De kleine honderd handgeschreven boeken, opengeslagen op de bladzijden met de meest betoverende miniaturen, vormen samen een soort draagbare Middeleeuwen. Ze bevatten de bij uitstek religieuze essentie van zeven eeuwen (800-1500), naast excursies op filosofisch, natuurkundig en historisch vlak. Ze laten de ongemeen boeiende evolutie van de stijlen en de beeldtaal zien. Tussen de zweverige iconen met natuurlijk aandoende lichamen onder de Karolingers, en de in een illusionistische ruimte gedropte beeldverhalen van de Bourgondische tijd, defileren verborgen schatten van Romaanse abdijkunst en internationale gotiek.
...

De kleine honderd handgeschreven boeken, opengeslagen op de bladzijden met de meest betoverende miniaturen, vormen samen een soort draagbare Middeleeuwen. Ze bevatten de bij uitstek religieuze essentie van zeven eeuwen (800-1500), naast excursies op filosofisch, natuurkundig en historisch vlak. Ze laten de ongemeen boeiende evolutie van de stijlen en de beeldtaal zien. Tussen de zweverige iconen met natuurlijk aandoende lichamen onder de Karolingers, en de in een illusionistische ruimte gedropte beeldverhalen van de Bourgondische tijd, defileren verborgen schatten van Romaanse abdijkunst en internationale gotiek. Te kostbaar, te kwetsbaar, te zeldzaam, te zeer verspreid om meer dan eens in een mensenleven samen in het openbaar te worden getoond, is hun tijdelijke expositie in Leuvens Stedelijk Museum ( Meesterlijke Middeleeuwen, tot 8.12, Knack 38) een gebeuren van een eenmalige, grote schoonheid. Maar wat maakt nu precies de speciale bekoring van deze miniaturen uit, verschillend van de 'grote' schilderkunst op paneel of doek? Miniaturen zijn niet gemaakt om van een afstand naar op te kijken, maar om in alle intimiteit door de individuele beschouwer aan het hart te worden gedrukt, in harmonie met het geschreven woord. De volheid van dit genot is de leek ogenschijnlijk niet toegestaan, omdat hij de met verfijnde verluchtingskunst opgemaakte folio's niet een voor een kan openslaan. Het doet hem beseffen welke weergaloze ervaring voor de echte lezer (bezitter) van het manuscript weggelegd was. De bladzijde die, onaanraakbaar achter glas, wel voor de leek toegankelijk is, geeft hem echter het plaatsvervangende gevoel, het hele boek te kunnen koesteren. De miniatuur, de gehistorieerde initiaal - beginletter met figuren, dieren of objecten -, de slingerende ranken die de rand versieren, de gekalligrafeerde tekst op het perkament, ze verschijnen zo fris en hemels van kleur, lijn en vorm omdat ze eeuwenlang in het beschermende donker van een gesloten boek met een stevige band hebben gezeten. Deze beelden, naar vorm en inhoud getuigend van de 'duistere' Middeleeuwen, verschijnen op minder dan een halve meter voor ons oog, alsof ze alleen voor ons gemaakt zijn, ons persoonlijk aanspreken met een veelal heilige boodschap, wij geblaseerde internauten in het globale netwerk van de 21e eeuw. Misschien de belangrijkste cesuur in de geschiedenis van de handschriften wordt op het eerste gezicht niet aangegeven door de onderscheiden kleuren van de zaalwanden in Leuven - keizerlijk, sacraal paars voor de Karolingers en Ottonen, hemelsblauw voor de Romaanse periode, donkerrood voor de gotiek en bleekgroen voor de Bourgondische tijd. Bij nader inzien accentueert het koude, heldere achtergrondgroen waartegen de Bourgondische manuscripten geëxposeerd staan, niet alleen de grote diversiteit van de toen gangbare kleuren, personages en settings, maar ook een zeker verlies aan intieme, kloosterlijke beslotenheid, aan private gebedsdialoog en naiëve verrukking. Alsof met de toename van versieringslust, werkelijkheidsweergave en verhalende sfeerschepping, het dunne vlies dat de sublieme vreemdheid van de goddelijke openbaring scheidt van de sensueel bevattelijke verkondiging van het woord gods, ergens in de late Middeleeuwen geperforeerd werd. Daarbij bleef de gebenedijde verwondering wel aanwezig, maar nu vooral in de meesterwerken van de Vlaamse Primitieven. Wie weet is het ook maar een gevoel, in de hand gewerkt door de plotse overgang van een duister naar een klaar ambiente in de Leuvense tentoonstelling - in elk geval valt die cesuur onmogelijk te bewijzen. Collaterale elementen versterken er evenwel de mogelijkheid van. In de 15e eeuw was de manuscriptenproductie groter dan ooit, wat het ontstaan van stereotiepe patronen tot gevolg had. De boeken gingen door veel meer handen - ook heel wat profane. De blootstelling aan de openbaarheid en het verlies aan exclusiviteit werden groter. Voor een goed begrip: verluchte handschriften bleven voorbehouden aan een elite. Wanneer zijn wij leken eigenlijk beginnen te lezen, ons een voorrecht van geestelijken en gecultiveerde vorsten toe-eigenend? In de 13e eeuw, bij de ontwikkeling van de steden en de universiteiten. Welke boeken kregen we het eerst onder ogen? Getijdenboeken, om te lezen - te bidden! - op gestelde uren van de dag. Indien letterlijk opgevat, om de drie uur, zoals dat in de kloosters gebruikelijk was. Dit gebedenboek voor leken was gebaseerd op het brevier van de monniken, en kwam tegemoet aan hun verzuchtingen: de hoop op verlossing, het afwachten van de dood en de behoefte aan boetedoening. Het zat zo ineen dat het kon gelden als een innerlijke pelgrimstocht. Het opende met een kalender, met de naamdagen en portretjes van de heiligen die lokaal werden vereerd - en bevatte passages uit de evangeliën, boetepsalmen, litanieën en een dodenofficie. Het hart van het boek bestond uit de getijden van Maria: teksten die de verschillende episodes uit het leven van de moeder gods verhalen en die elk op een welbepaald tijdstip of getijde dienden te worden gelezen. Niet alle getijdenboeken waren louter bedoeld als objecten van privédevotie. Sommige waren echte luxevoorwerpen die het persoonlijk prestige van hun bezitter verhoogden, met name wanneer ze van rijke verluchtingen waren voorzien. 15e-eeuwse miniaturisten die op dat vlak naam en faam verwierven, waren Loyset Liédet uit Hesdin en Jan Tavernier uit Oudenaarde. Beide namen zijn verbonden met een merkwaardig getijdenboek dat na eeuwenlange omzwervingen in 2001 door de Koning Boudewijnstichting op een veiling bij Sotheby's werd gekocht en in bruikleen afgestaan aan de Koninklijke Bibliotheek in Brussel, waar het (tot 20.11) in de Nassaukapel tentoongesteld staat, opengeslagen op een miniatuur van De Annunciatie. De 26 andere volbladminiaturen zijn als lichtbeeldreproducties op ware grootte te zien. Hoewel onmiskenbaar een meesterwerk, kostte het de geleerden speurwerk om helemaal wijs te geraken uit Het Getijdenboek van Tavernier. Drie verschillende verluchters dienden te worden geïdentificeerd. De genoemde twee en een anonieme derde, vermoedelijk de zogenaamde Manselmeester. Absolute zekerheid omtrent de opdrachtgever is er evenmin, maar alles wijst in de richting van le grand duc de l'Occident zelf, Filips de Goede, bibliofiel zoals alle Bourgondische hertogen. Raadsels genoeg: dooreengehaspelde teksten en illustraties, een licht gebrek aan continuïteit in de versieringen en de bladspiegel, een appendix met speciale gebeden, voorzien van Tavernier-illustraties uit een vroegere periode. Het mag een wonder heten dat dit getijdenboek - in zijn originele kalfslederen band op hout - überhaupt nog aan de oppervlakte kwam. Vanaf de 16e eeuw tot in 1989, toen het in opdracht van een anonieme Britse verzamelaar door James Brockman werd gerestaureerd, stond het als vermist opgegeven. Geheel intact bleek het evenwel niet, want enkele volbladminiaturen bleken er met de schaar, andere met de cutter uit gesneden. Wanneer dat gebeurde weet men niet, maar het is geen alleenstaand geval: het verkopen van losse miniaturen is een lucratieve bezigheid. Specialisten herkennen Taverniers stijl aan z'n voorliefde voor panoramische gezichten en breed uitgesponnen taferelen in grisaille. In de twee, eveneens in Brussel geëxposeerde, lijvige delen van de Chroniques et conquestes de Charlemaine, geschreven door David Aubert in opdracht van Filips de Goede, is hij op z'n best, evenals in nog een ander getijdenboek van de hertog. Afkomstig uit de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, is het in Leuven te bewonderen. Loyset Liédets hand daarentegen staat iets minder hoog aangeschreven. 'Uitgerekte personages, vaak te groot, in stereotiepe houdingen met een maniërisme dat herinnert aan de eigenzinnigheden van de hoofse stijl.' ( De Getijden van Tavernier, blz. 28) In levendigheid echter weinig onderdoend voor de stijl van zijn collega, komt de eenheid van dit unieke handschrift, dat nog niet al zijn geheimen heeft prijsgegeven, eigenlijk niet in het gedrang. Jan Braetwanneer zijn wij leken eigenlijk beginnen te lezen?