Hallucinant: meer dan veertien dagen nadat de regering-Leterme de begroting 2009 rond kreeg, is er nog altijd geen duidelijk overzicht verspreid over hoe die begroting precies in elkaar zit. 'Ik zou ook graag zo'n document zien', zegt Theo Peeters, emeritus professor van de K.U. Leuven, 'maar transparantie is niet het sterkste punt in de Belgische politiek.' De persconferentie na de begrotingsonderhandelingen schiep meer verwarring dan opheldering, in de beleidsverklaring van premier Yves Leterme (CD&V) zaten nauwelijks cijfers. De bedragen die in de pers werden genoemd, zijn vooral bijeengeharkt op informele partijbijeenkomsten, waar geen documenten verspreid werden of gekopieerd mochten worden.
...

Hallucinant: meer dan veertien dagen nadat de regering-Leterme de begroting 2009 rond kreeg, is er nog altijd geen duidelijk overzicht verspreid over hoe die begroting precies in elkaar zit. 'Ik zou ook graag zo'n document zien', zegt Theo Peeters, emeritus professor van de K.U. Leuven, 'maar transparantie is niet het sterkste punt in de Belgische politiek.' De persconferentie na de begrotingsonderhandelingen schiep meer verwarring dan opheldering, in de beleidsverklaring van premier Yves Leterme (CD&V) zaten nauwelijks cijfers. De bedragen die in de pers werden genoemd, zijn vooral bijeengeharkt op informele partijbijeenkomsten, waar geen documenten verspreid werden of gekopieerd mochten worden. Niettemin: 'Op basis van wat nu bekend is, verdient ook de begroting 2009 geen schoonheidsprijs', zegt Peeters. 'Ze is samengesteld volgens het klassieke Belgische recept: men overschat de inkomsten, onderschat de uitgaven en bij een aantal eenmalige maatregelen moeten we grote vraagtekens plaatsen.' Nauwelijks één dag na de regeringsverklaring werd al gezegd dat er dringend een begrotingscontrole moest komen. Dat verbaast Peeters niet: 'Als de regering zegt dat we nu in de zwaarste financiële crisis van de voorbije honderd jaar zitten, maar ze voorziet tegelijkertijd niets voor de stijgende werkloosheid en dalende economische groei, kan het niet anders dan dat er heel veel moet worden bijgestuurd.' THEO PEETERS: En daar gelooft niemand nog in. Het zou de regering gesierd hebben mocht ze de opstelling van de begroting anders aangepakt hebben. Je gaat beter uit van onze gemiddelde economische groei op lange termijn, en die bedraagt 2 procent. Op basis daarvan stel je een begroting op, zonder eenmalige maatregelen. Dan wordt duidelijk hoe we er echt voor staan. Vervolgens kijk je naar de echte groeiverwachtingen, en ik denk dat we voor 2009 rekening moeten houden met een nulgroei. Dan becijfer je de inspanningen die je moet leveren om een begroting in evenwicht te halen, of zelfs een overschot om de aankomende vergrijzingskosten op te vangen. En dan maak je keuzes: fietsen we dat gat dicht, en zo ja: hoe doen we dat? Zo'n aanpak is veel duidelijker. Maar in België wordt de realiteit altijd verdoezeld, om dan plots te kunnen roepen dat men een begroting in evenwicht heeft. Dat klinkt goed, maar structureel stelt dat niet veel voor. PEETERS: Ja, en het is zelfs contraproductief. De regering had in de huidige crisisperiode haar evenwichtsdoelstelling moeten laten varen. Als het slecht gaat, mag de overheid meer uitgeven, maar als het goed gaat, moet ze ook de overschotten opzijleggen voor slechtere tijden. Dat vergeten we dan natuurlijk. De voorbije jaren ging het economisch goed, en volgens de toenmalige regeringen bereikten we altijd een begrotingsevenwicht, terwijl we sinds 2002 eigenlijk een overschot hadden moeten boeken om de vergrijzingskosten op te vangen. Maar nee, men was al tevreden met een evenwicht. En nu blijkt uit ernstige berekeningen dat zelfs dat evenwicht niet bereikt werd. Maar men heeft dat wel altijd beweerd en men zal dat ook blijven beweren. Dat is het verschil tussen politieke begrotingsdiscussies en de economisch-financiële begrotingsrealiteit. PEETERS: Ze moet niet zomaar meer geld uitgeven, ze moet doordacht investeren en zo de economie weer aanwakkeren. Ze moet niet alleen investeren in klassieke zaken als openbare werken, maar vooral in Onderzoek en Ontwikkeling, innovatie, opleiding, onderwijs... Dat zijn investeringen in de toekomst, dat zijn uitgaven die later iets opbrengen. Maar de regering lijkt dit soort investeringen veeleer af te remmen en de consumptie-uitgaven te verhogen. PEETERS: Ja, ze haalt eerst het geld bij de burgers via het zogenaamde cliquetsysteem, dat eigenlijk een accijnsverhoging op benzine en diesel is, en via de taks op vliegtuigreizen. En dan geeft ze dat geld terug aan de burgers, zodat ze kan zeggen dat ze toch iets gedaan heeft voor de koopkracht. PEETERS: Dat je de koopkracht wilt beschermen, kan ik begrijpen. Ik dacht dat we daarvoor een automatisch systeem hadden: de index. Maar méér koopkracht eisen op een moment dat er een grote crisis heerst, is onverantwoord. Tijdens diepe crisissen moet je eerst en vooral de mensen aan het werk houden, niet degenen die aan het werk zijn of een vervangingsinkomen hebben nog wat meer geven. Dat is toch wat we uit de jaren zeventig geleerd hebben, toen de groeiende groep werklozen opdraaide voor de crisis. PEETERS: Dat is misplaatst en getuigt van een totaal gebrek aan inzicht. Die banken moesten gered worden om erger onheil te voorkomen. Bovendien is het geld dat in financiële instellingen als Fortis, Dexia en Ethias gestoken werd een investering: de overheid heeft daar aandelen voor in de plaats gekregen. Ik denk dat het goed mogelijk is dat die in de toekomst zelfs meer waard worden en dus geld zullen opleveren voor de overheid. Maar als we de koopkracht verhogen, gaat het om consumptie: de burger krijgt meer geld om uit te geven, maar dat geld is dan ook weg. PEETERS: En dat is zeker niet weinig. Bij sommige eenmalige maatregelen kun je grote vraagtekens plaatsen, en in tegenstelling tot wat de regering zegt, brengen ze wél toekomstige verplichtingen mee. Een voorbeeld: de overheid stelt zich garant voor de onderlinge kredietverlening van banken. Dat is zeker goed te verantwoorden, want het moet helpen het vertrouwen tussen de banken te herstellen. Maar de 600 miljoen euro die de overheid daarvoor van de banken ontvangt, boekt de regering als inkomsten. De regering gebruikt dus de kredietcrisis om extra inkomsten te genereren. Voeg er de 300 miljoen extra van de Nationale Bank bij, en je kunt zelfs zeggen dat de begroting in evenwicht is dankzij de financiële crisis! Maar de handelswijze van de regering is economisch niet correct, ook al gebeurt het volgens de boekhoudkundige overheidsregels. Die 600 miljoen is eigenlijk een verzekeringspremie die de banken betalen aan de overheid, want de overheid heeft zich garant gesteld. Als er morgen iets foutloopt, moet de overheid met geld over de brug komen. En als men vandaag zegt dat we de grootste crisis in honderd jaar beleven, is het risico op schadegevallen groter dan ooit. En als er iets gebeurt, zal de overheid met die 600 miljoen niet toekomen. Kortom, die 600 miljoen euro mag je niet als inkomsten boeken, je moet die opzijzetten als reserve voor als er zich een schadegeval voordoet. Als een verzekeringsmaatschappij vandaag hetzelfde doet als de regering, en haar premies inschrijft op de winst- en verliesrekening, dan wordt vanavond nog haar vergunning ingetrokken. En terecht. PEETERS: Op basis van de huidige Bijzondere Financieringswet geeft de fede-rale overheid eerst te veel geld aan de gewesten en gemeenschappen, om er daarna met de nodige dwang voor te pleiten dat men die middelen niet zou uitgeven. Dat is een voorbeeld bij uitstek van de-responsabilisering en het ondoelmatig inzetten van middelen. Het onderstreept het failliet van de huidige Financieringswet, met zijn dotaties voor gewesten en gemeenschappen. Het is duidelijk dat die Financieringswet grondig moet worden hervormd als we financieel willen overleven, zoals ik samen met collega-professoren Koen Algoed en Dirk Heremans in een nieuwe studie aantoonde. OP BLZ. 38 VAN DEZE KNACK VINDT U EEN INTERVIEW MET DE PROFESSOREN KOEN ALGOED EN DIRK HEREMANS. DOOR EWALD PIRONET