De zoon van kinderpsychiater Haïke De Vlieger worstelde vanaf zijn eerste leerjaar met ernstige lees- en schrijfproblemen. Jarenlang trok ze elke vrijdag met hem van Brussel naar Brugge voor een uurtje logopedie. Nu zit hij in het zesde leerjaar. 'Een aantal zaken gaat veel beter, maar hij blijft fonetisch schrijven', zegt De Vlieger. 'Nu krijgt hij Frans, en ook dat verloopt bijzonder moeizaam. Omdat hij zijn vraagstukken niet goed kan lezen, heeft hij ook problemen met wiskunde. Hij blijft slecht scoren op zijn toetsen.'
...

De zoon van kinderpsychiater Haïke De Vlieger worstelde vanaf zijn eerste leerjaar met ernstige lees- en schrijfproblemen. Jarenlang trok ze elke vrijdag met hem van Brussel naar Brugge voor een uurtje logopedie. Nu zit hij in het zesde leerjaar. 'Een aantal zaken gaat veel beter, maar hij blijft fonetisch schrijven', zegt De Vlieger. 'Nu krijgt hij Frans, en ook dat verloopt bijzonder moeizaam. Omdat hij zijn vraagstukken niet goed kan lezen, heeft hij ook problemen met wiskunde. Hij blijft slecht scoren op zijn toetsen.' Het belangrijkste is volgens De Vlieger vermijden dat hij gefrustreerd raakt: 'Hoe sneller zo'n kind gefrustreerd raakt, hoe makkelijker hij het zal opgeven. De emotionele impact kan zwaar zijn, ook bij de ouders, die veel stress en druk kunnen ervaren, zeker in het besef dat het probleem nooit weg zal gaan. Het is als ouder ook erg om je kind verdrietig te zien. Mijn wens is vooral dat mijn kind een gezonde volwassene wordt, die kan werken volgens zijn intelligentie, want alle tests wijzen uit dat hij een intelligent kind is. Volgend schooljaar begint hij aan zijn middelbaar onderwijs. We zullen moeten zien hoe dat loopt.' Ongeveer 5 à 10 procent van alle kinderen lijdt aan dyslexie (moeilijk kunnen lezen en spellen), ongeveer 5 procent aan dyscalculie (moeilijk kunnen rekenen). Experts schatten dat er in elke klas gemiddeld twee tot vier kinderen met een min of meer ernstige leerstoornis zitten. Genezen is niet mogelijk. 'De situatie voor zo'n kind zou als uitzichtloos ervaren kunnen worden, maar gelukkig kan er met therapie en met gerichte maatregelen op school veel bereikt worden', zegt logopediste Martine Ceyssens, docente aan de Katholieke Hogeschool Leuven en auteur van de boeken Mijn kind heeft dyslexie en Mijn kind heeft dyscalculie (uitgeverij Lannoo). 'Het is belangrijk dat deze kinderen goed leren omgaan met hun beperking. Ze kunnen door hun schoolloopbaan raken, maar niet zonder inspanning. Meer nog dan bij andere kinderen is herhaling cruciaal.' Essentieel is dat een kind in zijn eigen tempo kan leren, dat de spelling- of rekenregels in kleine stapjes worden aangebracht. 'In de school ligt het tempo voor zo'n kind dikwijls te hoog en hebben leermethodes te weinig structuur, waardoor automatisatie moeilijk wordt', zegt Ceyssens. 'Een kind met dyslexie heeft dan moeite om automatisch klanken aan symbolen te koppelen. In therapie buiten de school kun je dat tempo aanpassen. Maar de zaken thuis herhalen, met de hulp van de ouders, is ook nodig. Met een gestructureerde aanpak is veel mogelijk, maar een aantal zaken krijg je in de klas alleen niet opgelost. Toch is het belangrijk dat de juf en de zorgleerkracht worden ingeschakeld, want twee keer een half uurtje therapie per week is niet genoeg. Als alle betrokkenen samenwerken, is de kans op succes het grootst.' Voor veel ouders is het moeilijk te verwerken dat hun pientere kleutertje er in het eerste leerjaar niets van bakt. Intelligente kinderen zijn dikwijls meer gefrustreerd om hun stoornis dan minder intelligente, omdat ze beseffen dat hun scores niet overeenstemmen met hun capaciteiten. 'Ze moeten daarmee leren omgaan', zegt Ceyssens. 'En ze moeten extra gestimuleerd worden in de vakken waar ze wel goed in zijn. Daarom worden er het best geen spelfouten aangerekend bij toetsen over geschiedenis of wereldonderricht. Want als het probleem niet erkend wordt, kan zo'n kind het gevoel krijgen dat het dom is, en dat is het ergste wat er kan gebeuren. Compenserende maatregelen op school zijn belangrijk, maar vaak hebben kinderen of jongeren het meeste baat bij begrip van hun leerkracht. Een leerkracht Frans of Engels die begrijpt hoeveel inspanningen ze moeten leveren om een vijf op tien te halen, werkt stimulerend.' Ceyssens haalt het voorbeeld aan van het meisje met een ernstige leerstoornis dat er in 2012 in slaagde via de rechtbank een C-attest, dat haar tot zittenblijven dwong, om te laten zetten in een A-attest, waardoor ze wel kon overgaan. De essentie van dat verhaal draaide om gelijke kansen. 'Er bestaat een verdrag van de Verenigde Naties dat zegt dat kinderen met een leerstoornis recht hebben op speciale maatregelen, terwijl dat tot voor kort puur op goodwill van de school berustte', zegt ze. 'Rond dat verdrag is een wettelijk kader met decreet gemaakt, waardoor scholen verplicht zijn redelijke maatregelen te nemen en hun onderwijs te differentiëren per leerling. Maar niet alle scholen zijn zich daarvan bewust.' Kinderen met leerstoornissen blijven ook als volwassene problemen hebben, met autorijden, met muziek maken, met danspassen instuderen. Een gevolg van neurologische problemen in de hersenen, die niet zomaar kunnen worden uitgeveegd. Daarbovenop gaat alles in ons schoolsysteem steeds sneller en moet er steeds meer leerstof worden verwerkt. 'De ouders van kinderen met leerstoornissen hebben in hun jonge jaren dikwijls soortgelijke problemen gekend, maar twintig jaar geleden was de druk op school niet zo hoog als vandaag', meent Ceyssens. 'Het probleem is er dus altijd geweest, maar vandaag wordt het gemakkelijker als een stoornis erkend.' Voor ontwikkelingspsychologe Eva Staels van de VUB slaat de balans echter wat te sterk door in de andere richting, die van de overdiagnose: 'Sommige diagnoses van leerstoornissen nemen haast epidemische vormen aan. Uit de dagelijkse onderwijservaring blijkt dat kinderen die in de klas weinig of niets ongewoons vertonen, toch een etiket van een stoornis opgeplakt kunnen krijgen. Een belangrijke oorzaak daarvan is dat er steeds meer een koppeling wordt gemaakt tussen een diagnose en het recht op specifieke maatregelen. Zeker voor dyslexie en dyscalculie heeft dat geleid tot een jacht op diagnostische labels, vooral op het einde van de basisschool. Kinderen met een ander leerprobleem, zoals wat trager zijn of worstelen met een zwak geheugen, hebben zonder diagnose geen recht op aangepaste ondersteuning.' Volgens Staels dringt de wetenschappelijke kennis over dyslexie en dyscalculie moeilijk door tot de beleidsmakers. 'We weten ondertussen met zekerheid dat dyslectische mensen zonder uitzondering het leesniveau kunnen bereiken dat nodig is om goed te functioneren - als ze maar adequaat onderwijs krijgen. Dat leerproces duurt, net als bij normale lezers, tot hun vijftiende, vaak zelfs tot hun twintigste. Een aangepaste remediëring door een leerkracht is het meest efficiënt om leesproblemen aan te pakken. Cruciaal is dat leerkrachten beseffen dat zij de experts zijn op het vlak van leren lezen of rekenen. Buitenschoolse hulp van paramedici, zoals logopedisten, is maar efficiënt als er intensief wordt samengewerkt met de school. Voor dyscalculie is er minder onderzoek beschikbaar, maar er zijn geen redenen om aan te nemen dat het daar anders zou zijn.' Voor Staels is het essentieel dat de situatie per kind bekeken wordt. Ze is geen groot voorstander van het gebruik van voorleessoftware om de leesstoornis van een kind te compenseren: 'Als je daar te vroeg mee begint, kan het een negatief effect hebben op de leesontwikkeling, omdat een kind dan minder aangezet wordt om zelf te gaan lezen. Een kind moet nu eenmaal zo veel mogelijk oefenen. Het ziet ernaar uit dat het laten horen van nieuwe woorden door middel van software een negatief effect heeft op de mate waarin je die woorden onthoudt. Zelf lezen en blijven lezen is véél belangrijker, en dat gaat gemakkelijker als de leesmotivatie en het leesplezier vergroten als gevolg van begeleiding. Later, in het secundair en hoger onderwijs, kan voorleessoftware wel nuttig zijn om problemen als gevolg van dyslexie te omzeilen.' Stilaan krijgen we zicht op de neurologische afwijkingen die aan de basis liggen van leerstoornissen. De ploeg rond neuropedagoog Bert De Smedt van de KU Leuven bracht begin dit jaar een analyse van het belang van de kwaliteit van de 'witte stof' in de hersenen voor rekenoefeningen. De witte stof verzorgt de verbindingen tussen hersencellen. Hoe efficiënter die verbindingen, hoe makkelijker een kind kan optellen en vermenigvuldigen. 'Dat zijn bewerkingen die sterk steunen op automatisering, op wat je uit het hoofd leert', zegt De Smedt. 'Het lijkt erop dat hier klankstructuren in het spel zijn. Het afdreunen van de maaltafels wordt zo bijna een rijm. Bepaalde berekeningen slaan we dus blijkbaar verbaal op. Voor aftrekken en delen is dat minder relevant, omdat kinderen daar, net als volwassenen, tussenstappen gebruiken. De link met klanken kan verklaren waarom we bij kinderen met dyslexie vaak ook rekenproblemen vaststellen, en bij kinderen met dyscalculie leesproblemen.' De Smedt wijst erop dat de structuur van de netwerken in de hersenen die belangrijk zijn voor die vaardigheden, bij kinderen anders is dan bij volwassenen. De netwerken om te lezen bij kinderen met dyslexie lijken twee of drie jaar 'jonger' te zijn dan het kind zelf. De netwerkstructuur kan wel met therapie worden beïnvloed. Maar ook bij De Smedt luidt de boodschap dat het probleem niet helemaal weg te werken is: 'Het zijn stoornissen waar je je leven lang last van zult ondervinden. Maar je kunt ze goed compenseren. Ik ken een geneeskundestudent met dyslexie die perfect zijn studie afmaakte, maar die hardop leest als een kind uit het derde leerjaar. Voor iemand met dyscalculie in het secundair en hoger onderwijs kan een rekenmachine wonderen doen. We gebruiken ook steeds meer digitale tools om de beperkingen van deze mensen te compenseren.' De Smedt waarschuwt ervoor dat nogal wat privébehandelingen van leerstoornissen pure charlatanerie zijn: 'Het is niet wetenschappelijk bewezen dat zogenaamde brilletjes voor dyslexie of motorische behandelingen als het stimuleren van bijvoorbeeld de rechterhand om de linkerhersenhelft te activeren, functioneel zijn in de behandeling van leerstoornissen. De enige therapie die echt werkt, is degene die focust op lezen, spellen of rekenen. Als er geen expliciete training aan een therapie verbonden is, zal ze hoogstens een klein placebo-effect hebben, omdat een kind het gevoel krijgt dat iemand intens met hem bezig is. Maar ze zal dan niets aan zijn concrete leersituatie veranderen.' Neuropsycholoog Bart Boets van de KU Leuven heeft hetzelfde gevoel: 'Ik zou het nooit aanraden om kinderen met een leerstoornis naar een kinesist te sturen. Voor problemen met lezen, schrijven en rekenen moet je trainen op lezen, schrijven en rekenen. Je moet leren klanken of cijfers automatisch aan symbolen te koppelen. Logopedie kan daar wel nuttig bij zijn. We weten dat leerstoornissen terug te voeren zijn tot structurele problemen in de hersenen, zoals afwijkingen in de bedrading tussen hersenzones, waardoor de functionele samenwerking tussen verschillende zones van de hersenen minder vlot verloopt. We kunnen voor dyslexie heel zuiver aantonen tussen welke regio's het probleem bestaat.' Boets haalde eind vorig jaar het wereldnieuws toen zijn team in het wetenschappelijke topvakblad Science aankondigde dat het had ontdekt dat dyslexie geen gevolg is van het slecht opslaan van klankinformatie in de hersenen, maar wel van het minder goed in staat zijn om de opgeslagen informatie weer op te rakelen: 'Naar analogie met de werking van een computer werd er tot voor kort gedacht dat bij dyslexie de informatie die tijdens de ontwikkeling op de server wordt opgeslagen van lage kwaliteit is. Wij hebben echter aangetoond dat die informatie goed is, maar dat de toegang tot de server te traag verloopt. Dat is een andere situatie, en die vereist een andere aanpak.' Specifiek denken Boets en zijn collega's aan de mogelijkheid om de zwakke connecties in de hersenen van dyslectische mensen met elektrische prikkels te stimuleren. Maar voorlopig is dat iets voor de verre toekomst. Het blijft nog een tijd behelpen met oefenen, oefenen en nog eens oefenen. DOOR DIRK DRAULANSEen kind kan gefrustreerd raken als het merkt dat zijn punten niet overeenstemmen met zijn capaciteiten. 'Sommige diagnoses van leerstoornissen nemen haast epidemische vormen aan.'