Uit Zwitsers galeriebezit ontleende Museum De Reede 48 prenten voor een tentoonstelling die mooi aansluit bij zijn vaste collectie grafisch werk van Goya, Rops en vooral Edvard Munch (1863-1944). De Noor met de gekwetste ziel mag zeker gelden als een rechtstreekse wegbereider van de expressionistische kunst die vier jonge studenten in de bouwkunde aan de Technische Hogeschool van Dresden in 1905 samenbracht om in groep aan te treden onder de naam Die Brücke.
...

Uit Zwitsers galeriebezit ontleende Museum De Reede 48 prenten voor een tentoonstelling die mooi aansluit bij zijn vaste collectie grafisch werk van Goya, Rops en vooral Edvard Munch (1863-1944). De Noor met de gekwetste ziel mag zeker gelden als een rechtstreekse wegbereider van de expressionistische kunst die vier jonge studenten in de bouwkunde aan de Technische Hogeschool van Dresden in 1905 samenbracht om in groep aan te treden onder de naam Die Brücke. Ernst-Ludwig Kirchner, Fritz Bleyl, Erich Heckel en Karl Schmidt-Rottluff wilden een nieuwe toekomst banen voor de kunst en het leven door een 'brug' te slaan naar een grote, verzonken Duitse traditie uit het begin van de zestiende eeuw, belichaamd door Albrecht Dürer. In zijn spoor wilden ze het wezenlijke van de mens uitdrukken, zoals hij dat wellicht het scherpst had geformuleerd in pregnante tekeningen en houtsneden. Dürers onverbloemde zelfportret als bijna-vijftigjarige, naakt poserend voor een kleine spiegel, is de onzichtbare aanwezige in de Brücke-opstelling in De Reede. Van de vier stichters verkoos Bleyl snel de zekerheid van een burgerlijk bestaan boven de bohème van de anderen. Hij viel ertussenuit, niet zonder een duidelijk spoor te hebben nagelaten als ontwerper van de gecensureerde affiche voor de eerste Die Brücke-groepstentoonstelling in 1906, een oranje litho met het silhouet van een naakt pubermeisje, genaamd Isabelle. Deze prent zou niet hebben misstaan naast de scherp gesneden naakten van de anderen, hun indringende portretten, kernachtig geschetste stoeitaferelen in de vrije natuur en scènes uit het stadsleven die in De Reede worden getoond. Uit enkele prenten van Heckel, Kirchner en Schmidt-Rottluff blijkt ook dat de Eerste Wereldoorlog aan hun botten vrat. Tot de groep - die van Dresden naar het kosmopolitische Berlijn verhuisde en al in 1913 ophield te bestaan - traden nauwe geest- en stijlverwanten toe zoals Otto Müller en Max Pechstein, en heel even ook een vreemde eend, Emil Nolde. Ze zijn eveneens in de tentoonstelling opgenomen met enig grafisch werk, daterend van hun Die Brücke-tijd en later. Kirchner evenwel domineert De Reede doorheen prenten die zijn lange en intense betrokkenheid met de drukkunst weerspiegelen: van het vroege werk dat nog sporen bevat van de decoratieve Jugendstil ( Die Sehnsucht,1905) tot de grote gekleurde houtgravure die in de sensueel buigende figuurlijnen aan Picasso doet denken ( Drie naakten in het bos, 1933). Recht uit de Die Brücke-tijd stamt Kirchners goddelijke litho Drie naakten in het water (1910) met niets dan de simpele contouren van een gelukzalig stoeiend trio, gevat in de breed golvende omtreklijn van het natuurbad, inktzwart en smeuïg als kwam de prent vers van de drukpers. Ze dankt haar frisheid goeddeels aan het feit dat Kirchner voor een kleine oplage koos en eigenhandig de drukrol hanteerde. Zijn kompanen behandelden hun litho's en houtsneden meestal met dezelfde ambachtelijke zorgvuldigheid, wat niet weinig bijdraagt tot de uitstekende staat waarin ze zich nog bevinden. Emil Nolde valt als graficus uit de toon, als was zijn lidmaatschap van de Die Brücke louter een ongelukkig toeval. Zo contrastrijk, scherp gesneden, expressief en spontaan als de vitale figuren in het werk van de anderen, zo schimmig, vaal en beverig de spookachtige personages in de etsen van zijn hand, hoewel ze het in hun duistere schijnwereld best naar hun zin lijken te hebben. Noldes kunst werd net als die van de andere Die Brücke-kunstenaars in de nazitijd 'ontaard' verklaard, maar als sympathisant van het regime bleven de naarste gevolgen hem bespaard.