Kunstenaar is men voor het leven, zouden we denken. Het cliché leidt een taai leven, en daar zal deze kleine expo, ingericht door Lode Geens onder het dak van het M HKA, weinig aan veranderen. Nochtans, hij toont sprekende voorbeelden van kunstenaars die het op een bepaald moment om uiteenlopende redenen voor bekeken hebben gehouden. Een ongehoorde reden voor die beroepsklasse om te stoppen is het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. En kijk, we krijgen een televisiefragment waarin Panamarenko op zijn vijfenzestigste, bij de opening van zijn overzichtstentoonstelling, fijntjes glimlachend verklaart: 'Ik wil iets anders gaan doen. Naar de sterren zien, bijvoorbeeld.'
...

Kunstenaar is men voor het leven, zouden we denken. Het cliché leidt een taai leven, en daar zal deze kleine expo, ingericht door Lode Geens onder het dak van het M HKA, weinig aan veranderen. Nochtans, hij toont sprekende voorbeelden van kunstenaars die het op een bepaald moment om uiteenlopende redenen voor bekeken hebben gehouden. Een ongehoorde reden voor die beroepsklasse om te stoppen is het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. En kijk, we krijgen een televisiefragment waarin Panamarenko op zijn vijfenzestigste, bij de opening van zijn overzichtstentoonstelling, fijntjes glimlachend verklaart: 'Ik wil iets anders gaan doen. Naar de sterren zien, bijvoorbeeld.' Hij heeft genoeg speelgoed gemaakt, vindt hij. Ruim een halve eeuw geleden bleef de academische kunst blind voor 'de eerste spoetniks, transistoren of kleurentelevisies', voor 'het doorbreken van de geluidsmuur', terwijl hijzelf toen ook al ingenieuze tuigen in elkaar zette. Dat zijn duikboot Nova Zemblaya niet zoals gepland naar Spitsbergen voer, wijt de kunstenaar niet aan enig technisch mankement: 'Er is iets tussengekomen. Ik vond geen bemanning.' Dat verklaart waarom we zoiets veeleer een product van de verbeelding noemen dan een zuiver staaltje van ingenieursvernuft. De notie 'mislukking' heeft creatieve geesten al vaker bevleugeld. Bas Jan Ader (1942-1975) maakte van het falen zelfs het hart van zijn flegmatieke kunst, zozeer dat hij bij zijn ultieme performance, een onmogelijke overtocht van de Atlantische Oceaan met een zeilbootje, onder de golven verdween en nooit werd teruggevonden. Tevoren had hij zich geoefend in filmpjes waarin hij met de fiets een Amsterdamse gracht in reed of aan een boom bengelde en in de sloot belandde. Deze expo vertoont Aders Tea Party (1972). Zijn piekfijn uitgedoste personage beweegt zich kruipend door het bos naar de plek waar het toebehoren voor een theepauze klaarstaat. Bij het eerste nippen klapt de val boven hem dicht, een tafereel dat doet denken aan het Winterlandschap met schaatsers en vogelknip van Pieter Bruegel in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België. Onvrede met de kunstwereld is eveneens een trigger om er de brui aan te geven, soms na een heroïsch gevecht om de integriteit van het werk te bewaren. Voor Cady Noland, die in kille metalen sculpturen (zoals hier in Awning Blanks) geweld en intolerantie in de Amerikaanse maatschappij aankaartte, was een lichte beschadiging van een van haar werken een reden om het niet langer als eigenhandig te erkennen, zodat de bezitter met een financiële kater zat. Noland stelde nog zelden tentoon. Haar landgenote Laurie Parsons debuteerde in onschuld met het zorgvuldige selecteren, bewerken en exposeren van de meest alledaagse voorwerpen. Toen een verzamelaar ze in één keer allemaal opkocht, voelde ze zich de gevangene van de commercie en wijdde zich voortaan aan haar eerste roeping, maatschappelijk werk. Uit een handgeschreven dagboekfragment leiden we af dat ze schrijven verkiest boven kunst maken. Er dan zijn er degenen die doen geloven dat ze boven of buiten de kunst staan, wellicht om haar te behoeden voor gemakzucht. Jef Geys of zijn voorganger Marcel Duchamp zette de kijker consequent op het verkeerde been. Op deze expo: een van de vele vermommingsportretten van Duchamp (door Man Ray) en de fameuze brief van Geys uit 1970 waarin hij de minister van Cultuur officieel vraagt om hem in staat te stellen het Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen op te blazen, samen met zijn eigen geplande tentoonstelling. Dat om zijn drang naar het vernietigen van de vermolmde cultuur en haar instellingen te bevredigen op de wijze van een 'plastisch' kunstenaar (sic).