In dit seizoen van mist en korte dagen drukt een gedachte me op het humeur als een zak cement op de schouders. Stel dat de hemel niet meer opklaart. Het land ligt onder een asgrauwe nevel die het zicht beperkt tot twee auto's verder in de file. En de brij verdwijnt niet meer. De angst is niet dat de mist een hele dag blijft hangen, en ook morgen nog, maar dat de klamme massa dag in dag uit, jaar in jaar uit, de aarde toedekt. De lucht is een matglas geworden, het licht daarachter een laag grijze verf die niets laat zien en alles afschermt.
...

In dit seizoen van mist en korte dagen drukt een gedachte me op het humeur als een zak cement op de schouders. Stel dat de hemel niet meer opklaart. Het land ligt onder een asgrauwe nevel die het zicht beperkt tot twee auto's verder in de file. En de brij verdwijnt niet meer. De angst is niet dat de mist een hele dag blijft hangen, en ook morgen nog, maar dat de klamme massa dag in dag uit, jaar in jaar uit, de aarde toedekt. De lucht is een matglas geworden, het licht daarachter een laag grijze verf die niets laat zien en alles afschermt. Het moet gezegd worden dat er ook voordelen verbonden zijn aan het verbergen van de wereld. Het landschap dat bont en bloot onder de zon ligt, is niet overal een streling voor het oog. Vanuit esthetisch oogpunt maak ik de rit van Antwerpen naar Hasselt over de E313 liefst in een dichte mist. Maar het kan nog beter. In mist die dik genoeg is, lopen de wagens vast als in een taaie pasta. Eindelijk wordt het verkeer resoluut gestremd zodat iedereen kan blijven waar hij is en het echte leven kan herbeginnen. Binnenshuis en met behulp van wat elektrisch licht blijft de wereld helder als de dag. Wie naar buiten kijkt, ziet een land als een wit papier waarop alles hertekend kan worden. De wereld is weer een onbeschreven blad. Maar dat beeld bedriegt. Mist wist niets uit, mist verbergt alleen maar. De toestand is in werkelijkheid verstikkend. Alles wat bestond, blijft bestaan, wat aan de gang was, gaat door, alleen het zicht op de verte is weg. De horizon is vervangen door een wazige muur op een paar armlengten afstand. De hemel is een betonnen dak. Het enige zintuig dat grote afstanden overbrugt, wordt de weg versperd. We zien de sterren niet meer, misschien niet eens de toppen van de bomen. Het gehoor reikt voortaan verder dan het gezicht. Alleen door te blaffen, waarschuwt de hond nog voor zijn onzichtbaar bestaan. Elke tijdelijke vermindering van de transparantie van de lucht herinnert eraan dat geen natuurwet uitsluit dat die toestand bestendig zou zijn. Mist ontstaat wanneer de lucht vochtig is, de grond afkoelt, en geen wind de nevelen wegblaast. Onder die voorwaarden condenseert de waterdamp laag boven de grond tot druppeltjes die zo klein zijn dat ze blijven zweven. De deeltjes verstrooien het licht in alle richtingen en belemmeren zo de zichtbaarheid. Stel dat onze planeet een iets koelere, compactere, nattere atmosfeer zou hebben dan het geval is, dan zou het niet uitgesloten zijn dat een eeuwige mist zich over het hele aardoppervlak uitstrekt. Zou leven in die omstandigheden mogelijk zijn? Daaraan hoeft niet getwijfeld te worden. In het troebelste water wriemelt het van het leven, waarom zou lucht die wat nevelig is een probleem zijn? Het volstaat dat enig diffuus licht tot het oppervlak doordringt en de temperatuur niet te laag wordt en een mistige dampkring kan een paradijs zijn voor plant en dier. Is intelligent leven in die omstandigheden mogelijk? Men ziet niet in waarom het niet zou kunnen. De ontwikkeling van de hersenen onder de schedel wordt niet gehinderd door de ondoorschijnendheid van de lucht erbuiten. Veeleer bevorderd. De moeilijkheden die de zintuigen in de mist ondervinden, dwingen de hersenen extra alert en actief te zijn, hetgeen ze slechts tot groei kan aanzetten. Maar al verdrijven de nevelen van de atmosfeer die van het verstand, dat betekent niet dat de mensheid in die omstandigheden een bloeiende wetenschap tot ontwikkeling had kunnen brengen. Stel dat over de aarde een permanente mist hangt waardoor het zicht nergens verder dan vijftig meter reikt. Een gevolg zou zijn dat het onmogelijk is zich teoriënteren aan de hand van landschapskenmerken. Kleine, nabije objecten laten zich onderscheiden, maar niets van wat het landschap op een grotere schaal karakteriseert. Het bestaan van bergen kan slechts afgeleid worden uit vele lokale metingen van de helling van de grond, het kronkelen van een rivier moet blijken uit plaatselijke krommingen van de oever. Iedereen is bijziend: wat aan de voeten ligt, is zichtbaar, verderop verdwijnt alles in het vage. Reizen zonder kompas is hachelijker dan slaapwandelen in een vreemd hotel vol gangen en wenteltrappen. Wie zich een eindje verplaatst over een terrein dat hij niet al nauwkeurig kent, verdwaalt onherroepelijk. Nooit zou het mogelijk geweest zijn exploratietochten uit te voeren over een mistige aarde. De bolvorm van de planeet zou ook haast niet ontdekt kunnen worden. Zonder de stand van de hemellichamen te kunnen bepalen of uitgestrekte gebieden te kunnen opmeten, zou het niet mogelijk zijn geweest de kromming van het aardoppervlak vast te stellen. De meetkunde zelf had zich maar moeilijk kunnen ontwikkelen in een wereld waarvan de bewoners opgesloten leven in wazige cellen en zich nauwelijks een voorstelling van de ruimte kunnen maken. Ook het besef van tijd zou anders zijn. Zonder een zicht op de zon en de maan kan geen kalender opgesteld worden. Door de dag- en nachtschommeling van het licht en de cyclus van de seizoenen zou een zeker tijdsbesef bestaan, maar veel structuur kan daarin niet ontdekt worden. De tijd zou niet meer dan een vage golfslag doorheen het leven zijn, met onduidelijke variaties in ritme en intensiteit. De schommeling van de getijden aan de kust blijft even mysterieus als het aan- en uitgaan van het licht aan de hemel. Zonder vrij uitzicht omhoog zou geen astronomie kunnen ontstaan, en zonder deze moeder van alle wetenschappen had de menselijke kennis het niveau van een alledaagse feitenkennis niet kunnen overstijgen. Alleen de studie van het uitspansel bracht aan het licht dat het heelal een kosmos is, een geordend systeem van wetten en verbanden, en op dat inzicht is de wetenschap gebaseerd. Hoe zou het idee van universele wetten hebben kunnen opkomen in een wereld die alle luiken gesloten houdt? Mist in de atmosfeer hindert niet alleen het gezicht, maar ook de geest. Aan het feit dat de aarde haar opklaringen kent, dankt de wetenschap haar ontstaan. Aan hetzelfde feit klampt de overwinteraar zich vast om zijn humeur te bewaren in dit seizoen van mist en korte dagen.Gerard Bodifée