Speurend naar de reden waarom zijn sculpturen, schaalmodellen en tekeningen tot nu toe voor mij een gesloten boek bleven, stel ik vast dat Isidoor Goddeeris (°1953) zich nooit veel gelegen liet liggen aan een overal en altijd herkenbare stijl en thematiek. Zelfs Ingebeeld, de weelderige monografie die nu over hem verscheen (FaBfoundation), geeft een mens weinig houvast. Ik wed dat de kunstenaar zijn fotograaf, Marc De Brée, volkomen de vrije hand gaf in de weergave van zijn werken, want het werden best impressionante fotografische impressies van ranke bouwkundige constructies (schaalmodellen eigenlijk), monumentale en intieme sculpturen, gevoelige naakttekeningen en een atelier als de loods van een verzamelaar van stukken en brokken, een...

Speurend naar de reden waarom zijn sculpturen, schaalmodellen en tekeningen tot nu toe voor mij een gesloten boek bleven, stel ik vast dat Isidoor Goddeeris (°1953) zich nooit veel gelegen liet liggen aan een overal en altijd herkenbare stijl en thematiek. Zelfs Ingebeeld, de weelderige monografie die nu over hem verscheen (FaBfoundation), geeft een mens weinig houvast. Ik wed dat de kunstenaar zijn fotograaf, Marc De Brée, volkomen de vrije hand gaf in de weergave van zijn werken, want het werden best impressionante fotografische impressies van ranke bouwkundige constructies (schaalmodellen eigenlijk), monumentale en intieme sculpturen, gevoelige naakttekeningen en een atelier als de loods van een verzamelaar van stukken en brokken, een noodzakelijke chaos waaruit de creatie eerst mogelijk wordt, zo vermoeden we. Fotografen laten kunstwerken net zo groot of zo klein lijken als ze willen, details worden uitvergroot, bijzondere invalshoeken gekozen en lichteffecten gezocht die een eigen aura scheppen. Zo verschijnt een kunstwerk niet zozeer zoals het is, maar zoals iemand het zich heeft ingebeeld. Dat beeldhouwer Goddeeris, vertrouwd met de natuur van het witte marmer van Carrara en het albast van Volterra, zo'n artificiële behandeling van zijn beelden toelaat, wijst misschien op de trotse bescheidenheid van de vakbekwame monumentenverzorger en leraar 'beeldhouwen in steen', voor wie een opgeblazen ego meer een last zou zijn dan een lust. En als kunstenaar moet hij altijd een vrijheid van handelen hebben opgeëist die hij blijkbaar ook anderen gunt. Dat die vrijheid in het boek zo ver gaat dat de reële dimensies van zijn beelden, de materialen waaruit ze bestaan, data en titels onvermeld blijven, maakt dat de kunst van Goddeeris weliswaar een poëtisch maar ook wat zweverig bestaan gaat leiden, hoezeer Bieke Demeester of Jan Florizoone in hun artikelen voor het boek ook hun best doen om dit oeuvre concreet te beschrijven. Het is maar normaal dat de intrinsieke kwaliteit van het werk van een beeldend kunstenaar pas tot uiting komt wanneer men er oog in oog mee staat. In het kunst- en erfgoedcentrum Ter Posterie in Roeselare verschijnen de constructies en sculpturen van Goddeeris in hun ware gedaante in de ruimte. De foto's van De Brée die er een gloedvolle impressie van geven, hangen op eerbiedige afstand aan de muur. Dat geeft de expo Ingebeeld een klaarheid die ook spreekt uit het latente leidmotief: de sculpturale reconstructie van het bouwkundig erfgoed van een verdwenen maritieme beschaving. In steen, hout of oud ijzer werden er ranke tot strenge trappen, bruggen, grafmonumenten, paalwoningen en zelfs een indrukwekkende Kathedraal in het water gebouwd. Deze beschaving hield er Spartaanse, zelfs wrede zeden op na, getuige Het Offer, een halfontvleesd karkas in rode steen, bengelend aan een koord. Het repetitieve ritme van de eindeloze reeksen smalle treden en de houten lattenstructuren wekt ontzag, maar houdt ook een afwijzing in: laat niemand de ongereptheid van dit domein schenden door het te betreden! Nu, de voorzieningen nodigen daar ook niet bepaald toe uit. Het woongedeelte van de Paalwoning heeft alles weg van een stal, hooguit een uitkijktoren over de leegte van de zee. En de architecten van deze beschaving bouwden hun Ponte Vecchio naar het voorbeeld van de Florentijnse brug over de Arno, alleen metselden ze haar open galeries potdicht en behielden ze de bovenste rij luchtgaten als kerkerramen. Wie tussen de twee hoge muren van de ene oever naar de andere loopt, hapt naar lucht en klaarte. Of heb ik me maar wat ingebeeld?