Uit een van de vele analyses die de Trends Top 30.000 dit jaar presenteert, blijkt dat een belangrijk deel van de grootste 30.000 Belgische ondernemingen op 31 december 2007 al in zwaar weer verzeild was. De Top gaat onder meer na wat de liquiditeit van de bedrijven was op dat ogenblik. Het cijfer dat aangeeft in welke mate de inkomsten volstaan om op korte termijn aan de verplichtingen te kunnen voldoen, kleurt voor 25 procent van de bedrijven in de Top rood. 'De liquiditeit was ook het probleem bij Fortis', zegt Tony Coen...

Uit een van de vele analyses die de Trends Top 30.000 dit jaar presenteert, blijkt dat een belangrijk deel van de grootste 30.000 Belgische ondernemingen op 31 december 2007 al in zwaar weer verzeild was. De Top gaat onder meer na wat de liquiditeit van de bedrijven was op dat ogenblik. Het cijfer dat aangeeft in welke mate de inkomsten volstaan om op korte termijn aan de verplichtingen te kunnen voldoen, kleurt voor 25 procent van de bedrijven in de Top rood. 'De liquiditeit was ook het probleem bij Fortis', zegt Tony Coenjaerts, uitgever van de Trends Top 30.000. 'De Top maakt duidelijk dat er eind 2007 al prangende vragen konden worden gesteld. Bij Fortis én bij veel andere bedrijven.' De gegevens van de Top beperken zich uiteraard tot het verleden, maar de redactie keek ook voor deze editie vooruit middels een enquête. Dit jaar werd, in samenwerking met Johan Van Overtveldt en Geert Janssens van de denktank VKW-Metena, bekeken hoe het gesteld is met de schuldpositie van Belgische bedrijven. In het rapport van die studie valt vooral op hoe de crisis de relaties tussen het bedrijfsleven en de bankwereld heeft verzuurd. Een derde van de 1463 respondenten (vrijwel allemaal ceo's of directeuren) vindt dat de banken vals spelen omdat ze allerlei spelregels vanwege de crisis eenzijdig hebben veranderd. Vooral de extra garanties die banken tegenwoordig eisen, zitten hen dwars. Een tweede kritiek is dat banken te mistig doen over de criteria waarmee ze hun klanten beoordelen. Coenjaerts: 'Een kleine helft van de respondenten heeft gebruik gemaakt van de regeling van de notionele interest om zijn kapitaalbasis te versterken. Maar wanneer ze na die oefening trots naar hun bank stappen, merkt minder dan 20 procent dat hun bank dat echt waardeert door voortaan een hogere rating toe te passen. Ze voelen zich als iemand die een examen moet afleggen zonder precies te weten wat de examinator wil horen.' Een merkwaardige vaststelling, in tijden waarin iedereen over kredietkrapte klaagt, is het lauwe enthousiasme voor commercial finance (of factoring): de mogelijkheid om werkkapitaal te lenen met de debiteurenfacturen als onderpand. Nauwelijks 5 procent van de bedrijven gebruikt die techniek, en meer dan 90 procent zegt het niet eens te overwegen. Dat de kredietverlener bij die techniek de opvolging van de facturatie overneemt (en daarvoor een fee aanrekent) zorgt ervoor dat bedrijven factoring veeleer als kosten dan als een opportuniteit zien. Bijna verbijsterend, ten slotte, is dat Belgische bedrijven nauwelijks kijken naar de financiële gezondheid van hun klanten. Slechts een kwart monitort (een groot deel van) zijn klanten vrij systematisch. Bijna een derde volgt geen enkele klant. Luc Baltussen