Bij het televisieweekblad Humo, zo bleek een paar weken geleden in dat blad, werkt een redacteur die niet weet wat het Egmontpact is geweest. Niet erg, er bestaan handboeken om dat in op te zoeken. Maar niet alleen vond deze journalist het niet erg om het begrip niet te kennen, hij ging er kennelijk van uit dat hij dat ook niet hoefde, dat het ging om een curiositeit, een trivial pursuit-achtig weetje. De confrontatie met het begrip ontlokte hem alleen een modieus popcultuurachtig 'Huh?' - hij ging het dus ook niet opzoeken, maar belde iemand op aan wie hij het kon vragen. (De enige reden waarom het pact deze journalist toch eventjes interesseerde, was omdat het aan de orde kwam in een tv-reeks.)
...

Bij het televisieweekblad Humo, zo bleek een paar weken geleden in dat blad, werkt een redacteur die niet weet wat het Egmontpact is geweest. Niet erg, er bestaan handboeken om dat in op te zoeken. Maar niet alleen vond deze journalist het niet erg om het begrip niet te kennen, hij ging er kennelijk van uit dat hij dat ook niet hoefde, dat het ging om een curiositeit, een trivial pursuit-achtig weetje. De confrontatie met het begrip ontlokte hem alleen een modieus popcultuurachtig 'Huh?' - hij ging het dus ook niet opzoeken, maar belde iemand op aan wie hij het kon vragen. (De enige reden waarom het pact deze journalist toch eventjes interesseerde, was omdat het aan de orde kwam in een tv-reeks.) Als deze journalist als norm mag gelden, dan reikt het actieve collectieve geheugen hooguit een jaar of twintig in het verleden terug. Het Egmontpact is namelijk een politiek akkoord dat de Belgische actualiteit van iets eerder beheerste, de late jaren zeventig. Van dat akkoord kwam niets terecht, toch niet als zodanig. Mag het daarom maar zonder meer 'vergeten' worden, als ballast van de geschiedenis? Toch is het vandaag nog altijd van belang, al was het maar omdat het aanleiding gaf tot de oprichting van het Vlaams Blok. De beroering errond heeft ook een paar geijkte uitdrukkingen opgeleverd, zoals 'de karwats erop leggen' (dixit toenmalig VU-voorzitter Hugo Schiltz die wou dat het parlement het pact met spoed zou goedkeuren) of 'ik ga naar de koning' en 'de grondwet is geen vodje papier', twee oneliners uit een kwaaie toespraak van toenmalig premier Leo Tindemans (CVP). Het komt wel vaker voor, meer bepaald dat het historisch besef beperkt blijft tot de leeftijd van de bezitter ervan. De rest is dan 'van voor mijn tijd' en bijgevolg onbelangrijk. De relevant geachte geschiedenis, de feiten die worden verondersteld om nuttig en 'goed om te weten' te zijn, blijven daardoor beperkt tot de persoonlijke ervaring. Die individualistische referentie is niet ongewoon. Ze past vooral in de postmoderniteit, die onder meer steunt op een besef van relativiteit van waarden en meer is geïnteresseerd in de wordende dan in de gegroeide wereld.EEN MENING OVER DE OORLOGHet postmoderne tijdsgewricht verkiest de breedte van het nu boven de diepte van de tijd. Het laat het nevenschikkende primeren op het hiërarchische, het digitale op het seriële en het analoge. Het oneindig grote aantal associërende doorklikmogelijkheden van het internet staat er model voor. De Franse filosoof Régis Debray vertaalde dat ooit in pathologische termen. Zijn tijd, die van de '68'ers, omschreef hij als paranoïde: de kritische geest van toen ging ervan uit dat hij nooit genoeg kon weten over wat er was gebeurd en dat hem over het verleden zelfs vanalles verborgen werd gehouden. De hedendaagse denktrant vergeleek hij met de schizofrenie: alle kennis lijkt bereikbaar, maar ligt versnipperd over allerlei gefragmenteerde en geïsoleerde weetjes en bronnen. Hoe dan ook is de door het eigen bestaan afgebakende, en dus egocentrische historische visie allerminst onschuldig. Ze inspireerde Vlaams-Blokvoorzitter Frank Vanhecke ertoe om in het schandaal rond ex-senator Roeland Raes, die de systematiek van de holocaust had ontkend, te beweren dat hij in 1959 was geboren en dus geen mening hoefde te hebben over de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij wendde voor dat dit louter een zaak voor historici was, voor mensen die daarvoor toevallig interesse zouden hebben, als het ware bij wijze van hobby. De dwang tot feitenkennis is doorgaans niet erg populair. In het onderwijs wordt geschiedenis algauw vervelend bevonden. Al hebben feiten in de geschiedenis hetzelfde belang als bijvoorbeeld de naamvallen bij het aanleren van een vreemde taal: ze ordenen en geven betekenis en wie ze niet kent, brengt er in het vak niet veel van terecht. Feitenkennis volstaat echter niet; er kan pas sprake zijn van een historisch besef wanneer de feiten in de tijd verankerd liggen - en daar lijkt het wel eens fout mee te lopen. De vele onderwijshervormingen van de jaren zeventig en tachtig, vooral in de secundaire scholen, zijn niet altijd even bevorderlijk geweest voor het geschiedenisonderricht. Sommige projectmatige benaderingen hebben misschien de zelfredzaamheid of de kritische zin van de leerling bevorderd, ze droegen niet altijd bij tot een goed inzicht in het historische verloop, dat in essentie een chronologisch verloop is. Historische data en gebeurtenissen kunnen altijd in boeken worden opgezocht - maar wie ze niet bij benadering in de tijd kan situeren, kan wel eindeloos blijven zoeken. Een enquête onder jongeren reveleerde dat enkele jaren geleden in zijn volle scherpte; de meeste ondervraagden wisten behoorlijk goed wat voor iemand Hitler is geweest, maar minder dan de helft kende het antwoord op de vraag wie aan de macht was in het Duitsland van 1944. 'Hitler' was blijkbaar een begrip dat in een chronologisch vacuüm zweefde en niet in de tijd was verankerd, ja, het kon bestaan zonder een geschiedenis of context te hebben. Hoogleraren in de geschiedenis stellen vandaag bij hun studenten een verschijnsel vast dat wel eens 'Napoleon' wordt genoemd. Het betekent concreet dat jongeren moeite hebben om historische verschijnselen van pakweg vóór de negentiende eeuw, vóór Napoleon dus, correct in hun chronologische kader te situeren. Alsof de IJzertijd of de Middeleeuwen of het Romeinse Rijk in een chronologisch onbepaalde en zelfs indifferente ruimte hangen.DE CANON BESTAATDe behoefte aan een goed inzicht in het tijdsverloop heeft de tijdbalk, die decennialang zoveel klasjes in de lagere school opsierde in de vorm van lange stroken papier hoog tegen de muur, gerevaloriseerd. Toch in Nederland, waar een officiële commissie, voorgezeten door de hoogleraar Piet de Rooy, een nieuw opzet voor het geschiedenisonderwijs presenteerde. Het laat de chronologie duidelijk op de feiten primeren. Om ze inzichtelijker te maken en te verfijnen, kreeg de klassieke opdeling van de (westerse) geschiedenis een nieuwe structuur, met voor elke periode - sign o' the times - een eigen icoontje: de logo's van de geschiedenis. De nieuwe namen in deze periodisering klinken een beetje koddig: het gaat telkens om een 'tijd van', waarna een karakterisering volgt, die de zaak een beetje concreet moet maken. Niet langer is sprake van de prehistorie (een tijdvak gekenmerkt door de afwezigheid van geschreven bronnen), wel van de 'tijd van jagers en boeren'. Logo: een pot. De huidige tijd, die sinds de Tweede Wereldoorlog, heet voortaan de 'tijd van de televisie en de computer'. Logo: een raket. De namen geven, vreemd genoeg, niet zozeer het kenmerkende, maar wel het nieuwe van de desbetreffende periode aan. En dat kan wel eens wat verwarrend uitvallen; bijvoorbeeld in de 'tijd van steden en staten' (voorheen de late Middeleeuwen) waren steden en zeker staten misschien niet meer marginaal maar toch nog volop in vorming. Dat het laatste millennium in het voorstel-De Rooy goed is voor zes van de tien afgelijnde historische periodes - één van vijfhonderd jaar, drie van een eeuw en twee van vijftig jaar - geeft wel een beeld van de versnelling in de voortgang van de tijd, maar fragmenteert het tijdsverloop dan weer. Waar een - toegegeven, abstracte - term als Nieuwe Tijden een welafgebakend geheel vormde, waarin onder meer de Renaissance, de ontdekkingsreizen en de Verlichting hun plaats kregen, is dat nu uiteengevallen in tijden van ontdekkers en hervormers, regenten en vorsten en pruiken (!) en revoluties. Het aflijnen en benoemen van tijdvakken, zoals de commissie-De Rooy voorstelt, houdt evenwel vooral in dat in het tijdsverloop een samenhang en betekenis wordt gesuggereerd. Elke periodisering veronderstelt niet alleen de kennis van specifieke data en feiten, al was het maar om de diverse periodes te kunnen aflijnen, ze impliceert vooral dat er wel degelijk een canon van verplicht te kennen feiten bestaat, dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen wat belangrijk is geweest en wat niet. En dat is ongewoon in een relativistische tijd.Marc Reynebeau