Beleggingsfondsen of instellingen voor collectieve belegging (ICB's) zijn er van verschillende categorieën en met tal van compartimenten en uiteenlopende strategieën. Eén kenmerk hebben ze alvast gemeen: ze verkopen deelbewijzen van één groter geheel. Het geld dat ze ophalen, stoppen ze in één portefeuille en daarmee investeren ze in aandelen, obligaties of andere waardepapieren. De belegger kan gerust zijn. Een team van professionelen, de fondsbeheerders, ziet erop toe dat het geld gespreid wordt belegd. In ruil daarvoor betaalt de belegger een jaarlijkse beheersvergoeding: 1 tot 1,5 procent. Veel geld hoeft hij niet t...

Beleggingsfondsen of instellingen voor collectieve belegging (ICB's) zijn er van verschillende categorieën en met tal van compartimenten en uiteenlopende strategieën. Eén kenmerk hebben ze alvast gemeen: ze verkopen deelbewijzen van één groter geheel. Het geld dat ze ophalen, stoppen ze in één portefeuille en daarmee investeren ze in aandelen, obligaties of andere waardepapieren. De belegger kan gerust zijn. Een team van professionelen, de fondsbeheerders, ziet erop toe dat het geld gespreid wordt belegd. In ruil daarvoor betaalt de belegger een jaarlijkse beheersvergoeding: 1 tot 1,5 procent. Veel geld hoeft hij niet te investeren, want er zijn deelbewijzen van verschillende grootteordes. Hoe meer hij investeert, hoe groter zijn mogelijke winst, of zijn verlies. Winsten en kosten worden gedeeld. De belegger zit niet aan zijn fonds vast. Hij kan intreden of uittreden. Tenminste, als hij een deelbewijs van een open fonds heeft gekocht. In ons land zijn er juridisch gezien namelijk twee grote categorieën van fondsen: beveks of open fondsen, en bevaks of gesloten fondsen. Ze werden voor het eerst gecreëerd in 1991 nadat de Europese richtlijn van 1985 in een Belgische wet werd omgezet. De grootste categorie, de beveks - ook wel vergeleken met de Luxemburgse sicavs (société d'investissement à capital variable) - zijn beleggingsvennootschappen met veranderlijk kapitaal. Een voorbeeld zijn de sectorfondsen. Dat kapitaal groeit aan of neemt af naargelang er nieuwe beleggers in- of uitstappen. Dan worden bijkomende deelbewijzen gecreëerd of uit de markt gehaald. De waarde van een deelbewijs noemt men de inventariswaarde. Die wordt berekend op basis van de waarde van de beleggingen gedeeld door het aantal deelbewijzen. Beveks zijn uitgegroeid tot de meest populaire beleggingsfondsen. Niet zonder reden, want ze bieden fiscale voordelen. Op kapitalisatiebeveks (beveks die geen jaarlijkse intresten of dividenden uitkeren, maar die aan het bestaande kapitaal toevoegen) betaal je geen roerende voorheffing. Datzelfde voordeel geldt niet voor de distributiebeveks. Die keren wel een dividend uit en dat betekent een roerende voorheffing van vijftien procent. De andere categorie, de bevaks, biedt de voordelen van in- en uitstappen niet. Het gaat om een gesloten fonds, een beleggingsvennootschap met vast kapitaal, de tegenhanger van de Luxemburgse sicafi (société d'investissement à capital fixe). Dat wil zeggen dat het niet verandert wanneer iemand in- of uitstapt. De meeste bevaks zijn beursgenoteerd. Wie zijn aandelen kwijt wil, moet een koper vinden en verkoopt ze tegen de beurskoers. Wie er wil kopen, moet wachten tot een andere belegger ze verkoopt. De meeste bevaks in ons land zijn vastgoedbevaks en beleggen in een korf van onroerend goed. Maar we kunnen ook beleggen in durfkapitaal, kapitaal van groeibedrijven, en dan gaat het om privaks of private equity bevaks. Ook dat zijn beursgenoteerde, gesloten fondsen. Hun kenmerk: ze streven naar een minimum aan niet-beursgenoteerd papier in hun portefeuille. De Brusselse Euronext telt slechts twee privaks: Quest for Growth en KBC Private Equity Fund Biotech. Voor de liefhebbers. Ingrid Van Daele