Niet alleen de maximumfactuur baart scholen zorgen. Ook - en vooral - de steeds groeiende groep van leerlingen met (in onderwijsjargon) leerzorg. Het leerzorgdecreet laat toe dat kinderen en jongeren die moeilijk tot erg moeilijk leren, kinderen met een lichamelijke handicap en kinderen met zware concentratiestoornissen of met autisme, naar het gewone onderwijs kunnen. Zij worden verdeeld over leerzorgniveau 2 of 3, afhankelijk van de zwaarte van de handicap.
...

Niet alleen de maximumfactuur baart scholen zorgen. Ook - en vooral - de steeds groeiende groep van leerlingen met (in onderwijsjargon) leerzorg. Het leerzorgdecreet laat toe dat kinderen en jongeren die moeilijk tot erg moeilijk leren, kinderen met een lichamelijke handicap en kinderen met zware concentratiestoornissen of met autisme, naar het gewone onderwijs kunnen. Zij worden verdeeld over leerzorgniveau 2 of 3, afhankelijk van de zwaarte van de handicap. Er is niemand die zich verzet tegen het idee dat alle kinderen alle kansen moeten krijgen. Maar dat kan alleen als de leerkrachten ook alle kinderen kunnen meenemen. En daar wringt het schoentje. Een deel van de leerzorgkinderen kan de eindtermen niet halen. De leerkrachten werken voor hen een apart programma uit. In de praktijk betekent het dat een leerkracht met de klas werkt aan het gewone programma en tegelijk met enkele kinderen aan hun eigen programma. Dat kan als de klasgroep klein is, maar in een grote klas wordt het heksenwerk. Tussen haakjes: die kinderen krijgen geen diploma, maar een certificaat. Het is voorlopig nog onduidelijk hoe werkgevers daarop zullen reageren. Over het extra werk was in de scholen al een hele tijd gemor te horen. Zelfs met de hulp van leerkrachten uit het buitengewoon onderwijs (buo), met extra geld en extra bijscholing voelden (veel) leerkrachten dat ze tegen de nieuwe taken niet opgewassen waren. Onderwijsminister Frank Vandenbroucke (SP.A) weet dat. In de conceptnota leerzorg stond al dat moet worden 'afgewogen of een zinvol traject in een gewone school mogelijk is. Tussentijdse evaluaties moeten toelaten de haalbaarheid te toetsen, zodat dit vanaf 2016 in een kwantitatieve draagkrachtafweging en andere eenduidig objectiveerbare parameters vertaald kan worden voor het basisonderwijs en de eerste graad van het secundair onderwijs.' Ook in interviews en toespraken gaf Vandenbroucke al aan dat hij ook voor niveau 2 rekening zou houden met de 'draagkracht' van de scholen. Dat is nieuw. Want wat lezen we op de website onderwijs? Tot 2016 kiezen scholen of ze leerlingen van leerzorgniveau 3 aannemen, maar leerlingen van niveau 2 moeten ingeschreven worden. En eenmaal ingeschreven, blijven ze ingeschreven. Praktisch: een kleutertje met een zware handicap gaat zonder al te grote problemen naar de lokale kleuterschool, het blijft dan in het gewone basisonderwijs, ook al wordt de kloof met de andere kinderen almaar groter. Tenzij de ouders anders beslissen. Daar - zo zeggen onze gesprekspartners - komt nu verandering in. De beslissing is vanaf het schooljaar 2009-2010 een zaak van de school, de leerkrachten, het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) en de ouders samen. De eindbeslissing ligt bij de school, op basis van die 'draagkracht'. Dat vage begrip zal nu door de scholen zélf worden gedefinieerd. Uiteraard aan de hand van criteria, maar met als hoofdpunt: kan het kind het hele traject aan en leert het voldoende in een gewone school? Een kwestie die trouwens ook door de mensen van het buitengewoon onderwijs wordt opgeworpen (zie pagina 73). Om een kind iets te leren, moet ook de hele groep van leerkrachten meekunnen. Want, zo stelden vakbonden en koepels al verschillende keren, het gaat om een engagement van jaren. En in die periode kan een school veranderen: leraren worden ouder of gaan met pensioen. De directie verandert. En de schoolbevolking verandert. Alles samen bepaalt wat een groep leraren aankan. Wil dat zeggen dat de klok helemaal wordt teruggedraaid? Natuurlijk niet. Alleen, zeggen onderwijsdeskundigen, wordt eindelijk afgestapt van de utopie dat je van een blinde een scherpschutter kunt maken omdat zijn of haar ouders dat graag willen. Het decreet gelijke onderwijskansen (2002) heeft verwachtingen gecreëerd bij ouders die niet willen dat hun kind naar het buitengewoon onderwijs gaat, omdat ze bevreesd zijn voor het stigma dat het kind zal meedragen en omdat ze het buo niet kennen. Blijft de simpele vraag die de onderwijsvakbonden nu stellen: hoeveel geld hebben gewone scholen nodig om zorgkinderen écht te laten slagen? Want daar gaat het uiteindelijk om. Dat die vraag alleen leeft bij de socialistische en de katholieke vakbond, is veelzeggend. Open VLD - zo wordt in de wandelgangen gefluisterd - heeft gezworen dat er niet nog meer geld gaat naar onderwijs. LEES HET VOLLEDIGE DOSSIER ONDERWIJS, VANAF PAGINA 59 Misjoe Verleyen