Hugo Claus in 1950-55 : een onwillig experimenteel.
...

Hugo Claus in 1950-55 : een onwillig experimenteel.Het door Georges Wildemeersch geredigeerde ?jaarboek voor de Claus-studie? heeft een wat curieus opzet. Anders dan de klassieke jaarboeken van schrijversgenootschappen is dit aan Hugo Claus gewijde jaarboek in zekere zin een encyclopedische biografie van Claus, waarvan om de twaalf maanden een aflevering verschijnt. De onlangs gepubliceerde tweede aflevering bestrijkt de jaren 1950-1955. Ze bevat een uitvoerige kroniek over deze periode, een reeks ongepubliceerde gedichten en verhalen, een uitgebreide briefwisseling tussen Claus en Simon Vinkenoog en studies over Claus' activiteiten uit deze jaren als dichter, prozaïst, tijdschriftredacteur en schilder. De eerste helft van de jaren vijftig vormen een belangrijke periode in Claus' artistieke ontwikkeling. Het is de periode die hij voor een belangrijk deel in het buitenland doorbracht (in Frankrijk en Italië) en waarin hij, als jonge twintiger, ?doorbreekt? en al snel erkenning verwierf, ook, en misschien vooral in Nederland. Hij kreeg er, als enige Vlaming, een plaats bij de zogeheten experimentele dichters. Tegelijk was hij in die tijd de belangrijkste vertrouweling van Jan Walravens, journalist bij Het Laatste Nieuws, die sterk was beïnvloed door het Franse existentialisme. Vanuit die filosofische achtergrond trachtte Walravens, via het literaire experiment, het modernisme in de Vlaamse literatuur zijn plek te geven. Zijn belangrijkste werktuig daarvoor was het tijdschrift Tijd en Mens. De schrijvers die het in zijn ogen moesten doen, waren Claus en Louis Paul Boon. Met Tijd en Mens engageerde Claus zich uitdrukkelijk voor een specifieke literaire optie, maar al snel bleek hij het moeilijk te krijgen met wat hij ervaarde als de dogmatiek daarvan. Zoiets is eigen aan elk artistiek programma, hoezeer het later ook door de literatuurgeschiedenis werd geconsacreerd tot een centraal keerpunt in de naoorlogse letteren. Al vrij snel toonde Claus zich in zijn artistieke vrijheid gehinderd door de impliciete voorschriften en verwachtingspatronen, die eigen zijn aan zulke schoolvorming : literatuur kon toch geen formule zijn. Al vanuit deze tijd dateren niet toevallig de Schola Nostra-gedichten, die ruim anderhalf decennium later in een soort mystificatie als... ?experimentele? roman (!) onder die titel verschenen en die in zekere zin te lezen zijn als een kritische pastiche op het poëtisch experimentalisme. M.R. ?Het teken van de ram. Jaarboek van de Claus-studie 2?, Kritak/De Bezige Bij, Antwerpen/Amsterdam, 267 blz.