Hoewel de Europese Unie in het vredesproces in het Nabije Oosten nauwelijks een politieke stem in het kapittel heeft, is ze wel financieel aanwezig als veruit de belangrijkste sponsor van de Palestijnen. Tussen 1994 en 1998 bedroeg de hulp van de vijftien EU-landen om en bij de 67 miljard frank. Bijna de helft van die gigantische som kwam uit het Unie-budget.
...

Hoewel de Europese Unie in het vredesproces in het Nabije Oosten nauwelijks een politieke stem in het kapittel heeft, is ze wel financieel aanwezig als veruit de belangrijkste sponsor van de Palestijnen. Tussen 1994 en 1998 bedroeg de hulp van de vijftien EU-landen om en bij de 67 miljard frank. Bijna de helft van die gigantische som kwam uit het Unie-budget. Uit een zopas vrijgegeven rapport van het socialistische parlementslid Lord John Tomlinson, lid van de commissie begrotingscontrole, blijkt dat de commissie en de bevoegde commissaris Manuel Marin het parlementaire toezicht op het gebruik van het vele geld bijna onmogelijk maakten. Ze vertikten het om het jaarlijks evaluatierapport te publiceren en pas na lang aandringen kreeg Tomlinson het eindverslag in handen. Volgens de socialistische Lord is het een regelrechte schande dat de commissie er zich op die manier van afmaakt. "In het document ontbreekt elke analyse. Het is een aanfluiting van de professionele normen terzake." Voor hun prestatie vroegen de auteurs circa vijf miljoen frank, wat ruim het dubbele van de normale prijs is. Ook de financiële controledienst van de commissie (DG 20) nam midden vorig jaar het hulpprogramma voor Palestina onder de loep. Tomlinson kon er pas de hand op leggen, omdat ambtenaren het verbod van hun oversten negeerden en het document toch aan het parlement doorspeelden. "Op geen enkel moment", noteert Tomlinson, "waren de verantwoordelijken bereid om me over de projecten te informeren. Terwijl men openheid en transparantie mag verwachten, heerst hier achterdocht, zoniet paranoia." Opmerkelijk is dat de eindevaluatie van vijf miljoen frank vele witte vlekken vertoont. Zo wordt er geen melding gemaakt van het ziekenhuis van 240 bedden in de Gaza-strook. De werken aan dit project van 740 miljoen frank begonnen in 1994 en waren eind 1996 voor 98 procent voltooid. Begin 1999, ruim twee jaar later, is het ziekenhuis nog altijd niet operationeel. Tomlinson verbaast zich des te meer over deze lacune in het evaluatieverslag omdat de DG 20 al in 1997 alarm sloeg. Toen waarschuwde ze al dat het ziekenhuis een witte olifant dreigde te worden. De interne audit van DG 20, signaleert Tomlinson, werd door de verantwoordelijken gekoesterd. Het duurde ruim een jaar vooraleer de commissie het aandurfde het document intern te verspreiden. Op de vraag welk gevolg men aan de audit gaf, kreeg Tomlinson van de verantwoordelijken te horen dat ze nog geen tijd hadden gevonden om het te lezen. In een andere audit van DG 20 worden ook vragen geformuleerd over de aanpak van het huizenproject. Met EU-geld zouden relatief goedkope huizen van circa een miljoen frank worden gebouwd. Dat was het plan, maar toen de eerste appartementen werden opgeleverd, bleek dat de kostprijs gemiddeld 60 tot 80 procent hoger lag. Volgens de DG 20 was het een gevolg van onverantwoorde verfraaiingswerken, waar sommigen goed geld aan verdienden. Uit Italië kwamen ladingen graniet toe die prompt in de keukens werden geïnstalleerd. In een reactie op de audit ontkende commissaris Marin niet dat de kosten uit de hand waren gelopen. De reden was echter van... seismologische aard. Gaza zou in een voor aardschokken gevoelig gebied liggen. Over de graniet was Marin wel duidelijk: de aanvoer was gestopt. Tomlinson wil van de commissaris weten waarom er, ondanks de controle van de commissie, plots luxe-appartementen werden neergepoot. Daarnaast bezorgde de ijverige Lord namens de commissie begrotingscontrole aan Marin nog 25 andere vragen over het Palestina-programma. Volgens Nelly Maes (VU), die eveneens in de commissie begrotingscontrole zit, zijn de antwoorden van Marin van beslissend belang voor de kwijting over het begrotingsjaar 1997. "Steeds meer parlementsleden pikken het niet langer dat de commissie onzorgvuldig optreedt en elke serieuze controle van het parlement haast onmogelijk maakt." Paul Goossens