Parasieten ondergaan niet passief wat hun omgeving aan hen oplegt. Ze sturen actief bij, waardoor ook hun overlevingsomstandigheden verbeteren. Zelfs virussen kunnen hun dragers zo manipuleren dat hun verspreidingskansen verhogen. Zo luidt het besluit van een studie in Public Library of Science Pathogens.
...

Parasieten ondergaan niet passief wat hun omgeving aan hen oplegt. Ze sturen actief bij, waardoor ook hun overlevingsomstandigheden verbeteren. Zelfs virussen kunnen hun dragers zo manipuleren dat hun verspreidingskansen verhogen. Zo luidt het besluit van een studie in Public Library of Science Pathogens. Wetenschappers onderzochten het effect van het mozaïekvirus op tomatenplanten. Dat virus kan zich niet zelf vermenigvuldigen. Het smokkelt zijn genetisch materiaal in dat van de plant en wijzigt de expressie van genen in de tomaten. Daardoor verandert hun geur zo sterk dat hommels er sneller op afkomen. De studie toont aan dat hommels in een serre de geïnfecteerde planten verkiezen boven de gezonde. Ze promoveren zo tot indicator van gezondheidsproblemen bij tomaten. Omdat hommels als bestuivers essentieel zijn voor de voortplanting van planten, vergroten ze tezelfdertijd de verspreiding van het virus. Ze bevorderen ook de overlevingskans van planten die resistent zijn geworden tegen het virus: na een besmetting sterven ze minder makkelijk - en blijft ook het virus zelf langer in leven. Je zou kunnen zeggen dat het virus nuttig is voor de plant: besmetting zal ook haar kansen op voortplanting bevorderen. Waarmee het virus niet langer louter een parasiet is, maar ook een coöperant. De hommels zelf kunnen het virus niet overdragen. Daar zijn bladluizen voor nodig. En het virus mag dan niet erg schadelijk zijn voor de plant, het is dat wel voor de groentekweker: het resulteert in kleine en minder lekkere tomaten (en andere groenten). De belangen van plant en teler lopen dus niet gelijk. Een andere opvallende samenwerking tussen planten en micro-organismen behandelen onderzoekers in Proceedings of the National Academy of Sciences. Zij beschrijven de structuur van chloroplasten of bladgroenkorrels. Die zijn essentieel voor de fotosynthese waarmee planten zich van energie voorzien. Maar oorspronkelijk waren ze bacteriën. In lang vervlogen tijden nestelden ze zich in de allereerste plantencellen, waar ze zich zo nuttig maakten dat ze onlosmakelijk met de plantenstructuur verbonden raakten. Niemand beschouwt hen nog als afzonderlijk levende soorten. Het succes van de chloroplast hangt af van zijn buitenste membraan, die heel vetrijk is. Zonder die membraan kan hij niet overleven, sterft ook de cel en dus de plant. Maar de chloroplast heeft een dubbele membraan. Daardoor kan hij meegroeien met de cel waarin hij huist, en wordt de groei van planten niet beperkt door te kleine energiefabriekjes. De natuur denkt aan alles! De chloroplast die planten van energie voorziet, was oorspronkelijk een bacterie.