Zaterdag vindt in het Antwerpse Hilton Hotel de Supercup driebanden plaats, een organisatie van oud-speler Ludo Dielis. Wereldbekerwinnaar Dick Jaspers, een Nederlander, geeft er partij aan wereldkampioen Marco Zanetti, een Italiaan. 'Sportief gezien geldt dit niet als het allerbelangrijkste toernooi op de kalender, maar kwalitatief en organisatorisch is de Supercup altijd een belevenis', vertelt Frédéric Caudron, momenteel onze beste vertegenwoordiger in een sport waarin België een lange en trotste geschiedenis kent.
...

Zaterdag vindt in het Antwerpse Hilton Hotel de Supercup driebanden plaats, een organisatie van oud-speler Ludo Dielis. Wereldbekerwinnaar Dick Jaspers, een Nederlander, geeft er partij aan wereldkampioen Marco Zanetti, een Italiaan. 'Sportief gezien geldt dit niet als het allerbelangrijkste toernooi op de kalender, maar kwalitatief en organisatorisch is de Supercup altijd een belevenis', vertelt Frédéric Caudron, momenteel onze beste vertegenwoordiger in een sport waarin België een lange en trotste geschiedenis kent. Caudron, een Henegouwer die na allerlei omzwervingen in het Kempense Balen-Wezel terechtkwam, eindigde afgelopen seizoen derde in de wereldbekerstand. Op het WK in het Duitse Sankt Wendel werd hij, tegen alle verwachtingen in, voortijdig uitgeschakeld. 'De Supercup kun je goed vergelijken met het wereldkampioenschap voor clubteams in het voetbal. Het sportieve belang is niet zo groot, maar er is wel altijd spektakel te zien. Ludo Dielis maakt daar een fameus evenement van. Er is ook altijd randanimatie, een zanger die een act komt geven of zo. Een aanrader.' FRÉDÉRIC CAUDRON: Vrij goed. Ik won een wereldbekermanche, het belangrijke invitatietoernooi Cristal Kelly, en het Europees Kampioenschap bandstoten. Dat is voor mijn doen een degelijk seizoen, niet super, maar zeker ook niet slecht. Ik ben vooral tevreden omdat ik erg constant gepresteerd heb. In bijna ieder toernooi speelde ik een belangrijke rol, maar je kunt ze niet allemaal winnen natuurlijk. CAUDRON: Ik schommel tussen 1 en 4. De top vier is erg aan elkaar gewaagd. Dick Jaspers is momenteel nummer één, en terecht, want hij heeft dit jaar bijna alles gewonnen. Jaspers is een soort robot, één brok concentratie. Stilistisch biedt hij niets bijzonders, maar wat hij doet, doet hij uiterst efficiënt. Daniel Sánchez, de Spaanse nummer twee, is wisselvalliger, maar heeft weinig zwakke punten. En als hij een keer onder stoom komt, valt hij niet meer af te stoppen. Daarna kom ik, en na mij staat de Zweed Torbjörn Blomdahl op vier. Hij speelt al twintig jaar aan de top. Ik vind hem iets minder goed dan vroeger, maar hij bezit een zekere aura van onoverwinnelijkheid. De naam Blomdahl, daar schrikken ze allemaal van, zeker de minder ervaren spelers. Raymond Ceulemans had dat vroeger ook. De tegenstanders kregen bij het horen van de loting zoveel schrik dat ze hun gebruikelijke niveau niet meer haalden. CAUDRON: Dat wordt gezegd, ja. Ik heb niet veel tijd nodig om na te denken, ik stoot nogal snel. Daarom kreeg ik vroeger de kritiek dat ik nonchalant zou spelen. Alsof het mij allemaal niet kan schelen. Maar dat is natuurlijk niet zo, ik doorzie een spelsituatie vrij vlug en heb niet veel tijd nodig om mij te concentreren. Daarom speel ik dus snel. Ik heb me die kritiek lang aangetrokken, maar dat is gestopt toen ik de psychologie achter die analyse doorhad. Spelers die kwaad reageren als ze eens missen en die erg lang nadenken voor ze een stoot plaatsen, zijn in die redenering zogezegd biljarters met meer karakter. Terwijl dat natuurlijk onzin is, want zij verliezen zich in hun emoties en maken met hun gefilosofeer het spel moeilijker dan het eigenlijk is. Ik hou het eenvoudig, en daardoor denken de critici blijkbaar dat het mij niet interesseert. Het tegendeel is waar. Ik speel inderdaad 'met naturel', als je het zo wilt noemen, maar dat is typisch voor alle Belgische biljarters. Wij stoten spontaan, wij hebben blijkbaar een natuurlijke aanleg voor biljarten. De buitenlanders komen vaker gemaakt over, zelfs al spelen ze goed. Ook qua attitude zijn de buitenlanders dikwijls iets meer geforceerd. CAUDRON: Zeker. Er staan drie Belgen in de top twaalf van de wereldranglijst. Ikzelf op 3, Roland Forthomme op 8, en Eddy Merckx op 10. Dat is een beetje minder goed dan enkele jaren geleden, maar we tellen zeker nog mee. Nederland is onze grootste concurrent. Zij hebben Jaspers, maar ze zijn in de breedte ook erg sterk. In Frankrijk wordt ook goed gebiljart, maar de beste Fransen zijn voorlopig nog geen concurrentie voor onze toppers. Voor de rest is er niet echt een land dat erbovenuit steekt. Korea zal ooit een sterke biljartnatie worden, maar zijn spelers blijven voorlopig weg van de grote toernooien. Een geluk voor ons, want daar zit erg veel talent. De Belgische top van nu is de generatie die twintig, vijfentwintig jaar geleden begonnen is, geïnspireerd door de successen van Raymond Ceulemans en co. Wij zullen zeker nog een paar jaar hoog staan, maar daarna gaapt wel een gat. Jonge topbiljarters hebben we jammer genoeg niet. CAUDRON: Door onze sport op televisie te tonen. Dat is de enige manier. CAUDRON: Dat is waar en we weten niet waarom. De kwaliteit van het spel is zeker zo goed als vroeger, misschien iets beter zelfs. En we hebben nog steeds Belgische toppers die meekunnen op wereldniveau. Waarom komen de journalisten dan niet? Ik snap het niet. CAUDRON: Als je het goed aanpakt wel. Waarom is het snooker op BBC mooi om naar te kijken? Omdat het knap in beeld wordt gebracht en deskundig wordt becommentarieerd. Biljart heeft zeker evenveel potentieel voor de televisie, maar een groot probleem is dat de Belgische sportjournalisten te weinig van onze sport kennen en de verkeerde beelden schieten. CAUDRON: En waarom ook niet? Spektakel verkoopt en show hoort bij topsport. Ik vind daar niks vies aan, al sta ik zelf niet direct te springen om een draculacape aan te trekken. Het punt is dat ook darts op televisie goed gebracht wordt: het wordt knap gemonteerd en ziet er daardoor aantrekkelijk uit. Als je al die supporters in die grote speelzaal ziet roepen, drinken en plezier maken, daar wil je toch bij zijn? Terwijl darts als sport niet hoger staat dan biljart en zeker niet interessanter is om te volgen. Er zijn blijkbaar rare motieven waarom de ene sport een kans krijgt op televisie en de andere niet. Tegenwoordig zenden ze zelfs regelmatig pokermatchen uit. Ik heb dat eens proberen te volgen: daar val je gewoon bij in slaap. Maar de internetgokkantoren zullen het interessante reclame vinden zeker? CAUDRON: Dat klopt. Wie naar een biljarttoernooi komt, is in de regel al een kenner, iemand die op amateurniveau speelt bijvoorbeeld. Die mensen hebben respect voor de sport en zullen ook zelden luid supporteren, ook omdat de scheidsrechters systematisch om stilte vragen. Als speler vind ik dat eigenlijk niet nodig. Zolang het binnen de perken blijft, stoort rumoer mij niet. Laat de mensen gerust praten tijdens een match. Een speler van een beetje niveau mag daardoor zijn concentratie toch niet laten verslappen zeker? En het zou de wedstrijdsfeer ten goede komen. CAUDRON: Ja, maar dan moet je veel spelen. Een biljarter mag tegelijk in meerdere nationale competities uitkomen. De kalenders zijn op elkaar afgestemd, zodat de toppers bijna overal kunnen meedoen. Ik speel bijvoorbeeld zelf voor een Belgische, een Nederlandse en een Franse club. En dit seizoen ook voor een Duits, een Portugees en een Spaans team, maar dat zijn competities die maar een paar speeldagen duren. Zo kwam ik vorig jaar aan 200 officiële matchdagen. Dat is een moordend schema maar de clubs betalen tenminste, met het prijzengeld van de individuele toernooien kom je niet ver. Een neveneffect van dat systeem is dat de topploegen in ieder land min of meer uit dezelfde spelers bestaan, maar dan telkens in andere combinaties. Het kan dus gemakkelijk gebeuren dat je voor de Europabeker een ploeg uit een ander land loot waar je zelf ook voor speelt. Tegenwoordig moet je daarom op voorhand aangeven met welk team je in Europees verband uitkomt. CAUDRON: Dat is zo. Eddy Merckx en Eddy Leppens doen dat, en Peter De Backer gaat er nu ook een beginnen. De combinatie is doenbaar, maar natuurlijk niet ideaal. Ik kan het weten, ik heb zelf tot mijn 34e een café gehad. Als je echt hoog wilt mikken, word je beter voltijds prof, maar vanzelfsprekend is dat niet, want op prijzengeld overleven is in het biljart niet makkelijk. Er zijn wel een paar invitatietoernooien met een interessante prijzenpot, maar om daaraan te mogen deelnemen, moet je geschitterd hebben op de wereldbekers en de rankingtoernooien. En daar ligt het geld zeker niet voor het oprapen. Als je iedere keer wint wel, maar dat gaat natuurlijk niet. Een biljarter moet vooral proberen bij de top twaalf te raken, want dan krijg je voor meer toernooien je onkosten terugbetaald. En je bent altijd automatisch geplaatst voor de grote evenementen, waardoor je dus sowieso zeker bent van een beetje prijzengeld. Bij de top vier zitten is nog interessanter, want dan word je beschermd bij de loting. Maar om daarbij te raken, moet je al echt goed zijn, en dus het best ook voltijds prof. Het is een vicieuze cirkel eigenlijk. CAUDRON: Er worden hogere moyennes gehaald dan toen, ja. Maar dat wil niet zeggen dat Raymond het gemakkelijk heeft gehad, zoals men af en toe vertelt. Hij was een niveau beter dan de rest. Het heeft dertig jaar geduurd voor de concurrentie hem min of meer inhaalde. En toen dat gebeurde, is Ceulemans nóg sterker gaan spelen. Hij haalde zijn beste niveau toen hij al ouder dan zestig was, werd zelfs nog wereldkampioen op zijn 64e. Dat is een fantastische prestatie. Ceulemans was trouwens niet alleen zo goed door zijn talent, hij bezat bovendien het karakter om te vechten, elke partij opnieuw. Hij speelt nog altijd, in ploegverband, met 'de vier Ceulemansen': hij, twee zonen en een kleinzoon. En als hij verliest, is hij nog even kwaad als vroeger. ( lacht) Op individuele toernooien zien we hem wel niet meer. Waarom zou hij ook? Raymond heeft genoeg bewezen. CAUDRON: Ik zit nu aan zeventig, dat zijn er negen meer dan hij. Ooit hoop ik op honderd titels te kunnen eindigen. Nog tien jaar spelen tegen een gemiddelde van drie titels per jaar en ik ben er. Maar de internationale records van Ceulemans, daar zal ik nooit aan kunnen tippen. Er worden gewoon minder WK's gehouden dan vroeger. Ik ben bijvoorbeeld nog steeds officieel wereldkampioen kader 47/2, maar sinds 2003 werd daar geen WK meer in georganiseerd. Alleen het WK driebanden gaat nog elk jaar door. CAUDRON: Dat is waar. In België blijven de kaderdisciplines erg populair, maar daarin zijn wij de grote uitzondering. Het buitenland interesseert dat niet meer. Voor een veelzijdige speler als ik is dat jammer. Het is ook de reden waarom veelzijdige spelers almaar meer een uitzondering worden. In Frankrijk noemen ze mij trouwens E.T. of L'Extraterrestre, omdat ik alle spelsoorten beheers en in zowat elke discipline al een groot kampioenschap won. CAUDRON: Ah, dat wist ik zelfs niet, maar ik kan me wel voorstellen wat de schrijvers van Wikipedia daarmee bedoelen. Ik scoor vaak met een voorbandstoot waarbij de speelbal één band raakt, dan de eerste bal, daarna nog twee banden en ik vervolgens het punt scoor. Alle topspelers hebben zo hun specialiteit. Er bestaat ook een Blomdahlstoot en een Jaspersstoot. CAUDRON: Ja, maar dat helpt niet veel. In biljarten kun je je niet aanpassen aan de tegenstander, omdat verdedigend spelen niet gaat. Je kunt de ballen niet zodanig plaatsen dat een ander niet kan scoren, want in theorie is geen enkele carambole onmogelijk. Je speelt dus niet echt tegen de tegenstander, je speelt vooral tegen jezelf. En degene die het minst twijfelt en het meest in zichzelf blijft geloven, wint meestal. Dat wil daarom niet zeggen dat je tegen iedere biljarter even gráág speelt. Er zijn spelers die je willen tegenwerken, die te lang aan tafel blijven treuzelen wanneer jij eigenlijk aan de beurt bent. Vervelend, maar een echte topper mag zich daardoor niet uit zijn lood laten slaan. Wereldwijd bekeken zijn er ongeveer tien spelers van uitzonderlijk niveau, die ernstige winstkansen hebben in zowat ieder toernooi waaraan ze deelnemen. Daaronder zitten een paar tientallen spelers van wie je makkelijk een match kunt verliezen, maar die normaliter toch net iets zwakker zijn. CAUDRON: Onder de Belgen zeker wel. Eddy Merckx, Eddy Leppens of Roland Forthomme ken ik al 25 jaar of meer en ik zie hen minstens twee keer per week. Maar ik win ook wel graag van hen, misschien nog liever dan tegen een buitenlander die ik minder goed ken of graag heb ( lacht). CAUDRON: In principe kun je elke spelsituatie berekenen, maar een goeie biljarter werkt zo niet. Die vertrouwt op zijn geheugen en concentratie. Ik wéét dat als ik een bal stoot, die nagenoeg zeker bal twee raakt, in de buurt van bal drie uitkomt en net niet botst met bal twee. Dat is een soort intuïtie die je krijgt door veel gespeeld te hebben. Geen enkel meetkundeboek kan daar tegenop. CAUDRON: In feite wel. Vandaar dat de jeugd afhaakt. Bij snooker of pool kun je zelfs per toeval al een bal potten, een biljarter moet lang oefenen voor hij punten scoort. Maar net daardoor is het een sport die een mens veel bijbrengt. Je zou het mij misschien niet aangeven, maar vroeger was ik nogal een wildebras. ( lacht) Het biljart heeft mij echter rustig gemaakt, heeft mij leren relativeren. Voor moeilijke jongeren zou deze sport een fantastische leerschool kunnen zijn. DOOR JEF VAN BAELEN