Foto's: Stephan Vanfleteren
...

Foto's: Stephan Vanfleteren Het eerstvolgende concert: 8/3 in het kader van het "Ars Musica"festival in het Flagey: Pascal Rophé, dirigent; Jean-Guilen Queyras, cello met werk van Jonathan Harvey, Henri Dutilleux, Benoît Mernier en Maurice Ravel. Tel.: 02 542 11 22 Met Mikko Franck als dirigent: 9/5 in het PSK. Met werk van Chevreuille, Corrigliano en van Beethoven. Tel.: 02 507 82 00'Zoek 's andere klokken! Ze klinken als een deurbel, ik heb altijd zin om te gaan opendoen', roept dirigent Mikko Franck tijdens een repetitie van het Nationaal Orkest van België (N.O.B.) in de Suntory Hall van Tokyo. Voor de reis naar Japan mochten de klokken van de Nederlandse gieterij Eysbouts niet te veel wegen en daarom klinken ze in de Symphonie Fantastique van Hector Berlioz nu minder vervaarlijk dan Franck wel zou willen. Het orkest is aan zijn vijfde concert in Japan toe. Op het einde van de tournee zal het in zeven steden tien concerten hebben gespeeld. Twee weken lang leven de orkestleden onder hoogspanning. Van het ontbijt tot het laatste glas trekken ze samen op. Een bijzondere ervaring. In het zog van het N.O.B. zijn ook erevoorzitter prins Laurent en verantwoordelijk regeringscommissaris Yvan Ylieff naar Japan meegereisd. Hun aanwezigheid én die van de broer van de Japanse kroonprins zorgen voor extra protocollaire drukte en verstrengde veiligheidsmaatregelen. Je komt de concertzaal niet in zonder het nodige gedoe met badges. De twee bedrijven (Toshiba en Fuji) op wier uitnodiging het N.O. B. door Japan toert, hebben de hele trip tot in de puntjes georganiseerd. De muzikanten kunnen zich volledig concentreren op het concerteren. Al het overige is voor hen geregeld. In het land van de rijzende zon houden ze er andere muzikale gewoonten op na dan hier. De concerten beginnen vroeg, om zeven uur al. Je ziet dan mannen met hun boekentassen recht van hun werk komen. Aan de ingang van de concertzaal worden ze opgewacht door hun vrouw. Het publiek luistert ongewoon aandachtig. Het is een vreemde mengeling van brave oplettendheid en warme liefde voor muziek. Zelfs na een uitbundige finale zal het publiek eerst nog in een soort gewijde stilte de laatste galm laten wegsterven alvorens het durft te applaudisseren. Het muziekleven in Japan is ongeveer op dezelfde manier georganiseerd als in de Verenigde Staten, namelijk op zuiver commerciële basis. Subsidies zijn er zo goed als onbestaande. Een jong componist die zijn werk aan het publiek wil voorstellen, moet daarvoor betalen, in plaats van dat hij er zelf voor betaald wordt zoals hier in Europa gebruikelijk is. De grote Suntory Hall waar het N.O.B. enkele concerten gaf en die een superbe akoestiek heeft, is vernoemd naar de grote drankenfabrikant die als bouwheer optrad. Daarmee drukt Suntory zijn engagement in de culturele wereld uit. Wat niet wil zeggen dat het er ook geld voor veil heeft. Nee, de zaal wordt prijzig verhuurd - per half uur. Wanneer het orkest denkt een half uur langer in de zaal te moeten blijven, wordt daarover onderhandeld. En wie betaalt dat uiteindelijk allemaal? Niet de bierbrouwer-concertzaaleigenaar, niet de organisatoren, wel de concertganger. De prijzen lopen op tot honderd euro voor een plaatsje, maar de enorme zalen zitten vol. Toch vreemd dat dit juist het Nationaal Orkest van België moet overkomen. Want laten we eerlijk zijn; in eigen land heeft dit orkest niet zo'n beste reputatie, om niet te zeggen dat er een beetje meewarig wordt gedaan over deze nationale instelling. In België behoort de cultuur tot de gemeenschappen en is er per definitie geen 'nationale' cultuur meer. Tenzij enkele restanten uit het verleden die nooit uit de onverdeeldheid zijn geraakt, meestal instellingen die in Brussel gevestigd zijn. De nationale musea horen daarbij, het KMI, De Munt ook, maar die heeft zijn bestaansrecht sinds Gerard Mortier voldoende bewezen. Met het N.O.B. lag dat anders. Diezelfde Mortier gunde dit orkest zijn subsidiëring niet. Wegens te lage kwaliteit en omdat geld dat van de nationale regering naar het N.O.B. zou gaan niet meer naar De Munt kon gaan. Helemaal ongelijk had hij niet. Er ging nauwelijks nog iets uit van dit nationale orkest dat meer debatten over lonen en pensioenen scheen te voeren dan over artistieke zaken. Door zijn matige prestaties verloor het orkest zelfs zijn bevoorrecht partnership met de Koningin Elisabethwedstrijd. De finale van die wedstrijd was voor het N.O.B. nog ongeveer de enige gelegenheid om zich op radio en tv een week lang in de kijker te spelen. Gelukkig zijn de zaken ondertussen weer bijgelegd: de eerste week van juni zal het N.O.B. de finale van de wedstrijd voor piano begeleiden. Het succes van de Japanse tournee heeft het N.O.B. niet helemaal aan zichzelf te danken. Japanners zijn gevoelig voor grote namen en naast een lokale beroemdheid als de zangeres Shinobu Sato, maakten twee solisten van wereldformaat, Leila Josefowicz en Jean Yves Thibaudet, deel uit van de tournee. Je kon dus kaartjes kopen om hén te horen, en het orkest nam je er dan wel bij. Misschien kan je het wel tot de verdienste van het orkest aanrekenen dat ondanks zijn jonge leeftijd chef-dirigent Mikko Franck daar toch al een zekere reputatie heeft. Hij heeft in Japan al andere orkesten gedirigeerd en de kenners willen hem gehoord hebben. En daarmee zijn we bij de structurele opstanding van het N.O.B. terechtgekomen. Sinds 1997 heeft het orkest een bijna compleet nieuwe raad van bestuur gekregen. Die ging luisteren naar wat men over het orkest dacht, en dat viel niet mee. Een eerste stap om uit het moeras te raken, was de aanstelling van een intendant die bij de twee gemeenschappen op krediet kon rekenen. Dat werd de uit de rangen van de RTBF afkomstige maar perfect tweetalige Albert Wastiaux. Een rustige en diplomatische man die werkt volgens het principe 'langzaamaan, dan breekt het lijntje niet'. Zowel op het artistieke als op het organisatorische niveau is hij vrij voorzichtig te werk gegaan. Door een pensioenplan is de gemiddelde leeftijd van de orkestleden drastisch verlaagd. Het aantal vaste muzikanten steeg tot 93 en men streeft naar 96 muzikanten in vaste loondienst. Het orkest kreeg na jaren omzwervingen eindelijk een vaste plek, vlak bij het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. Je zou kunnen zeggen dat er een zekere rust in het N.O.B. is teruggekeerd en dat hoor je zo al aan de meer coherente en transparante klank van het orkest. Bleef dan de belangrijkste beslissing, de benoeming van een nieuwe chef-dirigent. Vorig dirigent Youri Simonov was een groot technicus, maar vernieuwend kon je zijn muzikale verhaal moeilijk noemen. En wil een orkest meetellen, dan moet het een chef binnenhalen die iets te zeggen heeft. De keuze viel uiteindelijk op de nu nog altijd erg jonge (23 jaar) Fin Mikko Franck. Het lijkt misschien waanzin om een middelgroot bedrijf aan zo'n jongeman toe te vertrouwen. Maar sommigen zijn nu eenmaal rijper op die leeftijd dan anderen, en dat Franck rijp is, bevestigen zowat alle musici die ooit met hem hebben gewerkt. Hij stáát er op het podium. Hij heeft autoriteit en zijn slagtechniek is precies en duidelijk. Misschien heeft hij dat geleerd van de legendarische leraar directie Jorma Panula, de maestro van de maestro's, die eerder Jukka-Pekka Saraste en Esa-Pekka Salonen heeft opgeleid. Brussel neemt nu het risico om een relatief onbekend talent zijn kansen te laten gaan. Dat kan natuurlijk tegenvallen, en dan zal men zijn wonden moeten likken. Maar met wat Mikko Franck nu al heeft laten zien - en met de ervaring van Antonio Pappano 'van de Munt naar Covent Garden' in het achterhoofd -, hebben ze er bij het Nationaal Orkest van België goede hoop op dat de feniks uit zijn as zal herrijzen. Lucas Huybrechts