Het probleem van de verkeersveiligheid is, alles wel beschouwd, slechts een kwestie van onderlinge afstanden. Als elke weggebruiker genoeg afstand tot elke andere weggebruiker bewaart, loopt niemand gevaar. Meer is niet nodig om de veiligheid te verzekeren. Dat het probleem ingewikkelder en zelfs hopeloos onoplosbaar kan lijken, komt omdat de aandacht afgeleid wordt naar bijkomstigheden die slechts onrechtstreeks verband houden met de veiligheid op de weg.
...

Het probleem van de verkeersveiligheid is, alles wel beschouwd, slechts een kwestie van onderlinge afstanden. Als elke weggebruiker genoeg afstand tot elke andere weggebruiker bewaart, loopt niemand gevaar. Meer is niet nodig om de veiligheid te verzekeren. Dat het probleem ingewikkelder en zelfs hopeloos onoplosbaar kan lijken, komt omdat de aandacht afgeleid wordt naar bijkomstigheden die slechts onrechtstreeks verband houden met de veiligheid op de weg.De snelheid bijvoorbeeld. Op elke weg geldt een snelheidsbeperking. Een constante stroom van aanmaningen, controles en boetes moet de automobilist ertoe aanzetten die niet te overschrijden. Onzinnig is dat natuurlijk niet. Het verbod op onbeperkt hard rijden steunt op de onbetwijfelbare wetenschap dat een te hoge snelheid gevaar met zich meebrengt zowel voor de inzittenden als voor andere weggebruikers. Niemand betwist dit verband, en evenmin de redelijkheid van de opgelegde beperkingen. Toch is het ook duidelijk dat de maatregel niet beoogt de noodzakelijke voorwaarden voor ongevallen weg te nemen, maar enkel de kansen op aanrijdingen te verminderen en vooral de gevolgen bij een eventueel ongeval te verzachten. Snelheid is pas gevaarlijk indien er om een andere reden al gevaar bestaat. Zolang een wagen niet tegen een hindernis aanbotst, kan de snelheid op zichzelf geen schade aanrichten. Een opdoemend obstakel vormt een gevaar, niet de snelheid. Wel is het effect van de snelheid bij een aanrijding erg verraderlijk, want de energie van de botsing neemt toe met de snelheid, en niet volgens een gewoon evenredig verband, maar veel sterker. De botsingsenergie is evenredig - niet met de snelheid - maar met het kwadraat daarvan. Dat betekent dat bij een verdubbeling van de snelheid de energie verviervoudigt, en dat bij een driemaal grotere snelheid negenmaal meer energie vrijkomt. Dat is algauw genoeg energie om de inzittenden niet alleen door elkaar te schudden, maar ook te vermorzelen.Reden genoeg dus om wat gas terug te nemen. Anderzijds is de snelheid zelf het probleem niet, zoals gezegd. Al raast men als een kanonkogel over de wegen, zolang men niets of niemand raakt, is er niets aan de hand. Niemand gaat dood van snelheid alleen, eventueel wel van het plots tot stilstand komen bij aanraking met een niet meebewegend object. Toegegeven, de bewering dat wegpiraterij onschadelijk is zolang de hardrijder zijn afstand tot iedereen bewaart, is een nogal theoretisch standpunt. De praktijk bewijst gewoon dat roekeloos rijden ongevallen veroorzaakt. Maar de theorie kan helpen om in de praktijk de aandacht meer op de ware aard van het probleem te richten en zo geschikter oplossingen te vinden voor een van de vreselijkste plagen die de samenleving teistert. Want wat is een ongeval? Laten we het vraagstuk theoretisch beschouwen. Elk ongeval is een botsing: een aanrijding tussen twee weggebruikers of tussen een weggebruiker en een ander vast of bewegend voorwerp. Zonder een botsing kan van een ongeval geen sprake zijn. En wat is een botsing? Dat is een gebeurtenis waarbij de onderlinge afstand tussen twee objecten nul wordt op een ogenblik dat het verschil in snelheid tussen beide niet nul is. Eenvoudig gezegd: het ene voorwerp raakt het andere met een zekere vaart. Om te kunnen botsen moet dus aan een dubbele voorwaarde voldaan zijn: de afstand moet nul worden en tegelijk mag het snelheidsverschil niet nul zijn. Om de mogelijkheid van botsingen uit te sluiten volstaat het ervoor te zorgen dat ten minste een van beide voorwaarden niet vervuld is. Kan men ervoor zorgen dat alle snelheidsverschillen nul zijn? Vanzelfsprekend, en zeer eenvoudig zelfs, door alle wagens stil te laten staan. Het verkeersprobleem is dan opgelost door het verkeer af te schaffen. Een iets zachtere ingreep om hetzelfde veiligheidsideaal te bereiken is het blokrijden: alle auto's in groep en met constante snelheid in dezelfde richting laten rijden. Maar de mogelijkheden om deze oplossing toe te passen beperken zich tot die momenten van nationale eensgezindheid waarop iedereen hetzelfde wil: allemaal op eenzelfde zalige zondag naar hetzelfde streepje kust bijvoorbeeld.De enige algemene en adequate methode om uit te sluiten dat auto's botsen, is ervoor te zorgen dat de onderlinge afstanden nooit nul worden. Dat kan een evidente conclusie lijken, maar het is een cruciale. De opsteller van het verkeersreglement heeft het ook beseft. Het reglement beveelt immers dat de automobilist steeds voldoende afstand tot elke mogelijke hindernis moet bewaren. Maar dat is slechts één van de vele bepalingen, terwijl het - althans met betrekking tot de verkeersveiligheid - de énige zou kunnen zijn. Bovendien wordt uitgerekend tegen dit voorschrift algemeen en volkomen straffeloos gezondigd. Terwijl snelheidsovertreders regelmatig tegen de lamp vliegen dankzij een systematisch toezicht, controleert niemand de onderlinge afstanden tussen de voertuigen, hoewel dat technisch perfect uitvoerbaar zou zijn. Af en toe worden de chauffeurs er door affiches langs de weg aan herinnerd dat ze de voorligger niet te dicht op de hielen mogen zitten, of verschijnen markeringen op het wegdek met hetzelfde doel, maar deze vrijblijvende suggesties staan in geen enkele verhouding tot de ernst waarmee de verplichting op de maximumsnelheid wordt opgelegd. Al wordt ook die regel op grote schaal overtreden. Op zó grote schaal dat de gewetensvolle automobilist die zich toch aan de opgelegde snelheidslimiet houdt, zelf een gevaar op de weg wordt. In geen tijd plakt tegen zijn achterbumper een driftig opjagend voertuig dat met agressieve lichtflitsen de baan probeert vrij te maken. Als de automobilist die de wet voorbeeldig naleeft er ook in slaagt zijn kalmte te bewaren, en als ze allebei geluk hebben, gebeurt er geen ongeluk omdat de afstand net niet nul wordt. Veilig is de situatie echter pas weer als de achterligger gepasseerd is en de onderlinge afstand weer toeneemt. Tot de volgende aangevlogen komt. Veiligheid is een kwestie van minimumafstanden, veel meer dan van maximumsnelheden. En van een overheid die weet wat ze moet controleren.Gerard Bodifée