Han Renard

In het extreem onherbergzame hooggebergte van de Dolomieten vochten Italiaanse en Oostenrijkse soldaten tussen 1915 en 1917 een barre loopgravenoorlog uit. De Oostenrijkers hadden daarvoor zelfs een heuse stad uitgehouwen in het eeuwige ijs van de Dolomieten.

Toen in 1914 in heel Europa de lichten uitgingen, verkoos Italië – bondgenoot van Duitsland en het Oostenrijks-Hongaarse rijk in de triple entente – zich neutraal op te stellen. Negen maanden lang bleef het onduidelijk of Italië in de oorlog zou stappen, en vooral, aan wiens zijde Italië in dat geval zou strijden. Aan de kant van de centrale machten, of aan de kant van de geallieerden met Rusland, Frankrijk en Groot-Brittannië? Een Franse diplomaat omschreef de twijfelende Italiaanse houding toen als ‘wachten op een gelegenheid om de overwinnaars te hulp te snellen’.

Er waren nochtans hevige voorstanders van oorlogsdeelname in Italië. Die zogeheten interventisti vormden een kleine, maar actieve en rumoerige minderheid. De interventisti, die in de oorlog een kans zagen om Trieste, Trentino en Zuid-Tirol ‘van het Oostenrijkse juk te bevrijden’, wonnen uiteindelijk het pleit.

Op 26 april 1915 sloot Italië in Londen een geheim verdrag met de geallieerden. Italië verbond zich ertoe binnen één maand met de voormalige bondgenoten van het Oostenrijks-Hongaarse rijk in oorlog te treden. In ruil daarvoor zou Italië na de oorlog aanspraak kunnen maken op aanzienlijke gebiedsuitbreiding. En dus verklaarde koning Vittorio Emanuele III op 24 mei 1915, zonder zelfs maar het Italiaanse parlement te raadplegen, het Oostenrijks-Hongaarse rijk de oorlog.

In de bergachtige streek van het huidige Noord-Italië, waar de Italiaanse en de Oostenrijkse legers elkaar vanaf 1915 bekampten, was het boeken van terreinwinst allerminst evident. Gevolg was een frontlinie die in de eerste oorlogsjaren nauwelijks bewoog, ondanks zware menselijke verliezen, vooral aan Italiaanse kant, tot de Italianen zich, na een desastreus offensief in de herfst van 1917 bij Caporetto, in allerijl moesten terugtrekken ver achter de oorspronkelijke linies.

Het Italiaanse leger begon – dat kon ook niet anders na slechts één maand voorbereiding – slecht bewapend en helemaal niet klaar aan de strijd. De strenge maar incompetente generaals uit het noorden voerden het bevel over een heterogeen samenraapsel van getrainde Noord-Italiaanse soldaten, en onbetrouwbare gewezen huursoldaten uit het zuiden. Die laatsten zouden echter wel een onevenredig groot aandeel in het aantal doden gaan vertegenwoordigen.

De Italianen mochten echter van geluk spreken dat ook het Oostenrijkse leger een zootje ongeregeld was. Meer dan de helft van de Oostenrijkse soldaten waren Tsjechen, anderen Slaven én Italianen, mensen dus die de Habsburgse dubbelmonarchie niet bepaald een warm hart toedroegen. Bovendien stuurden de Oostenrijkers, wegens grote militaire inspanningen in het oosten, vooral jongeren en ouderen naar het Italiaanse front.

Maar degenen die in 1915 hoopten dat Italië, door de zwakke Oostenrijkers de beslissende klap toe te dienen, het verloop van de oorlog zou bepalen, vergisten zich. De natuurlijke, bijna onneembare verdedigingsmuur van de Alpen maakte de streek namelijk volstrekt ongeschikt voor grootschalige militaire operaties. Alleen het Carso-plateau bij de rivier Isonzo, ter hoogte van de huidige grens tussen Italië en Slovenië, leende zich daartoe. In totaal vochten de strijdende kampen elf veldslagen uit bij de Isonzo. De elfde, in de herfst van 1917, werd de Italianen trouwens bijna fataal, maar de Oostenrijkers slaagden er zélfs met de hulp van de Duitsers niet in de klus af te maken. Een jaar later konden de Italianen, dankzij massale Britse luchtsteun, dat wel.

Niet alleen de Isonzo, maar ook de hoge pieken van de Dolomieten vormden het toneel van een aanvankelijk uitzichtloze stellingenoorlog. Le Corbusier noemde de Dolomieten ooit het mooiste bouwwerk ter wereld. De wereldberoemde architect doelde met dit compliment op de fantastische, ongewoon grillige vormen van deze kalkstenen bergketen. De hoogste piek van de Dolomieten is de Marmolada: 3344 meter hoog en tien à elf maanden per jaar bedekt met sneeuw.

MYTHISCHE STAD IN HET IJS

De oorlogvoerende partijen dichtten de hoogste toppen van de Dolomieten, en met name de Marmolada, eerst geen enkel strategisch belang toe. De natuurlijke situatie van de Marmolada, met zijn gletsjer, zijn sneeuwstormen, zijn vrieskou, zijn extreemsteile rotswanden en bergspleten, leek langdurig menselijk verblijf onmogelijk te maken. De eerste maanden van de oorlog bleef de Marmolada een soort niemandsland, tot het de bevelvoerders van beide legers begon te dagen dat die hoge piek wel degelijk een groot strategisch voordeel kon betekenen. Wie de berg eenmaal controleerde, kon zonder veel moeite vanuit de hoogte het hele dal met kanonnen, houwitsers en door zware springladingen veroorzaakte steenlawines overheersen.

De Oostenrijkers slaagden er in 1916 als eersten in een aantal posities op de steile wanden van de Marmolada te bezetten. Vanuit hun schuilplaatsen en houten hutten openden de Oostenrijkse soldaten onophoudelijk het vuur op de Italianen, die eveneens een bruggenhoofd op de Marmolada trachtten te veroveren. ‘Ze schoten op de Italianen als op konijnen’ vertelt dottore Mario Fornaro, de directeur van het museo della grande guerra in Marmolada. Het museum bevindt zich in het gebouw van de reusachtige kabelbaan die bezoekers vanuit het dal tot aan de voet van de Marmoladagletsjer brengt. Het museum is Mario Fornaro’s levenswerk, en wil getuigen van het weinig benijdenswaardige lot van de Italiaanse en Oostenrijkse soldaten die op de Marmolada gelegerd waren. Fornaro moet in zijn museum roeien met de riemen die hij heeft, en dat zijn er zo te zien niet veel. Maar de liefde van de dottore voor zijn onderwerp, dit obscure stukje oorlogsgeschiedenis, maakt veel goed.

Fornaro: ‘Na vijf mislukte, bloedige pogingen slaagden ook de Italianen er op 30 april 1916 in een bruggenhoofd op de Marmolada te veroveren, de Punta Serauta, 2961 meter hoog. De Italianen bouwden daar een versterkt fort van tunnels en grotten in de rotsen.’

Die gallerie in de bergrotsen moesten de soldaten beschutting bieden tegen onweer, lawines, grimmige kou en vijandig geschut. Ze vormden ook een uitvalsbasis voor de manschappen die in bovengrondse versterkte stellingen, houten barakken die aan de rotsen waren bevestigd, kampeerden, en die wel bloot stonden aan bliksem en onweer, en van wie de bevoorrading, met de vijandige kanonnen en machinegeweren op schietafstand, uiterst risicovol was.

Vanuit Punta Serauta vochten de Italianen, van mei 1916 tot november 1917, tegen het beter want hoger gesitueerde Oostenrijkse spervuur.

Die Oostenrijkers hadden ondertussen een heuse stad uitgehouwen in het eeuwige ijs van de Marmoladagletsjer, wat zeker in die tijd een technisch hoogstandje was. Luitenant en ingenieur Leo Handl was het brein achter die haast mythische Eisstadt, een grote legerbasis van twaalf kilometer gangen en grotten, tot 50 meter diep in het ijs van de gletsjer. Er waren ziekenboegen, slaapzalen, een mess, uitkijkposten, een officierenclub, decompressiekamers, een telefooncentrale, een latrine en een kerkje. Er was kortom alle infrastructuur om een garnizoen van 300 Kaiserschützen onderdak te bieden.

Uit de Eisstadt vertrokken ook tunnels naar de pieken van de Marmolada, naar het achtergelegen dal van Gran Poz (Canazei), waar een grote Oostenrijkse troepenmacht was gelegerd en naar de Forcella ‘Vu’, een sleutelpositie op de Marmolada. Dat het er toch niet bepaald een luxehotel was, blijkt uit dagboeken van soldaten die er verbleven. Ook onder het ijs was het bitter koud, vochtig, claustrofobisch-donker en benauwd. Sommige soldaten zagen maandenlang het daglicht niet.

De IJsstad bestaat alleen nog op oude foto’s. Door het opschuiven van de gletsjer, jaarlijks ettelijke meters aan de basis, wordt ook de rots eronder meegesleurd en schiet er van Handls ingenieuze constructie bijna niets meer over. Wel worden er, tijdens de zomer, als het ijs smelt, nog heel wat gebruiksvoorwerpen van beide legers gevonden op de plaats waar vroeger de IJsstad was.

Sinds 1990 is het Italiaanse complex van tunnels en grotten bij Punta Serauta in de zomer ook voor het publiek toegankelijk. Gastheer Mario Fornaro maakt er echter een erezaak van onze rondleiding niet tot het klassieke toeristische parcours te beperken. Fornaro wil met ons per se de moeilijk bereikbare galleria bij ‘Quota 3065’ en Forcella ‘Vu’ bezoeken, twee strategische rotspunten, links van de gletsjer, of we dat nu leuk vinden of niet. Halverwege de moeilijke beklimming ontmoeten we Bressan Attilio, een kranige zestiger. Attilio was tot voor enkele jaren berggids van beroep en is nu officieel ‘directeur buitenmuseum’ op de Marmolada. Hij gaat er prat op dat hij ooit zelfs klimvrienden van de legendarische alpinist Reinhold Messner uit de rats heeft geholpen. Grootspraak of niet, Attilio is een hele geruststelling. Dankzij Attilio krijgen we namelijk een touw om ons middel gebonden – ook Fornaro, wiens stappen ook niet altijd even trefzeker blijken – waarmee we ons aan de kabels langs de rotsen kunnen vastmaken en toch nog heelhuids bij de ingang van de hoogste galleria aankomen.

DERTIG GRADEN ONDER NUL

Twintig vrijwilligers, boerenzonen uit de streek, zijn daar naar jaarlijkse gewoonte al sinds de vroege ochtend aan het werk om de dikke ijslaag op de bodem van de galerijen te verwijderen. Zo wordt voorkomen dat de tunnels volledig dichtslibben. Uitgerust met zaklampen en helmen beginnen we op handen en voeten aan een tocht door het labyrint van tunnels dat de Italianen in 1916 uit de rots kapten. Onderweg zien we in het smeltende ijs scherven van granaten, dranktonnen, stukken textiel, hier en daar ook een menselijk bot. Wie iets vindt, mag het meenemen naar huis. Daar doet een argeloze Fornaro niet moeilijk over. Hij vertelt onverstoorbaar verder. ‘De Marmolada was een klein front, met ongeveer 200 Italiaanse en 300 Oostenrijkse soldaten. De omstandigheden waarin werd gevochten waren uiterst moeilijk. In totaal vielen hier ongeveer 1000 doden, van wie 20 à 30 procent door de vrieskou – in de winter is het hier dertig graden onder nul – door sneeuwlawines en door blikseminslag.’

De Marmolada ligt precies op de grens tussen de regio Trentino û Alto Adige (Zuid-Tirol) en Veneto. Een gebied dat in de loop van de geschiedenis nu eens bij Oostenrijk, dan weer bij Italië hoorde, en waar ook vandaag nog Italiaans, Duits en Ladinisch door elkaar worden gesproken. Een drietalige, gemengde grensstreek dus. Door de oorlog kwamen buren, vrienden en soms ook leden van eenzelfde familie er tegenover elkaar te staan.

Fornaro: ‘Zeker in de beginfase van de oorlog was dat het geval. Uit dagboeken van soldaten blijkt bovendien dat de vijandige stellingen soms zo dicht bij elkaar lagen – bijvoorbeeld aan weerszijde van een bergspleet – dat de soldaten de kleur van elkaars ogen konden zien. De officieren van beide legers constateerden dat de soldaten uit de streek elkaar te weinig beschoten, en stuurden dus andere soldaten naar boven. Vaak waren dat zuiderlingen die nog nooit een berg van dichtbij hadden gezien.’

ONFORTUINLIJKE ITALIANEN

De meest spectaculaire episode uit de stellingoorlog op de Marmolada is de Italiaanse verovering van de Forcella ‘Vu’ (letterlijk V-vork), vertelt Fornaro. Na de inname van Punta Serauta, was het cruciaal voor de Italianen om dit zenuwcentrum, vanwaaruit de IJsstad en de andere Oostenrijkse posities konden worden gedomineerd, te bezetten.

Maar in een gevecht om een bergpositie delft de aanvaller meestal het onderspit. Degene die de positie in handen heeft, ziet de vijand op tijd komen, en hoeft het machinegeweer alleen maar goed te richten om de aanval af te slaan. Twee jaar lang pareerden de Oostenrijkers met hun artillerie iedere Italiaanse aanvalspoging. Tot de Italianen, na grote verliezen aan manschappen, besloten dat het tijd werd het tactische roer om te gooien. Op 4 juli 1917 begonnen ze een aanvalstunnel te graven die hen, dwars door de berg, naar de felbegeerde Forcella ‘Vu’ moest voeren. Na drie maanden graafwerk, aan een tunnel van 240 meter lang, en na een finaal, hevig lijf-aan-lijfgevecht, slaagden Italianen erin de Oostenrijkers uit hun schuilgrotten bij de Forcella ‘Vu’ te verjagen. De Italiaanse luitenant Flavia Rosso kreeg voor deze prestatie een hoge militaire onderscheiding. Maar nadien liep het mis met Rosso en zijn mannen.

Rosso, die dacht het ei van Columbus ontdekt te hebben, besloot namelijk verder te graven om ook hoger gelegen Oostenrijkse stellingen aan te vallen. Maar de Oostenrijkse bevelvoerders werden gealarmeerd door het geluid van drilboren. Ze begrepen wat de Italianen van plan waren, groeven een tunnel net boven de Italianen, lieten daar een krachtige mijn ontploffen, en bliezen zo de Italianen op in hun eigen aanvalstunnel. ‘Ze hoorden elkaar bezig’ vertelt Fornaro. ‘Het was een race tegen de tijd, die door de Oostenrijkers werd gewonnen.’ Door de kracht van de explosie werd een enorme krater geslagen, zodat de bergspleet van de Forcella, die aanvankelijk slechts twee meter breed was, vandaag vijftien meter breed is. Onder het rotspuin liggen nog de lijken van vijftien Italiaanse soldaten, onder meer dat van superluitenant Flavio Rosso.

Wij bereiken de Forcella ‘Vu’ langs de aanvalstunnels die de Italianen tussen juli en september 1917 uit de rots groeven. Een grote dankbaarheid jegens Bressan Attilio, in het bijzonder jegens zijn touwen, maakt zich van ons meester. Één verkeerde stap op de steile wand van deze bergspleet en je eindigt 800 meter lager in het puin, bij de lijken, of wat er nog van rest, van die onfortuinlijke Italianen.

Eind oktober 1917 leed het Italiaanse leger een zware nederlaag bij Caporetto – toen een Italiaans-Oostenrijks grensplaatsje bij de rivier Isonzo, vandaag Kobarid in Slovenië. Militaire historici beschouwen de slag bij Caporetto als een van de weinig echt ondubbelzinnige nederlagen van de Eerste Wereldoorlog. Na Caporetto werd het ook bon ton om te spotten met de militaire kwaliteiten van het Italiaanse leger. De catastrofe leidde in ieder geval tot een massale terugtocht van de Italianen, die daarbij ook het hele bergfront moesten prijsgeven. Op 4 november verlieten de laatste Italiaanse soldaten de Marmolada. Geruchten alleen al over een Oostenrijks-Duitse doorbraak bij Caporetto volstonden om het sterk beproefde moreel van de Italiaanse troepen volledig te kraken. De hardvochtige Italiaanse opperbevelhebber, generaal Luigi Cadorna, liet zijn vluchtende officieren dan wel zonder pardon executeren, maar ook dat kon de chaos niet stoppen. In zijn klassiek geworden A farewell to arms beschrijft de Amerikaan Ernest Hemingway, die als hulpambulancier aan het Italiaanse front diende, de totale ontreddering bij de Italiaanse soldaten, die zich in groten getale , ‘Evviva Germania‘ of ‘ Evviva Austria’ schreeuwend, aan de vijand overgaven.

Na de nederlaag bij Caporetto beseften Frankrijk en Groot-Brittannië dat alleen een gezamenlijk en goed gecoördineerd initiatief de kansen van de geallieerden kon doen keren. Er werd een conferentie belegd in het Italiaanse Rapallo. Een jaar na Caporetto lanceerden de Italianen, met sterke Britse militaire ondersteuning, een nieuw en ditmaal succesvol offensief. Op 4 november 1918 ondertekenden Italië en Oostenrijk de wapenstilstand.

De Italianen kregen Trentino en Zuid-Tirol (tot aan de Brennerpas) als oorlogsbuit, maar hadden daar wel een hoge prijs voor betaald: meer dan een half miljoen doden en dubbel zoveel gewonden en verminkten. De Duitstalige inwoners van Zuid-Tirol (Alto Adige), die door deze gebiedsoverdracht opeens Italianen werden, kwamen in opstand en eisten opnieuw met het Oostenrijkse Noord-Tirol te worden verenigd. Vergeefs, de Brennergrens tussen Oostenrijk en Italië lag definitief vast. Na 1922 deed de fascistische operettedictator Benito Mussolini nog wel zijn uiterste best om de streek te ‘italianiseren’. Zo spoorde Mussolini, vriendelijk doch beslist, alle Duitstaligen aan uit Alto Adige te vertrekken, wat ze ook onmiddellijk en massaal deden. Toch is het de Duce niet gelukt van Alto Adige een eentalige streek te maken, integendeel. De vele Duitstalige toeristen in Noord-Italië ondervinden geen probleem om de plaatselijke bevolking in de eigen taal toe te spreken. In Zuid-Tirol wordt alle officiële informatie in het Duits en het Italiaans verstrekt. Vandaag is de grote oorlog er nog slechts een vage herinnering. En dat geldt ook voor de majestueuze Marmolada, waar drommen skiërs zowel ’s winters als ’s zomers de Bellunese-piste afdalen. Precies op de plek waar ooit de Eisstadt lag.

Han Renard

Bronnen: ‘The great war’ van John Terraine; ‘De eerste wereldoorlog’ van John Keegan; ‘La città di ghiaccio’ van Mario Bartoli, Mario Fornaro en Gianrodolfo Rotasso.

In het smeltende ijs zien we scherven van granaten, stukken textiel en hier en daar ook een menselijk bot.

Na Caporetto werd het bon ton om te spotten met de militaire kwaliteiten van het Italiaanse leger.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content