De steenkoolmijn van Le Grand-Hornu in het Borinagebekken mag dan al een eeuwigheid zijn dichtgegooid, het MACS-museum dat er later werd ingeplant doet regelmatig de herinnering opflakkeren aan zijn industriële voorgeschiedenis in het hart van het zwarte land. Altijd in bedekte termen, met de middelen van de hedendaagse kunst. Met een tentoonstelling over de duurzaamheid van ruïnes scheert het MACS rakelings naast de restanten van zijn oorspronkelijke architectuur. De bewaarde bakstenen buitenmuren blijven hier en daar zicht- en vooral voelbaar vanuit de nieuwe ruimten.
...

De steenkoolmijn van Le Grand-Hornu in het Borinagebekken mag dan al een eeuwigheid zijn dichtgegooid, het MACS-museum dat er later werd ingeplant doet regelmatig de herinnering opflakkeren aan zijn industriële voorgeschiedenis in het hart van het zwarte land. Altijd in bedekte termen, met de middelen van de hedendaagse kunst. Met een tentoonstelling over de duurzaamheid van ruïnes scheert het MACS rakelings naast de restanten van zijn oorspronkelijke architectuur. De bewaarde bakstenen buitenmuren blijven hier en daar zicht- en vooral voelbaar vanuit de nieuwe ruimten. De titel van de expo, ontleend aan een gedicht van Bertolt Brecht, Über die Bauart langdauernder Werke, geeft aan dat men evenals de Duitse schrijver gelooft dat bouw-, kunst- en andere menselijke werken niet vervallen zolang men er blijft naar omkijken. Zeker, ze verouderen, raken in onbruik omdat hun functie wegvalt en zijn zelfs de instorting nabij wanneer men er geen nieuwe bestemming aan kan geven. Indien de mensen van het MACS hun site ooit met de grond gelijk hadden gemaakt, dan waren ze niet alleen een zichtbaar gedeelte van hun collectieve geheugen kwijt maar ook de kans om de esthetische kwaliteiten van het neoklassieke complex in zijn hoedanigheid van ruïne te herwaarderen. Ruïnes bezitten een eigen schoonheid, en een toekomst vol nieuwe mogelijkheden - zoals de muur die op de klimop wacht. In de eerste van twee identieke zalen, ooit de machineruimten van de mijn, wachten honderden aan een muur genagelde postkaarten op duizenden andere, totdat al de muren ermee gevuld zijn: de nog gapende lege ruimte is door kunstenaar-verzamelaar Oriol Vilanova meticuleus bezet met een raster van punaises. Hun strakke formatie en goudgele glans op de witte wanden geeft de zaal een vorstelijk cachet. Dit is een mausoleum voor de universele ruïne, zoals de afbeeldingen op de postkaarten te zien geven: archeologische sites wisselen af met restanten van door oorlog vernielde bouwwerken en vormen samen een indrukwekkende mozaïek. Bedoeld als een eenheid van verscheidene vues imaginaires, werden alle kaartjes in verticale stand opgehangen, wat een bijna abstract totaalbeeld met komische kantjes oplevert. Een enkel kunstwerk, bijna in de vorm van een liggend streepje, vormt een geestige verbinding tussen de grote tweelingzalen. In een open schrijntje ligt een handgreep van een afgedankte koelkast als een soort toekomstig archeologisch artefact (RH2). Keurig opgebaard ziet dit object uit polyethyleen, aluminium en roestvrij staal er niet meteen uit als een relict van de consumptiemaatschappij, wat het nochtans is. Daniel Turner vond het op een stortplaats en veegde de zichtbare vingersporen niet uit voor hij het exposeerde. Zoals Vilanova wellicht een nostalgische keuze maakte voor de aftandse postkaart in plaats van het digitale beeld, zo maakt Fiona Tan in haar zaal een pertinente afweging tussen twee manieren om de resterende muren, kolommen en booggewelven in Le Grand-Hornu te filmen (Ruins). Gecapteerd met de super-16mm-camera geven de rode stenen door de gevoeligheid, het stoffelijke en de slijtagesporen van het celluloid gewillig hun sfeer van romantische ruïne vrij. Parallel gefilmd met de digitale camera voor high-definition video lijken het eerder klinische, haarscherpe registraties van tijdloze artefacten. Het povere resultaat deed Fiona Tan daarom niet minder hopen dat ze ooit met numerieke middelen dezelfde warmte vindt die ze nu alleen op ouderwetse wijze kon opwekken om een ruïne te laten schitteren. Dat is misschien een droom te veel.