De generatie die dit weekblad opstartte, was dertig, getrouwd en door weinig twijfels beslopen. De waarheid en de wereld hadden nog een vrij vaste indeling. Goed en kwaad waren, vooral aan de hand van het Vietnam-drama, makkelijk te toetsen. Behoorlijke journalisten hadden bijna vanzelf iets 'links' over zich, want 'rechts' was toen niet zeer inventief, slechtbespraakt en saai. We cultiveerden een raar soort onhandigheid en wisten bijvoorbeeld niets van elektriciteit of een motor. De universele totaalmode waarin we ons kleedden, berustte eenzijdig op de jeans, en hun rafeligheid had iets chics.
...

De generatie die dit weekblad opstartte, was dertig, getrouwd en door weinig twijfels beslopen. De waarheid en de wereld hadden nog een vrij vaste indeling. Goed en kwaad waren, vooral aan de hand van het Vietnam-drama, makkelijk te toetsen. Behoorlijke journalisten hadden bijna vanzelf iets 'links' over zich, want 'rechts' was toen niet zeer inventief, slechtbespraakt en saai. We cultiveerden een raar soort onhandigheid en wisten bijvoorbeeld niets van elektriciteit of een motor. De universele totaalmode waarin we ons kleedden, berustte eenzijdig op de jeans, en hun rafeligheid had iets chics. We waren onzorgvuldig met voedsel (te veel vet en gehakt), blind voor de toen nog niet op het pakje gezette gevaren van tabak en evenmin vertrouwd met mineraalwater of gezondheidskaas. We hadden bijna allemaal militaire dienst gedaan (maar ons diploma niet laten bezoedelen door de aanvaarding van officiersstrepen) en beseften slechts vaag dat een normaal mens wat aan sport moet doen. Integendeel, tijdens onze kinder- en schooljaren was het beoefenen van lichaamscultus of zelfs gewoon jongensvoetbal subtiel afgeraden. We aanbaden Le Nouvel Observateur, of Der Spiegel die toen nog echt door Rudolf Augstein werd gemaakt. En al waren we armer dan wie tegenwoordig dertig en redacteur is, toch kochten we nog grote hoeveelheden boeken van Harry Mulisch of (liefst vertaalde) T.S. Eliot. Maar we reden met het openbaar vervoer en leenden dan weer geld bij de bank om een huis te kopen. Met een grote, kritische belangstelling voor structuren (die dan ook hun eigen establishment voorbrachten - god, wat werd dat woord vaak gebruikt), waren we sterk in beslag genomen door zaken die in groep werden ondernomen: het wij-gevoel was bijna vanzelfsprekend, de derde wereld een vervangwoord voor naastenliefde. En om dat alles te bundelen waren er tal van leiders voorhanden. Studentenleiders, kerkleiders of guerrillaleiders. Hun geschriften werden achteloos bestudeerd. We waren blij verbaasd over het moderne gemak waarmee aan family planning kon worden gedaan (dat was toen nog een betoverend perspectief) en leefden volgens de gloednieuwe stelregel dat jaloers zijn op de geliefde, bezitterig en dus belachelijk aandeed. Er werd 's zomers al een klein beetje gereisd, maar niet te lang of te ver. Het groepswonen onder leeftijdsgenoten heette 'in commune leven' en kreeg als exotisch verschijnsel grote om niet te zeggen broeierige aandacht. Politie en gendarmerie waren zeer vanzelfsprekend een repressieve macht, alhoewel in afbouw dankzij de slimme maar kranige contestatie, en onverbloemd tegen de verlangens van de jeugd opgesteld. Toch hadden we nog veel eerbied voor de Staat als bron van rechtvaardigheid, objectiviteit en vaste regels. Helaas had het Belgisch socialisme iets knorrigs, onelegants, Franstaligs en rauw gelijkhebberigs. Politici van het Europese type waren doorgaans grijs aan de slapen en in meer dan één geval generaal: in Parijs, Lissabon, Madrid, Athene... We hadden geen kabeltelevisie en waren over minder dingen degelijk geïnformeerd, maar wel wat dieper want langzamer. Zo, dat was dan de generatie van 1968 waartegen de gebroeders Van Rompuy zich vandaag zo rusteloos afzetten. Na slechts één zevende van een eeuw leeft dit blad in dezelfde wereld, maar met een andere generatie van late twintigers. Wat zou er eigenlijk veranderd zijn? Links is, als intellectueel project, niet meer vanzelfsprekend superieur. Het libertarisme heeft daarentegen een grote, triomfantelijke tocht door Europa achter de rug. En trouwens: is Verhofstadt écht rechts? Is Van Miert wérkelijk links? Le Pen duidelijk niet, maar wat valt te denken over de rest? De jonge mensen zijn nog altijd anti-autoritair en 'prettig informeel' gekleed, ook bij het solliciteren. Hun pacifisme staat buiten kijf, en klitte zelfs samen tot de grootste massademonstratie uit de Belgische geschiedenis. Toch is het samen-doen van dingen of samen-vinden van politieke stellingen niet meer aan de orde van de dag. Vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid worden in volle privacy beleden, beoefend en gedeeld. En er schijnt daar ook een nieuwe religieuze factor onder te sluimeren. De staat is veel van zijn krediet kwijtgeraakt (onder meer vanwege het vervangen van nationale instellingen door Executieven en Bijzondere Machten), maar de jongelui zijn dan weer feller dan vroeger gebrand op hun rechten inzake sociale zekerheid, en ze kennen de reglementering ervan vrij grondig. Van bourgeois-huwelijken hoor je nooit nog wat, terwijl het feminisme op zijn beurt gestold schijnt te zijn tot één meter boekenplank met Hollands-Amerikaanse literatuur en tot een lange lijst politieke benoemingen. Groepswonen is verzakelijkt tot een methode om kosten te sparen, zodat er nog een behoorlijke vakantie afkan of intens doorleefde avondmaaltjes in goedkope droomrestaurantjes. Dissidenten, zowel van Oost als West, genieten een gunstig vooroordeel omdat ze eenzaam zijn, maar in het onderwijs wordt opnieuw gezocht naar een krachtige leraarsvuist die er de Latijnse stamtijden in hamert terwijl ze ook het computerklavier weet te bedienen. Zij die morgen onze maatschappelijke waarden moeten vastleggen en formuleren - de dertigers dus - beginnen er wel degelijk uit te zien als een kruising tussen links en rechts. Tussen handigheid, prima vorming en werkloosheid. Tussen spontaan internationalisme, door toerisme geleerde tolerantie (de café-crème) en lichte afkeer van gastarbeiders. Tussen vrijheidsdrang en overbevolking. Tussen natuur en cadmium in de Noordzee. Tussen Spielberg, stripverhalen en Milan Kundera. Tussen graffiti en tekstverwerker. Tussen psychedelische kunst en discospiegeltjes. Hun voornaamste probleem is waarschijnlijk dat het constateerbare onrecht in België zowel als in Europa te klein is geworden om het aan hoge schandpalen te spijkeren, maar te groot gebleven om er gelukkig bij te worden. Deze generatie houdt de onze echter jong, en verplicht iedereen te verhinderen dat zijn gebeurlijk radicale ideeën een establishment op zichzelf worden.