'Je hoort weleens een commentaar of je leest weleens een kritiek bij een concert, die hierop neerkomt: de dirigent was heel goed, maar het orkest helaas slecht. Wel, geloof er maar niks van. Als de dirigent echt zo goed is, dan kan hij elk orkest behoorlijk laten spelen.'
...

'Je hoort weleens een commentaar of je leest weleens een kritiek bij een concert, die hierop neerkomt: de dirigent was heel goed, maar het orkest helaas slecht. Wel, geloof er maar niks van. Als de dirigent echt zo goed is, dan kan hij elk orkest behoorlijk laten spelen.' Een merkwaardige uitspraak. Zo stellig dat je er vanzelf een toon bij denkt die geen tegenspraak duldt. Het zijn de woorden van de Russische dirigent Valery Gergiev, die het middels een bruisende cocktail van geniaal muziektalent, intelligentie, lak aan conventies en volkomen gebrek aan democratisch denken tot halfgod heeft geschopt. In klassiekland kan dat zelfs met een kop waar men in bepaalde inheemse dialecten hout op kapt. Wie Gergiev al meegemaakt heeft, gelooft hem op zijn woord. Het zijn immers alleen goede orkesten die zich hem nog kunnen veroorloven. Gergiev houdt er een verschroeiend professioneel ritme op na, maar is sinds zijn recente afscheid van het Rotterdams Philharmonisch Orkest - waar hij het koosnaampje Attilla de Hun kreeg toebedeeld - nog chef-dirigent van 'slechts' twee orkesten: London Symphony Orchestra en het orkest van het Mariinskytheater in Petersburg. Het is met dat laatste orkest - uit de stad én het theater waarmee hij als mens en artiest onlosmakelijk is verbonden - dat hij op 8 september bij het Brusselse Klarafestival te gast is met een opmerkelijk programma. Daarmee bedoelen we niet het vioolconcerto van Tsjaikovski, waarvoor de onwaarschijnlijke vioolmachine Sergej Krilov als solist aantreedt, maar wel het naar traditionele maatstaven ongehoorde vervolg: de derde symfonie van Galina Oestvolskaja en de zesde van Valentin Silvestrov. Normaal betekent een concert met Gergiev een lezing uit dat deel van het ijzeren repertoire dat groter is dan het leven zelf: Berlioz, Mahler, Sjostakovitsj, late Tsjaikovski... Grote muziek, maar eerst en vooral moet de zaal vol. Deze keer speelde het Klarafestival hoog spel door de maestro te vragen voor muziek van twee twintigste-eeuwse outcasts uit de sovjettijd. Die zich beiden tot de historische avant-garde van de jaren vijftig en zestig aangetrokken voelden toen die in hun wereld nog clandestien was, en zich er weer van afkeerden toen ze er, iets vrijer geworden, de al te rigide grenzen van inzagen. Silvestrov bekeerde zich vervolgens tot een soort van hogere muzak, vaak weinig meer dan stilte. Oestvolskaja kwam dan weer tot een even confronterende en sinistere als oorspronkelijke taal, die haar de bijnaam De Dame met de Hamer opleverde. Naar verluidt was Gergiev als een kind zo blij dat hij eindelijk eens wat anders mocht doen. Het Klarafestival loopt in Bozar en de Beursschouwburg van 29 augustus tot 12 september, en krijgt dit jaar de subtitel Forza Musica. Een vlag die de lading dekt. Veel plezier ermee. WWW.KLARAFESTIVAL.BERudy Tambuyser