Toegegeven, het onderwijsveld heeft niet echt de reputatie nieuwlichterij toe te juichen. Dat veranderingen er op tegenstand stuiten, is onderhand een wet van Meden en Perzen. Maar de weerstand tegen de hervorming van het secundair onderwijs is deze keer wel écht overweldigend: 80,7 procent van de leerkrachten geeft aan de hervorming niet te steunen. Ook bij de ouders is een stevige meerderheid (65 procent) tegen.
...

Toegegeven, het onderwijsveld heeft niet echt de reputatie nieuwlichterij toe te juichen. Dat veranderingen er op tegenstand stuiten, is onderhand een wet van Meden en Perzen. Maar de weerstand tegen de hervorming van het secundair onderwijs is deze keer wel écht overweldigend: 80,7 procent van de leerkrachten geeft aan de hervorming niet te steunen. Ook bij de ouders is een stevige meerderheid (65 procent) tegen. Van de 1004 door Knack ondervraagde leerkrachten noemt bijna één leerkracht op de drie zich een virulent tegenstander van de hervorming. In het algemeen secundair onderwijs ligt de tegenstand zelfs op meer dan 85 procent. Volgens 59,5 procent van de leerkrachten heeft het secundair onderwijs überhaupt geen nood aan een grondige inhoudelijke hervorming. Bij de ouders is dat net de helft. Eén ding is duidelijk: de mensen op het terrein verwerpen de hervorming massaal. Die bevinding is als een mokerslag voor de hervormers. Na meer dan vijf jaar onderhandelen presenteerde de Vlaamse regering begin juni eindelijk een compromis. In de eerste graad (het eerste en tweede jaar van het secundair onderwijs) komt er een bredere opleiding, met keuze-uren om sterkere leerlingen extra te prikkelen en minder sterke leerlingen te laten bijbenen. In de tweede en derde graad wordt flink gesnoeid in het aantal studierichtingen. Bovendien kunnen secundaire scholen de verschillen tussen algemeen, technisch, kunst- en beroepsonderwijs (aso, tso, kso, bso) opheffen door een 'domeinschool' te worden. Ze hebben daarbij de keuze uit vijf domeinen: taal en cultuur, techniek en wetenschap, welzijn en maatschappij, kunst en creatie, en ten slotte economie en organisatie. De beslissing van de Vlaamse regering was dan wel niet bijster wervend, maar alle onderhandelende partijen - politici, koepel-organisaties van de onderwijsnetten, vakbonden - leken er zich ondanks de nodige interpretatieverschillen in te vinden. Veel zou afhangen van de welwillendheid van de leerkrachten zelf, klonk toen al in de wandelgangen. Nu die goodwill miniem blijkt, rijst de vraag of de uitvoering van de hervorming enige zoden aan de dijk zal brengen. Gevraagd naar de voornaamste problemen van het onderwijs anno 2013 noemt bijna de helft van de leerkrachten de toenemende administratieve lasten als een van de drie voornaamste problemen. Voor bijna negen op de tien leerkrachten gaat het met die groeiende administratieve beslommeringen van kwaad naar erger. Naast de papieren rompslomp, aldus het lerarenkorps, zijn de hervormingszucht van de overheid en het stijgende aantal leerlingen met specifieke behoeften (zoals kinderen met dyslexie of ADHD, die extra begeleiding nodig hebben) de voornaamste problemen van het Vlaamse onderwijs. Vooral de afwijzing van de hervormingszucht van de overheid valt op. Want ondanks het voortdurende gepalaver en de aanhoudende stroom van ideetjes over mogelijke hervormingen, veranderde er op inhoudelijk vlak de voorbije jaren bitter weinig. Toch noemt 75,8 procent van de leerkrachten de hervormingszucht van de overheid een negatieve evolutie. Ook bij de ouders ervaart bijna 64 procent de voortdurende speculatie over veranderingen als negatief. Bij de ouders liggen de prioriteiten trouwens opvallend anders. Voor hen is het toenemende aantal anderstalige leerlingen momenteel het grootste probleem van het Vlaamse onderwijs. Iets meer dan de helft van de ouders vindt deze toename een negatieve evolutie. Ook bij leerkrachten vindt 48 procent het een zorgwekkende ontwikkeling, maar toch beschouwen zij de instroom van anderstalige leerlingen niet als de allergrootste uitdaging. In de rangschikking van belangrijke problemen staat ze bij hen slechts op de negende plaats. Uit de enquête blijkt vooral dat de focus van hervormers en leerkrachten heel erg anders is. De beleidsmakers en specialisten die het voorbije decennium de hervorming van het secundair onderwijs voorbereidden, waren vooral bekommerd om de dalende kwaliteit. In de beruchte vergelijkende Pisa-onderzoeken van de Organisatie van Economische Ontwikkeling en Samenwerking (OESO) boert het Vlaamse onderwijs sinds 2003 op alle onderdelen achteruit. Het niveau van de sterkste leerlingen blijft dan wel tot de top behoren, de kloof met leerlingen met zwakke leerprestaties is veel te groot. Het Vlaamse onderwijs werkt goed voor de sterkere leerlingen maar schiet tekort voor de zwakkere, zo luidt de algemene analyse onder specialisten. Dat het Vlaamse onderwijs aan kwaliteit inboet, is voor de meeste leerkrachten wel duidelijk. 53 procent van de leerkrachten vindt dat die kwaliteit in de voorbije tien jaar gedaald is, al is 85,9 procent er wel nog steeds van overtuigd dat het niveau bij ons hoger ligt dan in de buurlanden. Driekwart van de ouders deelt die laatste mening. Toch vindt de gemiddelde leerkracht die dalende onderwijskwaliteit kennelijk geen al te groot probleem. In de rangschikking van problemen komt ze bij de leerkrachten pas op de elfde plaats. Bij de ouders is dat plaats zeven. Ook de analyse dat het Vlaamse onderwijs te veel focust op de sterkeren wijzen de meeste leerkrachten van de hand. Daar denken de ouders dan weer anders over: een kleine meerderheid van hen vindt juist dat er te veel aandacht naar de sterkere leerlingen gaat. Tegelijk spreekt 75 procent van de leerkrachten tegen dat er in het huidige systeem te weinig inspanningen geleverd zouden worden voor zwakkere leerlingen. 54,2 procent vindt ook dat de prestaties van de minder sterke leerlingen geen belangrijke maatstaf kunnen zijn voor een kwaliteitsbeoordeling van het Vlaamse onderwijs. Ook het veelbesproken watervalsysteem is voor de gemiddelde leerkracht geen grote bekommernis. Dat watervalsysteem, waarbij de minder sterke leerlingen - vaak tegen beter weten in - aan het algemeen secundair onderwijs beginnen om in de loop der jaren richting technisch of beroepsonderwijs op te schuiven, wordt door pedagogen gezien als een van de voornaamste oorzaken van schoolmoeheid. De waterval zorgt volgens hen ook voor een aanzienlijke uitstroom van leerlingen die op het einde van het secundair onderwijs geen diploma of kwalificatie halen. Door de verschillen tussen aso, tso, kso en bso weg te nemen, wil de overheid die waterval indammen. Alleen beschouwt zowel bij leerkrachten (29,4 %) als ouders (34,7 %) slechts een minderheid dat 'afzakken' als een negatieve evolutie. Beide groepen lijken er niet zo zwaar aan te tillen. Bij de ouders staat het probleem op plaats negen, bij de leerkrachten pas op een veertiende plaats. Bot gezegd: de gemiddelde Vlaamse leerkracht vindt de toegenomen mondigheid van de leerlingen een groter probleem dan een systeem dat veel leerlingen zonder diploma uit het secundair onderwijs laat vertrekken. Ook de toenemende verscheidenheid van de leerlingen in de klassen (Vlaamse en allochtone kinderen, leerlingen mét en zonder extra behoeften, sterke en minder getalenteerde leerlingen in dezelfde klas) zien veel leerkrachten als een negatieve evolutie. Nochtans leidt het Vlaamse onderwijssysteem door een vroege school- en studiekeuze en ook door het watervalsysteem doorgaans juist tot relatief homogene klassen. Toch noemt iets meer dan de helft van de ondervraagde leerkrachten die verscheidenheid dus nu al een negatieve evolutie. Nauwelijks 19,2 procent beschouwt de stijgende verscheidenheid als een positieve ontwikkeling. Het is dan ook niet meteen verwonderlijk dat vooral de leerkrachten de nakende hervorming van het secundair onderwijs ronduit negatief tegemoetzien. Twee leerkrachten op de drie vrezen dat de kwaliteit van het onderwijs door de hervorming zal dalen. Meer dan 80 procent vindt dat de hervormers voorbijgaan aan de échte problemen van het onderwijs, en noemt de hervorming 'geen goede zaak'. Tot slot zijn 57 procent van de leerkrachten en 51 procent van de ouders ervan overtuigd dat de hervorming in de praktijk niets zal veranderen. Bij leerkrachten ouder dan 55 is dat zelfs 62,4 procent. Zij hebben doorgaans genoeg ervaring om te weten dat een hervorming nooit zo ingrijpend wordt doorgevoerd als ze wordt voorgesteld. DOOR PATRICK MARTENS EN JEROEN ZUALLAERT, ILLUSTRATIE ZAZA