunst en reflectie kunnen alleen in dat geval samen op het puntje van een golf staan en voorwaarts streven. 'De kunstenaar redeneert niet, hij ontlaadt zich', schrijft de Poolse schrijver Witold Gombrowicz. 'Bij de kunstenaar gebeurt alles tegelijk, alles werkt samen, de theorie met de praktijk, het denken met de hartstocht, het leven met het beoordelen en begrijpen van het leven, het najagen van persoonlijk succes met de eisen van het werk, de eisen van het werk met de universele waarheid, de schoonheid, de deugd - er is niets dat er aanspraak op kan maken de rest te domineren, alles is onderling afhankelijk, zoals in elk levend organisme.' Om die gelijktijdigheid in de kunst te kunnen benoemen en analyseren, moet een schrijver lef hebben en acrobatisch zijn. Ik klaag niet alleen de media aan die geen ruimte geven aan goede kunstkritiek, maar evenzeer de critici die kritisch doen maar het niet zijn. Die niet op de hoogte zijn, die zich niet laten informeren, die kunst willen ontmantelen alsof kunstenaars misdadigers zijn maar zich weigeren in te leven in hun ervaringswereld, en zich in plaats daarvan laten leiden door ressentiment. Demonstratief gebabbel noemt de Belgische essayist-criticus Rudi Laermans dat in zijn essay over neokritiek. Ze dragen daarmee bij tot de algemene vervlakking. Daarom is het belangrijk dat er een paar mensen uit de kunstwereld proberen te formuleren welke kritiek zij goed vinden. De kritiek moet kritisch bekeken worden. Hierdoor ontstaat er een discussie over wat kunstkritiek zou moeten zijn - en dat is een discussie die gevoerd moet worden. De kunstcriticus heeft een te belangrijke rol te spelen. Hij kan de brug zijn tussen kunstwerk en toeschouwer, de kunst ontsluiten voor de rest van de wereld. Hij kan opvoeden, enthousiasmeren, verbazen. Kunst in een wereld die ophoudt te denken en kijken is louter nog decor. Een beeldentuin waarin de mens zich gedachteloos rondwentelt. De criticus kan een persoonlijke gids zijn. Laat hij vooral niet bang zijn dat hij met zijn bevlogenheid ook zijn soortelijk gewicht verliest.