EEN NIEUWE MANIER om tegen literatuurgeschiedenis aan te kijken, dat is het wat literatuurwetenschapper en Knack-medewerker Frank Hellemans aanbiedt in zijn boek ?Mediatisering en literatuur?, het onderwerp van zijn doctoraal proefschrift. De titel klinkt wat bedrieglijk. Mediatisering is een term waarmee gewoonlijk de aandacht wordt getrokken op de marketingtechnieken waarmee literatuur tegenwoordig als een commercieel goed publieke aandacht krijgt : ?BV's? die tot de serieuze literaire auteurs worden gepromoveerd (de uitgeverij ...

EEN NIEUWE MANIER om tegen literatuurgeschiedenis aan te kijken, dat is het wat literatuurwetenschapper en Knack-medewerker Frank Hellemans aanbiedt in zijn boek ?Mediatisering en literatuur?, het onderwerp van zijn doctoraal proefschrift. De titel klinkt wat bedrieglijk. Mediatisering is een term waarmee gewoonlijk de aandacht wordt getrokken op de marketingtechnieken waarmee literatuur tegenwoordig als een commercieel goed publieke aandacht krijgt : ?BV's? die tot de serieuze literaire auteurs worden gepromoveerd (de uitgeverij Houtekiet heeft zo'n heel fabriekje), de opmars van de human interest, de onderhoudende babbel als alibi voor literaire kritiek etcetera. De perceptie daarvan is negatief : dit slag media-vriendelijkheid schaadt, in een karikatuur, de literatuur als tijdverdrijf voor fijne luyden. Hellemans heeft het over een andere vorm van mediatisering : de vernieuwing van de literatuur onder invloed van de ontwikkeling van de massamedia. Zijn verhaal veronderstelt een analogie tussen de literaire avant-garde en de media, een ontwikkeling die hij volgt vanaf de Duitse Vroegromantiek van het einde van de achttiende eeuw tot de Franse nouveau roman van de jaren 1950 en '60. Dat verhaal loopt nog verder, ook in Vlaanderen ; onderling amper vergelijkbare auteurs als Paul Mennes, Jeroen Olyslaegers of Peter Verhelst vertonen duidelijk verwantschap met nieuwe media als videoclips of computerspelletjes. VOORSCHRIFT.Hellemans ziet het futurisme van het begin van deze eeuw als een breuklijn, die niet toevallig samenvalt met de doorbraak van de zogeheten historische avant-garde. De elektrotechnologische media leverden toen het ?technopoëticaal paradigma? voor de literaire vernieuwing. Die binding tussen media en literatuur ziet Hellemans positief : ze biedt literatuur het middel tot dynamiek, tot het houden van gelijke tred met de maatschappelijke ontwikkelingen en dus tot een blijvende maatschappelijke relevantie. Hellemans' stelling is niet altijd duidelijk over de aard van de relatie tussen media en literatuur : nu eens schijnt ze een oorzakelijk verband tussen beide te veronderstellen, dan weer lijkt het alsof de ?dynamisering? van media en literatuur twee parallelle processen met een gemeenschappelijke oorzaak zijn. Toch rijst de vraag of zo'n parallelle dynamisering wel terecht als een voorschrift voor ?goede? literatuur kan gelden. De literatuur kan haar functie niet alleen in de integratie, maar in de oppositie zoeken, waarbij ze haar waarde net ontleent aan haar niet-integratie, het niet-navolgen van een maatschappelijke doxa. Ze ontleent haar functie dan net aan een ook vormelijke kritische ingesteldheid tegenover de algemene norm. Maar alleen al omdat het dit slag reflecties uitlokt, is Hellemans' erudiete werk al de moeite van het lezen waard. M.R. Frank Hellemans, ?Mediatisering en literatuur. Een moderne, mediavergelijkende literatuurgeschiedenis?, Acco, Leuven-Amersfoort, 240 blz.