Dat Vlaanderen het spoor bijster is in zijn beoordeling van CDH, ligt ook wel aan Benoît Lutgen, Joëlle Milquet en co. zelf. Er zijn maar weinig partijen die zo'n aparte evolutie hebben doorgemaakt als de Parti Social Chrétien (PSC), die in 2002 transformeerde tot 'Centre démocrate humaniste' (met hoofdletter C), afgekort cdH (met hoofdletter H). Onnozel, die spelling, daarom schrijft Knack de partijnaam altijd als CDH. Maar het past wel bij de traditie van de Franstalige christendemocraten. Onvoorspelbaar zijn hun politieke kopstukken altijd geweest. De allereerste premier van het naoorlogse België was een Franstalige christendemocraat: de illustere Hubert Pierlot (1883-1963). Hij was al eerste minister voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog, en leidde van de bevrijding in 1944 tot de lente van 1945 een regering van nationale eenheid - precies in een tijd dat een nieuwe generatie christendemocraten de stichtingsteksten schreef van een unitaire christendemocratische partij. Net als Benoît Lutgen vandaag was de oude Pierlot een koppige Luxemburger. Pierlot was zelfs een grotere stijfkop dan Leopold III: hij aanvaardde Leopolds eigenzinnige interpretatie van de grondwet niet en lag zo persoonlijk aan de basis van de Koningskwestie. Een geste of een toegeving omwille van een zogenaamd hoger belang, het is Ardense christendemocraten niet gegeven. Zelfs de socialistische vicepremier Paul-Henri Spaak, tijdens dat conflict nochtans de fellow traveller van Pierlot, moest toegeven dat de PSC'er 'een overdreven aandacht heeft voor het detail, en een koppigheid die elk compromis moeilijk maakt'. Zestig jaar later zou Jean-Luc Dehaene CDH-voorzitter Joëlle Milquet in soortgelijke termen omschrijven.
...

Dat Vlaanderen het spoor bijster is in zijn beoordeling van CDH, ligt ook wel aan Benoît Lutgen, Joëlle Milquet en co. zelf. Er zijn maar weinig partijen die zo'n aparte evolutie hebben doorgemaakt als de Parti Social Chrétien (PSC), die in 2002 transformeerde tot 'Centre démocrate humaniste' (met hoofdletter C), afgekort cdH (met hoofdletter H). Onnozel, die spelling, daarom schrijft Knack de partijnaam altijd als CDH. Maar het past wel bij de traditie van de Franstalige christendemocraten. Onvoorspelbaar zijn hun politieke kopstukken altijd geweest. De allereerste premier van het naoorlogse België was een Franstalige christendemocraat: de illustere Hubert Pierlot (1883-1963). Hij was al eerste minister voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog, en leidde van de bevrijding in 1944 tot de lente van 1945 een regering van nationale eenheid - precies in een tijd dat een nieuwe generatie christendemocraten de stichtingsteksten schreef van een unitaire christendemocratische partij. Net als Benoît Lutgen vandaag was de oude Pierlot een koppige Luxemburger. Pierlot was zelfs een grotere stijfkop dan Leopold III: hij aanvaardde Leopolds eigenzinnige interpretatie van de grondwet niet en lag zo persoonlijk aan de basis van de Koningskwestie. Een geste of een toegeving omwille van een zogenaamd hoger belang, het is Ardense christendemocraten niet gegeven. Zelfs de socialistische vicepremier Paul-Henri Spaak, tijdens dat conflict nochtans de fellow traveller van Pierlot, moest toegeven dat de PSC'er 'een overdreven aandacht heeft voor het detail, en een koppigheid die elk compromis moeilijk maakt'. Zestig jaar later zou Jean-Luc Dehaene CDH-voorzitter Joëlle Milquet in soortgelijke termen omschrijven. Het beginselvaste optreden van Pierlot zorgde voor een merkwaardig en niet onbelangrijk neveneffect. De PSC, en zeker de Luxemburgse variant ervan, was een 'plattelandspartij': uitgesproken katholiek en behoudsgezind, wat in die jaren betekende: antisocialistisch. De Pierlots waren eigenaar van een familiebedrijf. Van de arbeiders verwachtten ze dat ze praktiserend katholiek waren. Werknemers die betrapt werden op socialistische sympathieën werden volgens Pierlots biograaf Thierry Grosbois zonder veel complimenten ontslagen. En toch: toen Pierlot vanaf 1945 premier af was en in ongenade viel bij de talrijke leopoldisten in zijn eigen partij, eiste de toenmalige PSB (nu: PS) bij de regeringsvorming dat de CVP/PSC Pierlot zou coöpteren als senator. Ondanks Pierlots aanvaring met Leopold III bleef de PSC ten zeerste gehecht aan België en aan de monarchie. Het liefst van al wilde de partij het federalisme aan zich voorbij laten gaan. Dat was vanaf de jaren vijftig namelijk een zaak van de socialisten, zoals de Luikse métallo André Renard. Zijn sociaal-economische federalisme was minstens even anti-Vlaams als anti-Belgisch. Renard wees de Vlaamse en Brusselse economische elite met de vinger als de echte schuldigen voor de neerwaartse economische spiraal waarin Wallonië toen al was terechtgekomen. Zijn krant heette niet zomaar 'la Wallonie.' Om de Waalse economie naar zijn inzichten bij te sturen, was er dus (let wel: volgens de radicaalste ABVV'er van het land) 'confederalisme' nodig in de sociaal-economische structuren van het land. Net zoals bij Bart De Wever 'Vlaams' en 'conservatief' innig met elkaar verbonden zijn, was dat bij Renard 'Waals' en 'socialistisch'. Dat radicale antikapitalistische discours van Renard viel in dovenmansoren bij de PSC. Dat Renard bovendien militant antikatholiek was (tijdens de schoolstrijd verweet hij de verdedigers van het katholiek onderwijs 'néo-fascisme' en 'totalitarisme clérical') zorgde bij de PSC-basis voor een weerzin tegen dit nieuwe gauchisme. Een beetje Franstalige christendemocraat was belgicist, katholiek en, indien niet rechts, dan toch antisocialist. De partij had trouwens innige liaisons met de Brusselse haute finance (die door de exploitatie van Congo toen puissant rijk en machtig was). Belangrijke PSC-ministers als Pierre Wigny of Jean-Charles Snoy et d'Oppuers namen na hun parlementaire en ministeriële carrière hun plaats weer in aan de bestuurstafels van de belangrijkste holdings en banken van toen. De laatste overlevende van dat Belgique à papa, waar ze in de francofone bestuurskamers van de Société Générale en haar dochters optraden alsof het de feitelijke regenten van dit land waren, is niet toevallig een man met een PSC-etiket: Etienne 'Steve' Davignon. Ondanks de aanwezigheid van een sterke MOC-vleugel (het Franstalige ACW) profileerde de PSC zich vanaf de jaren vijftig, en zeker in de jaren zestig en zeventig, uitdrukkelijk als de partij van de 'hardwerkende Belgen', van middenstanders die vinden dat de fiscus niet moet overdrijven, van de welvaartsoptimisten die vonden dat de centra van de grote steden georganiseerd moesten worden in dienst van koning auto, met drukke invalswegen en parkeergarages tot in het hartje van de stad. Het lijkt een verre echo van bepaalde delen van het N-VA-programma van vandaag, maar het werd destijds belichaamd door een tweetalige Brusselaar: Paul Vanden Boeynants. Vanden Boeynants, die enig fortuin maakte met zijn vleesbedrijf, was weliswaar een legendarische ritselaar, maar als politicus was hij ooit hors catégorie. Hij werd minister van Middenstand, nationaal CVP-PSC-voorzitter en van 1966 tot 1968 zelfs premier. Het was Vanden Boeynants die in de jaren zestig de uit de VS overgewaaide moderniteit omarmde, ook in de politiek. Zoals de Amerikaanse president John Fitzgerald Kennedy zich graag JFK liet noemen, werd Vanden Boeynants VDB. Hij voerde op Amerikaanse leest geschoeide verkiezingscampagnes in, waarbij het programma compleet ondergeschikt werd aan de persoonlijkheid van de politicus. Hij zag het belang in van de televisie voor politieke boodschappen, en als een verre voorganger van Bart De Wever oefende hij vooraf al zijn tv-optredens in. Op de toen gebruikelijke regeringsmededelingen trainde VDB een hele dag, waarbij zijn twee vaste medewerkers Georges Algoet en Pierre Jonnart in urenlange sessies toen al de rol speelden die Siegfried Bracke en Pol Van Den Driessche in de voorbije campagne vervulden voor Bart De Wever: de mediatrainers van de partijvoorzitter. Door het steeds grotere gewicht dat communautaire kwesties kregen, leidde die zo succesvolle periode van Vanden Boeynants toch het begin van de neergang van zijn partij in. Op het eerste gezicht bleven de christendemocraten vooral de centrale machtspartij van het land. VDB pakte ook graag uit met zijn electorale successen - alvast voor hem persoonlijk. In 1968 kreeg hij alleen in Brussel 116.000 stemmen, op een bewust tweetalige lijst. Die heette niet PSC of CVP, maar VDB. Maar als partij bleven de christendemocraten stelselmatig achteruitgaan. Een door VDB opgezette barnum-ledenactie, die bedoeld was om de sluipende neergang van CVP-PSC te stoppen, draaide uit op een (dure) sof. Maar op het échte probleem van de partij, de deconfessionalisering, hadden VDB en zijn politieke en zakelijke vrienden geen antwoord. Toen kwam de dolksteek die de PSC-CVP fataal werd, recht in haar katholieke, Belgische hart. De daders waren geen socialisten maar de Vlaamse christendemocraten van de CVP. In de jaren zestig voltrok zich een belangrijke etappe naar het federalisme. In 1962 werd, na moeizame debatten, de taalgrens vastgelegd. Dat gebeurde nota bene onder verantwoordelijkheid van PSC-minister Arthur Gilson, ook al was zijn partij (toch haar Franstalige vleugel) daar aanvankelijk geen vragende partij voor. Regionalisme was meer iets voor Franstalige socialisten dan voor christendemocraten, terwijl dat bij de Nederlandstaligen omgekeerd was. Maar in 1968 volgde de echte big bang: wat in Vlaanderen bekendstaat als 'Leuven Vlaams', is in het zuiden van het land de etterende wonde van 'Walen buiten'. De Franstaligen waren verbijsterd dat Vlaamse professoren en studenten ijverden om hun Franstalige collega's en leeftijdsgenoten uit Leuven te jagen. Niet omdat die minder katholiek waren of minder wetenschappelijk. De enige reden was hun afkomst, of toch hun taal: Franstaligen zijn niet Vlaams, en dus moesten ze weg. De strijd om Leuven Vlaams was van een existentiële orde, zowel voor de Vlaamse Beweging als voor de Franstalige louvainistes, en was dus bikkelhard. CVP'er Frans Van Mechelen, later minister van Cultuur, gaf zijn kiezers te verstaan dat 'er in de zaak-Leuven geen compromis meer mogelijk is. Het laatste uit de kan zullen wij krijgen'. Van Mechelen kreeg gelijk, want toen CVP'er Jan Verroken vanuit de meerderheid 'zijn' premier Vanden Boeynants interpelleerde over Leuven Vlaams, namen de Vlaamse CVP'ers geen genoegen met het antwoord van VDB. De grootste meerderheidspartij liet de eigen regering vallen, en liet de eigen premier op zijn bek gaan. De Franstaligen kregen ter compensatie wel een volledige nieuwe universiteit en daarbij zelfs een volledige nieuwe stad in Waals-Brabant, Louvain-la-Neuve, maar dat maakte het drama er niet minder om. Een UCL-bron: 'Walen buiten is tot vandaag een trauma voor de Franstalige katholieke wereld. En zoals dat gaat met collectieve trauma's geeft de ene generatie het door aan de andere. Zeker de Vlaamse Beweging, die toch ontstaan is als een reactie op een aantal collectieve trauma's, zou daarvoor toch enig begrip moeten kunnen opbrengen?' Anders dan het harde, socialistische wallingantisme van Renard was het belgicisme van de PSC tot dan relatief flamandophile geweest. Dat veranderde ten gronde. Binnen de PSC ontstond een kern die een stille haat koesterde tegen de Vlamingen, of op z'n minst tegen de Vlaamse Beweging. Na de splitsing van de Katholieke Universiteit voltrok zich begin jaren zeventig ook de logische scheiding van de CVP en de PSC. Aanvankelijk bleven er nog wat structuren gemeenschappelijk - tot begin deze eeuw deelden ze nog een lelijk partijhoofdkwartier in de Tweekerkenstraat in Brussel - maar verder hadden de partijen steeds minder met elkaar te maken. Zo leek het toch. Maar in de villa van wijlen Arthur Gilson (1915-2004) werden geheime samenkomsten gehouden. Vele jaren na zijn actieve politieke carrière nodigde de oude PSC'er de partijtoppers van CVP en PSC uit in Zevenborre. In hun memoires gedenken zowel Jean-Luc Dehaene als Wilfried Martens die gesprekken 'met veel genegenheid'. En dat niet alleen om de 'uitstekende wijn en geraffineerde gerechten, waarvoor Gilson zelf de kosten droeg'. Wel om de 'sfeer van vriendschap en hartelijkheid', al kon die ook 'samenzweerderig' zijn, waarin ver van de pers de delicaatste dossiers besproken werden: staatshervormingen, het Waalse staal, Zaïre, abortus... 'Op die manier kon er toch een zekere Bundestreue mentaliteit groeien aan de top van de Belgische christendemocratie', schreef Martens, 'en konden de centrifugale krachten worden ingeperkt.' Dat was niet alleen goed voor de eigen partij, maar voor de hele regering: 'Als ik tijdens mijn langdurige premierschap knopen heb kunnen doorhakken, dan is dat omdat we telkens eerst bij Gilson het terrein discreet ontwapenden.' Dat was nodig, want in de regering zelf speelden andere machtsverhoudingen. De kleine PSC was daar een soort aanhangwagentje van de CVP (zoals de SP, later SP.A, ook de PS moet zien bij te benen). In de regeringen was de machtigste as die tussen Vlaamse christendemocraten en Franstalige socialisten. Als die twee grote partijen elkaar vonden, was het akkoord voor 95 procent beklonken. Vlaamse socialisten en Franstalige christendemocraten moesten zelf maar zien dat ze tijdig iets uit de brand konden slepen. Dat bracht op termijn ook een verschuiving van het politieke personeel met zich mee. Jarenlang was er geen meer archetypische PSC-minister dan Philippe Maystadt. Van 1979 tot 1998 zat Maystadt onafgebroken in de regering. Of Wilfried Martens, Mark Eyskens of Jean-Luc Dehaene premier was, of de regering centrumlinks of centrumrechts was, het maakte Maystadt niet uit: als de PSC erbij was, was hij erbij, meestal op sleutelfuncties als Begroting, Economische Zaken of Financiën, en het liefst als vicepremier. Toch zullen zelfs politicologen moeite moeten doen om het echte belang van Maystadt in te schatten. Voor Wetstraatjournalisten was hij de grijze muis die er altijd bij was, omdat de PSC nu eenmaal ministers nodig hadden. Maar Maystadt was natuurlijk veel meer. In zijn eentje incorporeerde hij de schranderheid, de zakelijkheid en als het moest de irritante koppigheid van een nationale of federale vicepremier van een kleine partij. Wie vanaf de tweede helft van de jaren negentig Maystadt van nabij meemaakte, was de jonge socialistische vicepremier Johan Vande Lanotte. In interviews maakt hij geen geheim van zijn bewondering voor de sluwe en taaie PSC'er. Vande Lanotte heeft van hem afgekeken hoe hij 'boven zijn gewicht speelde' (lees: Maystadt kreeg meer gedaan dan het geringe aantal PSC-stemmen wettigde), een techniek die hij op zijn beurt heeft geperfectioneerd en aanwendt voor de SP.A. Maar niets is oneindig rekkelijk. Vandaag krijgt Vande Lanotte in eigen rangen de kritiek dat hij de SP.A heeft 'kapotgeregeerd'. In de regering kan men wel wegen op concrete dossiers, maar daardoor wordt de boodschap aan de kiezer erg zakelijk. Wat er uiteindelijk toe leidt dat de permanente aanwezigheid in de regering hand in hand gaat met een structurele afkalving van het aantal stemmen. In die zin lopen de grafieken met verkiezingsuitslagen van SP.A en CDH opvallend parallel: al twintig jaar gaat het in dalende lijn, op een occasionele opwaartse uitschieter na. Erbij zijn: het lijkt het grote motto van alle PSC-ministers. Je moest ze haast van hun stoel hakken, want vanzelf stonden ze niet op, ook niet na grote rampen of manifeste inschattingsfouten. De immer onberekenbare Charles-Ferdinand Nothomb bleef in 1985 zitten als minister van Binnenlandse Zaken, ook al was een falend veiligheidsbeleid een van de redenen van de doden bij het Heizeldrama. Dat was niet zijn schuld, wel zijn politieke verantwoordelijkheid. Hij trok er geen conclusies uit, zelfs niet toen de Franstalige liberalen dreigden de regering te laten vallen. Nothomb bleef. De regering-Martens V viel. Erbij willen zijn, zelfs vanuit de oppositie. Het kwam tot een echte breuk met de CD&V toen Guy Verhofstadt (Open VLD) in 2000 zijn Lambermont-staatshervorming niet rond kreeg. CD&V'ers en dissidente VU'ers als Geert Bourgeois triomfeerden: de paars-groene regering van Guy Verhofstadt zat al in het tweede jaar van haar eerste ambtstermijn op de knieën. Tot bij de stemming in de Kamer, onaangekondigd en onverwacht, die andere christendemocratische oppositiepartij CDH ineens vanuit de oppositie meestemde met de meerderheid. Die dag redde de nieuwe voorzitster Joëlle Milquet het politieke project dat zij diende te bekampen. In ruil daarvoor ging er meer geld naar het Franstalige onderwijs (dat ligt de CDH-achterban na aan het hart) en verdiende ze een jarenlange bonus bij de PS-top. Ondanks de bevlogen retoriek en het persoonlijke temperament van Joëlle Milquet is er dus nog weinig echt ideologisch aan de positie van CDH. In de tijd van VDB was er een sterke (extreem)rechtse vleugel. Begin jaren tachtig al neutraliseerde Gerard Deprez de invloed van die vleugel en figuren als Benoît de Bonvoisin. Sommigen vonden vervolgens onderdak bij de liberale PRL, later de MR - waar intussen, ironisch genoeg, ook Deprez zelf is beland. En de MOC, die zichzelf als progressiste ziet en af en toe zelfs als onderdeel van la gauche, staat veel verder van CDH dan het ACW van de CD&V. Zo is CDH dus humaniste geworden. Als unique selling proposition is humaniste natuurlijk bijzonder vaag en nietszeggend. Welke partij is niet humanistisch? Zijn MR, Ecolo of PS antihumanisten? Strijden voor les valeurs: dat klinkt goed, maar het is politiek op alle mogelijke manieren te operationaliseren. Ook op alle foute, of nietszeggende. En dus verliest CDH stelselmatig terrein aan partijen met een duidelijker profiel, zowel van links als van rechts. Humanistisch klinkt vooral modern, en CDH doet zeker zijn best om bijvoorbeeld het multiculturele België met een open geest te benaderen. Maar de Naamse politoloog Paul Wynants wees in een scherp artikel in La Revue Nouvelle al op de gevaren van die politiek: hoe CDH allerlei exponenten van alle mogelijke religieuze of etnisch-culturele groepen verkiesbare plaatsen geeft, en de partij daardoor een speelbal wordt van een nieuwe generatie politici die CDH als een instrument gebruiken voor wat zij zelf willen bereiken. En dat in een partij die de politiek al jaren bijzonder instrumenteel benadert. De vraag is dan: met welke partij wilde Bart De Wever in zee gaan? Met een kleine partij die het gewoon is zich de kaas niet van het brood te laten eten. Die, bij gebrek aan ideologisch project, van extreme koppigheid haar handelsmerk maakt. Dat was zelfs Jean-Luc Dehaene niet ontgaan. Zijn beschrijvingen in zijn memoires van Maystadt, zijn eigen vicepremier, zijn verre van hartelijk. Zijn typering van Joëlle Milquet zet vooral het onhebbelijke van haar houding in de verf. Dehaene beschrijft een van zijn latere opdrachten, toen hij in 2007 het pad moest effenen voor Yves Leterme: 'Milquet (...) heeft de neiging elke tekst te herschrijven totdat ieder woord aan haar interpretatie en gevoeligheid beantwoordt. Ze is een echte obsédée textuelle, en werkt hierdoor op de zenuwen van haar gesprekspartners - en naar ik mocht ondervinden ook van haar medewerkers.' Joëlle Milquet is inmiddels vervangen door Benoît Lutgen, maar een partijcultuur verandert in een trager tempo dan de personeelswisselingen bij de partijleiding. Lutgen en zijn partij hebben iets van de koppige opstelling van een Pierlot, het cynische what's in it for me? van VDB, de irritante onderhandelingstechniek van Maystadt en Milquet (wat niet honderd procent naar mijn zin is, keur ik niet goed), de Vlaamsvijandigheid van constitutionalist Francis Delpérée, en daarbij nog eens de onberekenbaarheid van een Nothomb. Tegen die verzameling 'slechte karaktertrekken' kan zelfs Bart De Wever niet op. Ook de aanwezigheid van de CD&V verandert niets aan de standvastigheid van CDH. De CD&V heeft een uitgesproken Vlaams profiel aangenomen, terwijl elk Vlaamsnationalisme, zelfs in gematigder of zakelijke verschijningsvorm, de weerzin oproept van een groot deel van de CDH-achterban. Het bracht met zich mee dat het bekende parlementslid Delpérée de N-VA tijdens de verkiezingscampagne mocht wegzetten als 'een racistische partij'. Mensen als Delpérée zijn de oude N-VA-actie aan de scheepslift van Strépy niet vergeten: wéér een Vlaamse vernedering. Dat kerft in hun ziel, meer dan de jeugdige N-VA'ers van toen in hun bestelwagens vol nepgeld konden vermoeden. Delpérée neemt geen blad voor de mond. In een berucht artikel in Le Soir schreef hij ooit: 'Le confédéralisme est le fédéralisme pour les cons.' Elke millimeter die de regering in die richting opschuift, is er voor deze CDH'er een te veel. De Vlaamse partijen hebben blijkbaar verzuimd vooraf een en ander uit te praten met CDH. Ze hadden nochtans kunnen leren uit het verleden. Zelfs CD&V-voorzitter Yves Leterme werd nooit aanvaard door de Franstalige publieke opinie, ook niet door deachterbanvan zijn eigen zusterpartij. Na de afwijzing van Lutgen, die gesteund werd door een massale meerderheid van het CDH-partijbureau, bedacht CD&V-voorzitter Wouter Beke zich in de pers dat hij dringend eens moet bijpraten met zijn collega uit het zuiden van het land. Dat hij daar niet eerder aan had gedacht. Het had Bart De Wever moeite en het land een paar weken tijd bespaard. Waar is de sleutel van de villa van Arthur Gilson? DOOR WALTER PAULINa Leuven Vlaams ontstond binnen de PSC een kern die een stille haat koesterde tegen de Vlaamse Beweging. Met welke partij wilde Bart De Wever in zee gaan? Met een kleine partij die het gewoon is zich de kaas niet van het brood te laten eten.