Stel u voor dat u gevangen zit in een grot. U kunt haast niet bewegen, want uw benen en uw hoofd zijn vastgeklemd. Het enige wat u ziet, zijn schaduwen op de muur recht voor u.
...

Stel u voor dat u gevangen zit in een grot. U kunt haast niet bewegen, want uw benen en uw hoofd zijn vastgeklemd. Het enige wat u ziet, zijn schaduwen op de muur recht voor u. Angstaanjagend? Dat valt reuze mee. U beséft namelijk niet dat u gevangen zit. U bent in gevangenschap geboren en hebt nooit iets anders gekend. Dat schimmenspel op de muur is voor u het leven zoals het is - de werkelijkheid, niets meer maar ook niets minder. Al uw aandacht is gericht op de schaduwen, de realiteit zoals u die waarneemt. Een realiteit waarin u gaandeweg structuren, verbanden en patronen hebt leren ontdekken: levende wezens, dode voorwerpen, interacties, oorzaak-en-gevolgrelaties, drama, humor - kortom: alles wat het leven boeiend maakt. U weet niet beter. Maar u wordt wel uitgelachen, natuurlijk. Achter uw rug, waar zich de uitgang van (of toegang tot) de grot bevindt, brandt een groot vuur. Tussen de grot en het vuur loopt een weg. Maar zelfs als u zich kon omdraaien, zou u die weg niet kunnen zien. Er staat namelijk een hoge omheining voor. En het is dáár, achter die omheining, dat ze u uitlachen. Dat zit zo: u wordt voor de gek gehouden door een aantal figuren die achter de omheining de hele tijd heen en weer lopen met allerlei houten voorwerpen die ze boven de omheining uitsteken. Ze spelen poppenkast, zeg maar. En het is van die poppenkast dat u de schaduwen ziet. Geef toe: uw wereld zou instorten als u daar ooit achter kwam. Gelukkig komt u daar, normaal gesproken, nooit achter. U zit vastgeklonken in uw grot. Wat niet weet, niet deert. Tot u op een dag wordt losgemaakt. Zomaar. Ineens. U weet ook niet waarom. Iemand die beweert dat hij het bijzonder goed met u voor heeft, wil u tonen hoe de wereld buiten de grot eruitziet. De wereld buiten de grot? Ahum, denkt u, is dit om te lachen, misschien? U krijgt het zelfs een beetje benauwd. Dít is pas angstaanjagend. U verzet zich aanvankelijk dan ook tegen uw 'bevrijding' - enfin, zo noemt híj dat toch, uw 'bevrijder' zogezegd. Een gevaarlijke gek, denkt u. Maar niets aan te doen, u moet mee. Naar buiten, waar het vuur brandt, de zon schijnt en de poppenspelers druk in de weer zijn met allerhande rekwisieten. Het duurt natuurlijk even voor u dat allemaal in de gaten krijgt, want u wordt verblind door al dat felle licht. Het doet pijn aan uw ogen. Maar het went. Langzaam maar zeker dringt de ware toedracht tot u door. On-ge-lo-fe-lijk. Dat schimmenspel, waar u zich uw hele leven met al uw zintuigen op hebt geconcentreerd, is helemaal niet de volledige werkelijkheid. Dat gedoe met die schaduwen (een woord dat u niet eens kende) is maar een flauw doorslagje van de échte werkelijkheid, die zich op een geheel andere plaats afspeelt. Buiten de grot! Wie had dat ooit kunnen denken. U bent voortaan, mogen we wel zeggen, een ander mens. Iemand die de waarheid kent, die de dingen heeft gezien zoals ze zijn. Helder en duidelijk, in kleur nog wel. Nooit zult u nog kunnen wennen aan het grijze leven in de grot. Hierbuiten is alles veel mooier, veel beter, veel waarder. Wacht tot u dat allemaal kunt gaan vertellen aan uw medemensen in hun armzalige grot. Ze zullen nogal opkijken, u zult als een held worden toegejuicht. Helaas. Het enthousiasme waarmee u vertelt wat u allemaal hebt gezien, wordt niet echt onthaald zoals u zich dat had voorgesteld. Voorzover ketenen en hoofdklem dat toelaten, halen de grotbewoners hun schouders op. Een tik van de molen, ziet u hen denken. Komt ons hier vertellen dat de realiteit een schaduw is van de - zogenaamde - échte realiteit. Ach. Gaat wel weer over. Maar het onbegrip groeit: de meewarigheid slaat om in irritatie, in vijandigheid. Hoe meer u die ondankbare idioten probeert te helpen - u hebt het per slot van rekening bijzonder goed met hen voor - hoe meer ze zich tégen u keren. Voor u het weet, vindt de modale grotbewoner u een gevaarlijke gek. Wat hen nog het meest zorgen baart, is dat u blijkbaar niet goed meer ziet. Geen wonder, u bent nog een beetje verblind van dat zonlicht daarbuiten. Maar leg dát maar eens uit aan iemand hierbinnen die nog nooit daarbuiten is geweest. Troost u. U bent wat we noemen: een filosoof. En filosofen hebben het nu eenmaal niet gemakkelijk in deze wereld, zij zijn de zienden in het land der blinden, de wakkeren in het land der dromers. Uw medemens begrijpt u niet, maar dat mag u hem niet kwalijk nemen. Hoe was u zelf, vroeger? Volhouden is de boodschap, vroeg of laat zullen ze wel naar u luisteren. Het is uw heilige plicht om de waarheid te blijven verspreiden, tegen alle onbegrip in. Succes! O ja, kijk wel een beetje uit dat ze u niet ter dood veroordelen. Dat zou zonde zijn. *** Deze allegorie van de grot is misschien wel het bekendste verhaal uit de geschiedenis van de filosofie. Het komt ter sprake in De Staat, het belangrijkste werk dat ons werd nagelaten door Plato - de man die bijna 2500 jaar geleden (hij leefde van 427 tot 347 v.C.) de filosofie uitbouwde tot een gespierde discipline die ons echte kennis, echte wijsheid, kan opleveren. Echte kennis, dus niet alleen maar meningen. Het verhaal van de grot gaat precies daarover: het verschil tussen kennis en mening, tussen werkelijkheid en perceptie. Plato loste met dat onderscheid in één klap twee problemen op. Eerste probleem: de duizelingwekkende diversiteit der dingen. Neem nu de vraag: wat is een kat? Hoe moeten we die beantwoorden? Door één concrete kat te bestuderen? Dat is geweldig riskant, want wat waar is voor de ene kat, is dat nog niet voor de andere. Het zijn per slot van rekening twee totaal verschillende wezens: de ene kat kan zwart zijn, de andere wit. En een filosoof houdt zich niet bezig met dat soort toevallige verschilletjes, hij probeert door te stoten naar de essentie, naar het kat-zijn, de kat-heid, datgene wat álle katten met elkaar gemeen hebben. En die essentie is met het blote oog natuurlijk niet te zien, daarvoor moeten we ons verstand gebruiken. Ons verstand gebruiken, dus. Maar om wat te doen? Om een essentie te verzinnen? Nee, natuurlijk, die essentie bestáát al, ergens daarboven - in het Rijk der Ideeën, namelijk. Dat is wat de zogenaamde Ideeënleer van Plato zegt: alle katten zijn onvolmaakte en vergankelijke afschaduwingen van het volmaakte en eeuwige Idee Kat, waarvan er maar één bestaat. Zie ook: het Idee Mens, het Idee Driehoek, het Idee Tafel, het Idee Strandstoel, enzovoort. We gebruiken ons verstand om toegang te krijgen tot het Rijk der Ideeën, waarvan deze wereld maar een flauw en krakkemikkig doorslagje is. Bestaan die Ideeën écht? Zeker. Sterker nog: die Ideeën bestaan op een veel échtere manier dan de wereld die wij met onze zintuigen kunnen waarnemen. Die vele katten-met-kleine-letter bestaan wel, maar op een onvolmaakte wijze, en voor een beperkte tijd. Die ene Kat-met-hoofdletter in het Rijk der Ideeën, die bestaat op een volmaakte wijze, voor altijd. Onnodig te zeggen dat het Rijk der Ideeën superieur is aan het Rijk der Zintuigen. Dat ons verstand met andere woorden superieur is aan onze zintuigen. Een tweede probleem waarvoor Plato met zijn Ideeënleer de oplossing vond, had te maken met de deugd - met normen en waarden, zeg maar. Wat is dat, een deugdzaam leven? Wat is deugd? Met die vraag had Socrates, de leermeester van Plato, zijn hele leven lang voorbijgangers lastiggevallen. Socrates zocht altijd naar de essentie van een begrip, waarmee hij inging tegen het relativisme van de sofisten, die tegen betaling bereid waren om elk standpunt te verdedigen - de spin doctors van het oude Athene, zeg maar. Zijn normen en waarden relatief of absoluut? Na 2500 jaar lijken we er nog altijd niet helemaal uit. Voor Plato was het duidelijk: net als die Kat-met-hoofdletter bestaan in het Rijk der Ideeën ook Het Ware, Het Goede en Het Schone. Met dát drietal moest de filosoof zich bezighouden. Plato vond overigens dat De Staat moest worden geleid door filosofen: leiders moesten filosofen worden, óf filosofen moesten leiders worden. Algemeen enkelvoudig stemrecht voor alle grotbewoners zou hij maar niks gevonden hebben, temeer daar het doodvonnis van Socrates democratisch tot stand was gekomen. Plato was er, als 28-jarige jongeman, getuige van geweest hoe zijn leermeester de gifbeker moest ledigen. De reden voor de terdoodveroordeling? Socrates had te veel vragen gesteld en zo, volgens zijn rechters, de jeugd gecorrumpeerd - lees: de jeugdige grotbewoners nodeloos in de war gebracht. Meer lezen: Bertrand Russell, History of Western Philosophy, Routledge, Londen, 1994 (oorspr.: 1946); Anthony Gottlieb, De droom der rede, Ambo, Amsterdam, 2000; Jan Bor (red.), 25 eeuwen westerse filosofie, Boom, Amsterdam, 2003 - daarin vindt u een integrale weergave van de allegorie van de grot; De uitgelezen Plato (Boom, Amsterdam, 2000). Door Joël De Ceulaer