Twee reuzen van de renaissanceschilderkunst in Noord-Italië komen opnieuw samen in een van de fijnste kunstmusea van Europa. Andrea Mantegna (ca. 1431-1506) uit Padua en de Venetiaan Giovanni Bellini (ca. 1435-1516) vulden elkaar als vernieuwers wonderwel aan: Mantegna door zijn gedurfde perspectiefeffecten, strakke theatrale composities, figuren met sculpturale vormen en scherp gesneden omtreklijnen; Bellini door het luchtige verweven van licht, landschap en figuren middels zachte penseelstreken die een harmonie van tonen trachten te bereiken.

Zo staat het in de boekjes, en bij benadering klopt het ook wel. Maar uit de confrontatie blijkt ook dat beide kunstenaars donders goed naar elkaars werk hadden gekeken, zozeer dat ze soms moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn. We kunnen het overlaten aan de experts (die boeken vulden met hun onderlinge meningsverschillen) om ze uit elkaar te halen. Zelf hoeven we alleen maar te genieten van 85 schilderijen en tekeningen door twee meesters die fundamentele bouwstenen van de kunst van de renaissance aanbrachten en als tekenaars, coloristen en bovenal als overbrengers van emoties met kop en schouders uitstaken boven het pak.

Dat ze elkaar van nabij in de gaten hielden, was niet zo verwonderlijk. Mantegna was misschien zes jaar ouder dan het mantelkind Bellini. Van diens vader, de schilder Jacopo Bellini, had hij dochter Nicolosia zowat in de schoot geworpen gekregen. Jacopo, een vermogende Venetiaanse burger, leidde een familieatelier en had zo'n supertalent graag aan zich gebonden. Mantegna, zoon van een schrijnwerker, bleef niettemin waar hij zat, in de rustige universiteitsstad Padua, en liet echtgenote Nicolosia overkomen. De artistieke dialoog of krachtmeting met zijn schoonbroer kon beginnen.

We identificeren Mantegna's hand gemakkelijker dan die van Bellini. Hij moet vaster in zijn schoenen hebben gestaan. 'Hij was een man met een visie', beaamt curator Caroline Campbell. De selfmade man had een behoorlijke intellectuele bagage verworven, geschraagd door de kennis van de antieke cultuur. Zijn eruditie, ideeën en visuele vondsten verwerkte hij systematisch in zijn kunst. Bellini was eerder van het poëtische type, gezegend met een rijke picturale gevoeligheid en zo beïnvloedbaar als de pest. Als we goed kijken, zien we bij hem soms de byzantijnse trekjes van Giotto, diens serene sfeer en delicate toets die we ook bij Piero della Francesca aantreffen, enig Vlaams realisme en landschapsschoon via Antonello da Messina, verfijnd statueske vormen zoals bij Donatello. Dat hij ook de vondsten van Mantegna zou absorberen en naar zijn hand zetten, lag in de lijn der verwachtingen.

Uit hun Londense confrontatie blijkt dat Andrea Mantegna en Giovanni Bellini elkaar donders goed in de gaten hielden.

Voor velen maakt Bellini's veelzijdigheid hem tot een grotere kunstenaar dan Mantegna. Maar de expo maakt duidelijk dat die laatste in alle stilte de schilderkunstige verfijning en het landschapsgevoel van de ander zou evenaren. Zo verenigt De dood van Maria (ca. 1460), met het sublieme gezicht op het meer in Mantua (waar Mantegna hofschilder werd), de sterke punten uit hun beider kunst. Het is verleidelijk om te denken dat ze ooit samen aan één project hebben gewerkt, wat Caroline Campbell kordaat uitsluit. Ondertussen zette zij toch maar mooi enkele werken naast elkaar waarbij de een onbeschroomd leentjebuur speelde bij de ander. En zowel bij Het lijden in de hof, De presentatie in de tempel als bij Christus in het voorgeborgte moeten we vaststellen hoe de Venetiaan een poëtische draai gaf aan de inventies van zijn Padovaanse schoonbroer.

Tot 27 januari.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.