Op 5 november 1994 overleed de echtgenoot van Katleen D. op 32-jarige leeftijd aan de ziekte van Creutzfeldt-Jakob (CJ): een dodelijke sponsziekte die gaten in de hersenen slaat, en die in de belangstelling kwam omdat ze verwant is aan de gekkekoeienziekte. De klinische beschrijving van de lijdensweg van de man leest als een kopie van de verslagen die in 1996 in medische vakbladen verschenen over een "nieuwe variant" van de ziekte: een mensenversie van de gekke...

Op 5 november 1994 overleed de echtgenoot van Katleen D. op 32-jarige leeftijd aan de ziekte van Creutzfeldt-Jakob (CJ): een dodelijke sponsziekte die gaten in de hersenen slaat, en die in de belangstelling kwam omdat ze verwant is aan de gekkekoeienziekte. De klinische beschrijving van de lijdensweg van de man leest als een kopie van de verslagen die in 1996 in medische vakbladen verschenen over een "nieuwe variant" van de ziekte: een mensenversie van de gekkekoeienziekte. Weduwe D. wilde uitsluitsel over de dood van haar man: stierf hij al dan niet aan de nieuwe variant? Het werd een tweede lijdensweg, vooral door de boertige manier waarop neuroloog Jacques De Reuck van de Universiteit Gent haar opving. Twee jaar duurde het voor ze een definitieve diagnose kreeg. Die werd haar verschaft door een buitenlands expert: de Nederlandse neuropatholoog Gerard Jansen van het Academisch Ziekenhuis Utrecht. Jansen beschikte over vijf gekleurde sneetjes van het hersenweefsel (in vaktaal: "coupes") van de overleden man, die hij in 1996 in Gent was gaan halen, omdat niemand daar in de zaak geïnteresseerd was. Zijn analyse maakte een einde aan de queeste van Katleen D.: haar man stierf aan de klassieke "sporadische" variant van de ziekte. Een nieuwe illustratie van het grillige karakter waarmee de aandoening zich manifesteert. Jansen zou zijn wetenschappelijke bevindingen graag bekendmaken in de vakliteratuur, maar stuitte op De Reuck, die de stalen terugclaimde met de stelling dat hij er volgens de Belgische wetgeving eigenaar van was. Hij vroeg ook dat Jansen een rapport zo zou aanpassen dat hij krediet kreeg. Dat hij de stalen verloren was, en dat ze een dubbel label hadden waar niemand een verklaring voor vond, was niet aan de orde. Met de hetze rond de gekkekoeienziekte is elk geval van de ziekte van CJ nu natuurlijk veel interessanter dan vroeger. "De vraag is of hersencoupes te beschouwen zijn als lichaamsmateriaal", analyseert professor Herman Nys van de KU Leuven. "Ik zou ervan uitgaan dat ze na bewerking een zaak zijn, een roerend goed: volgens de wet is de bezitter, in dit geval de universiteit van Utrecht, ook de eigenaar." "De weduwe zou zich kunnen beroepen op het verwantenvoorrecht om zelf te bepalen waar de stalen van haar overleden echtgenoot bewaard worden", vult advocaat Tom Balthazar van de Universiteit Gent aan: "Verwanten kunnen beslissen wat er met de stoffelijke resten van een overledene gebeurt."