Tenzij het tij keert, heeft België binnenkort te weinig huisartsen. De afgelopen jaren daalde het aantal praktiserende huisartsen met 7 procent, een trend die zich bovendien sterker doorzet in Vlaanderen dan in Wallonië. In 2002 telde ons land nog gemiddeld 25,5 praktiserende huisartsen per 100.000 inwoners. In 2005 waren dat er nog 23,8. Meer recente cijfers zijn er nog niet, maar alles wijst op een verdere daling.
...

Tenzij het tij keert, heeft België binnenkort te weinig huisartsen. De afgelopen jaren daalde het aantal praktiserende huisartsen met 7 procent, een trend die zich bovendien sterker doorzet in Vlaanderen dan in Wallonië. In 2002 telde ons land nog gemiddeld 25,5 praktiserende huisartsen per 100.000 inwoners. In 2005 waren dat er nog 23,8. Meer recente cijfers zijn er nog niet, maar alles wijst op een verdere daling. Zo wordt al jaren het quotum voor huisartsen niet gehaald. Elk jaar mogen er ongeveer 300 huisartsen afstuderen, van wie 180 in Vlaanderen. De jongste jaren studeren er echter maar een honderdtal af. In 1996 besliste de regering om een numerus clausus met een bijbehorend toelatingsexamen in te voeren bij de inschrijving van studenten geneeskunde aan onze universiteiten. Door de instroom van studenten te beperken, wou men de uitgaven binnen de gezondheidszorg intomen. Dat beperkingsbeleid bleef niet zonder gevolg: in de jaren vóór het eerste toelatingsexamen schreven zich jaarlijks 15.000 à 16.000 eerstejaars geneeskunde in aan de Vlaamse universiteiten, vandaag zijn dat er 8000 à 9000. Een teveel aan huisartsen doet de medische consumptie toenemen. Maar, paradoxaal genoeg, een tekort aan huisartsen óók. In dat laatste geval hollen mensen namelijk vaker meteen naar een specialist of naar de spoedafdeling van een ziekenhuis. Dat leidt tot meer onnodige en dure technische onderzoeken, zoals vorige maand nog bleek uit een onderzoek van Test-Aankoop. Een huisarts, daarentegen, kent zijn patiënten beter en fungeert als filter: welke klachten zijn dringend en wat kan even wachten? Spoedgevallendiensten en specialisten kunnen die afweging doorgaans niet maken, omdat ze dat totaalbeeld van de patiënt missen - en dat is overigens ook hun rol niet. De gevolgen doen zich intussen gevoelen. De wachttijden om een huisarts te kunnen zien worden langer, en het aantal huisbezoeken neemt flink af. In 1998 was 45 procent van de contacten met de huisarts nog een huisbezoek, vandaag is dat teruggelopen tot 32 procent. Bovendien kunnen huisartsen helpen om de kosten voor de gezondheidszorg te drukken. Van hen wordt verwacht dat ze een patiënt kunnen begeleiden van bij de geboorte tot aan de dood, dat ze de leefwereld van de patiënt kennen. 'Daarom is het zo belangrijk dat de inschrijving van een patiënt bij een vaste huisarts verplicht wordt', zegt Bert Aertgeerts, huisarts en hoofd van het Academisch Centrum voor Huisartsgeneeskunde aan de K.U.Leu-ven. 'Op die manier krijg je een beter zicht op de gezondheidstoestand van individuele patiënten én van de hele populatie. En dan kan de overheid de beschikbare middelen beter afstemmen op de reële noden. Nu zitten gegevens een beetje overal en heeft niemand nog een overzicht.' Ettelijke patiënten hoppen immers van de ene arts naar de andere tot ze de pillen krijgen die ze willen - slaapmedicatie is op dat vlak een klassieker. Dat shopgedrag leidt natuurlijk tot overconsumptie, wat niet alleen gevaarlijk is voor de gebruiker, maar ook flink op het budget van de gezondheidszorg weegt. 'Een verplichte inschrijving bij een vaste huisarts, met soepele procedures om van huisarts te veranderen, zou het beroep ook een stuk aantrekkelijker maken', aldus Aertgeerts. Zo'n inschrijving maakt meteen komaf met de frustratie van de huisarts, die anders vroeg of laat wel merkt dat zijn patiënt achter zijn rug om elders gaat. Dat is allemaal behoorlijk tijdrovend, en daardoor frustrerend. Er zijn wel enkele initiatieven in de goede richting genomen. Zo kan een huisarts op verzoek van een patiënt een globaal medisch dossier (GMD) bijhouden, dat naast de medische gegevens ook verslagen van specialisten en onderzoeken bevat. Het GMD geeft een totaalbeeld van de gezondheidssituatie van een patiënt - op voorwaarde dat die altijd naar dezelfde huisarts gaat, natuurlijk. Willen we de quota in de komende jaren halen, dan zijn er maatregelen nodig om het vak aantrekkelijker te maken, staat te lezen in een recent rapport van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE), een onafhankelijke groep van wetenschappers en artsen die in opdracht van de overheid het Belgische gezondheidszorgsysteem doorlichten. Maar wat maakt het beroep van huisarts dan zo onaantrekkelijk? Het begint al vóór de eerste les van de eerste kandidatuur, zo blijkt. Heel wat jongeren knappen af op het toelatingsexamen, en kiezen dan maar voor een andere opleiding. Daarnaast is er de moeilijke combinatie van praktijk en gezin: avondconsultaties en wachtdiensten maken het familieleven er niet aangenamer op. Groepspraktijken proberen op dat vlak een oplossing te bieden. Een derde kwestie is het negatieve imago dat aan huisartsen hangt, schrijft het KCE-rapport. Concreet: huisartsen zijn losers, was lang de teneur. Wie vroeger niet goed genoeg was om te specialiseren of geen specialisatieplaats kreeg, werd dan maar huisarts. En omgekeerd: wie kon specialiseren en toch voor het huisartsenbestaan koos, werd niet voor vol aangezien. Die mentaliteit is de afgelopen jaren aan het veranderen, maar we zijn er nog niet. En ten slotte draait het zoals zo vaak om centen. Belgische artsen worden vergoed per prestatie, en medische disciplines waarin veel technische prestaties worden verricht, leveren een pak meer inkomsten op. Daartoe behoren onder andere cardiologie, radiologie en klinische biologie. De artsen die het veeleer moeten hebben van klinische vaardigheden, zoals kinderartsen, psychiaters, geriaters en huisartsen, verdienen een pak minder. Om precies te zijn: een geconventioneerde huisarts krijgt 21,50 euro bruto voor een raadpleging overdag, en 26,50 euro bruto voor een huisbezoek. Ook dat maakt de job minder aantrekkelijk voor geneeskundestudenten. Om aan een deel van die bezwaren tegemoet te komen, werd de voorbije jaren flink gesleuteld aan de opleiding. 'Huisartsgeneeskunde is een specialisatie geworden naast de andere medische disciplines', zegt Bert Aertgeerts. 'We hebben in korte tijd een sterke onderzoeksafdeling en een vernieuwd en uniek onderwijsaanbod uitgebouwd. Er kwam meer nadruk op wetenschappelijk onderzoek, op kritisch denken en op communicatietraining in de huisartsopleiding. Binnen de basisopleiding worden al vanaf de eerste jaren huisartsstages georganiseerd, en in het zesde jaar wordt naast het klassieke coassistentschap in de ziekenhuizen zes weken stage gevolgd bij een huisarts. Dat laat de studenten toe om al vroeg in de opleiding kennis te maken met het beroep, en te zien of het hen ligt.' De specifieke huisartsstage bestaat sinds twee jaar en de eerste evaluaties wijzen op veel enthousiasme bij de studenten en hun stagebegeleiders. Maar ook voor die stages wordt steun gezocht bij de overheid. Huisartsen zijn nu al niet dik gezaaid, stagemeesters - die gemiddeld één stagiair-huisarts tegelijk opleiden - nog minder. 'We zoeken er jaarlijks een stuk of duizend, alleen al vanuit de K.U.Leu-ven', zegt Aertgeerts. 'Die mensen verdienen een degelijke opleidingsvergoeding. Vandaag ontbreekt die grotendeels.' De overheid heeft het stageprobleem en de vergoedingen nog niet op de agenda gezet.DOOR MARLEEN FINOULST/foto rob walbers