Kunstenaars die de sociale spanningen in het roerige Gent wilden ontvluchten, konden te voet een ongerept dorp aan de Leie bereiken. Van 1900 tot 1904 deelde het broederpaar Van de Woestyne in Sint-Martens-Latem een huisje met de schilder en drukker Julius De Praetere. Ze leefden er in kloosterlijke eenvoud. Karel, de oudste, vond er de innerlijke rust om te schrijven en te dichten. Gustave had enige moeite om zijn draai te vinden, maar had aan de boeren, de Leiezichten en de Bijbel toch voldoende motieven voor zijn eerste volwaardige schilderijen. Hij trok zich op aan oudere vakgenoten als Valerius De Saedeleer en George Minne, die zich al eerder in de buurt hadden gevestigd. Hun spirituele, mystieke bevlogenheid maakte indruk op hem.
...

Kunstenaars die de sociale spanningen in het roerige Gent wilden ontvluchten, konden te voet een ongerept dorp aan de Leie bereiken. Van 1900 tot 1904 deelde het broederpaar Van de Woestyne in Sint-Martens-Latem een huisje met de schilder en drukker Julius De Praetere. Ze leefden er in kloosterlijke eenvoud. Karel, de oudste, vond er de innerlijke rust om te schrijven en te dichten. Gustave had enige moeite om zijn draai te vinden, maar had aan de boeren, de Leiezichten en de Bijbel toch voldoende motieven voor zijn eerste volwaardige schilderijen. Hij trok zich op aan oudere vakgenoten als Valerius De Saedeleer en George Minne, die zich al eerder in de buurt hadden gevestigd. Hun spirituele, mystieke bevlogenheid maakte indruk op hem. Gustave zag een weg in een eigentijdse, symbolistische kunst waarvan de diepe bron ergens in de late middeleeuwen lag, in het Italië van het quattrocento en het Vlaanderen van Jan van Eyck en Hans Memling. Zijn bezoek aan de grote overzichtstentoonstelling Les Primitifs flamands et l'art ancien (Brugge 1902) gaf de toon aan voor zijn eigen Latemse portretten, waarvan het Museum voor Schone Kunsten in Gent er enkele in zijn verzameling heeft: dat van zijn echtgenote Prudence De Schepper, van een boerinnetje en van een mijmerende boer in het avondlicht - gezien op de wijze van Memling. Wijze, serene gezichten, verzonken blikken, gedempte kleuren. Boer Deeske, ten voeten uit en met de handen in de zakken, heeft meer kleur dan de anderen en ook een andere blik: verbaasd, misschien enigszins wantrouwig zelfs. Het portret is een recente aanwinst, en voor het MSK een van de redenen om de eigen collectie werken van Van de Woestyne eens te showen. De Eerste Wereldoorlog deed Gustave en zijn gezin naar Wales en Engeland verkassen waar hij, allicht vooral om den brode, portretten in opdracht schilderde. Het ging hem zo goed dat hij bijna voor de verleiding bezweek om niet meer naar Vlaanderen terug te keren. Toen hij dat toch deed, vond hij een nieuw elan in diverse genres. Het MSK bezit enkele wonderlijke stillevens uit de jaren twintig, een Balkon met cineraria's, een Stilleven met kruiskruid en een Stilleven met wereldbol. Met hun strakke lijn verraden ze een verwantschap met de Duitse nieuwe zakelijkheid, ontstaan in het klimaat van ontnuchtering na de oorlog. Enkele kleine, zelden of nooit getoonde aquarellen ademen dan weer de dromerige sfeer van middeleeuwse verluchte handschriften: we zien drie engelen, blazend op een schalmei; een rotseiland met een vaandel in het midden van een meer; een eenzame soldaat, wijdbeens op wacht bij een boom, verheven boven de schoven. Niet ongevoelig voor de heersende trend van het postkubisme, dat de poorten naar Parijs opende, verknipte de schilder Vlaams-expressionistische motieven in een kubistische vlakverdeling. In dat register verwierf het MSK het onvolprezen meesterwerk Fuga. De poorten van de lichtstad bleven gesloten, maar Van de Woestyne trok zich daar kennelijk weinig of niets van aan en legde zich almaar meer toe op een wereldvreemde, monumentale en streng religieuze kunst. In een lichtere toon lukten hem pareltjes als het tere fresco Gastvrijheid voor vreemdelingen (1920), bepaald uitnodigend aangebracht op een muur bij de voordeur van zijn Rozenhuis in Waregem, later getransfereerd op polyester en in 1969 via een schenking beland in het MSK. Een merkwaardig werkje, niet alleen omdat het doet denken aan de Marskramer (of De verloren zoon) van Jheronimus Bosch, maar ook omdat kwatongen durfden te getuigen dat Gustave Van de Woestyne zelf meestal liever niet thuis gaf.