Als je een tweeling verwacht, wordt je lichaam sterker op de proef gesteld dan bij een eenlingzwangerschap. Zo kun je in de eerste 14 tot 16 weken sneller en meer last hebben van de typische misselijkheid en vermoeidheid, omdat je meer zwangerschapshormonen produceert. Je komt ook meer bij: met een gezond startgewicht win je zo'n 12 tot 18 kilogram, tegenover 11 tot 15 kilogram bij een eenling. De extra kilo's beginnen meestal vanaf 28 weken hun tol te eisen: de foetussen wegen dan samen zo'n 2,5 kilogram. Vermoeidheid, bekkenlast en rugpijn kunnen je parten gaan spelen.
...

Als je een tweeling verwacht, wordt je lichaam sterker op de proef gesteld dan bij een eenlingzwangerschap. Zo kun je in de eerste 14 tot 16 weken sneller en meer last hebben van de typische misselijkheid en vermoeidheid, omdat je meer zwangerschapshormonen produceert. Je komt ook meer bij: met een gezond startgewicht win je zo'n 12 tot 18 kilogram, tegenover 11 tot 15 kilogram bij een eenling. De extra kilo's beginnen meestal vanaf 28 weken hun tol te eisen: de foetussen wegen dan samen zo'n 2,5 kilogram. Vermoeidheid, bekkenlast en rugpijn kunnen je parten gaan spelen. "Luister naar je lichaam", adviseert professor Liesbeth Lewi, gynaecoloog in UZ Leuven gespecialiseerd in tweelingzwangerschappen. "Maar probeer wel zo lang mogelijk te bewegen, want bedrust verhoogt de kans op een vroeggeboorte. Vooral zwemmen is aangenaam, want in het water ben je gewichtloos en wordt je rug niet belast. Door de extra kilo's hoop je ook makkelijker vocht op in je voeten en benen, waardoor je je minder fit voelt en sneller spataders ontwikkelt. Steunkousen zijn, zeker bij een tweelingzwangerschap, geen overbodige luxe." Redenen genoeg dus om niet meer kilo's bij te winnen dan nodig. Je caloriebehoefte om jezelf en de tweeling van het nodige te voorzien bedraagt ongeveer 2200 kilocalorieën en ligt dus niet veel hoger dan buiten de zwangerschap. "Ga dus zeker niet voor 3 eten", benadrukt Lewi. "Want met overgewicht ontwikkel je ook makkelijker zwangerschapsdiabetes, zwangerschapshypertensie en zwangerschapsvergiftiging. Bij een tweelingzwangerschap heb je sowieso al een verhoogd risico op zwangerschapsvergiftiging na 26 weken en meestal rond 32 weken. Die verwikkeling wordt gekenmerkt door een hoge bloeddruk en eiwitten in de urine, maar kan ook samengaan met vochtophopingen, een wazig of vlekkerig zicht, pijn in de bovenbuik, misselijkheid, braken... Bij een milde vorm volgen we het goed op, én de tweeling, die mogelijk wat minder snel groeit. Maar bij een zeer ernstige vorm, die vaak gepaard gaat met hevige hoofd- of maagpijn, kan het nodig zijn dat je met spoed bevalt om je leven te redden, én dat van de tweeling, als die al levensvatbaar is." Een tweelingzwangerschap stelt het lichaam van de moeder wat meer op de proef, maar houdt toch voornamelijk meer risico's voor haar ongeboren tweeling in. Die moet nauwgezetter dan een eenling worden opgevolgd, wat zich voornamelijk vertaalt in veel meer echo's dan die ene per zwangerschapstrimester. "Foetussen die samen opgroeien in de baarmoeder ontwikkelen iets vaker structurele afwijkingen, bij de aanleg van hun organen en de verdere ontwikkeling van voornamelijk het hart, de hersenen en de nieren", legt Lewi uit. "Van chromosomale afwijkingen blijven ze waarschijnlijk iets vaker gespaard. Het risico op chromosomale afwijkingen kunnen we overigens ook bij een tweelingzwangerschap met de nieuwe NIPT of niet-invasieve prenatale test berekenen. Daarbij wordt het foetus-DNA in het bloed van de moeder geanalyseerd. Voor eeneiige tweelingen is de test vermoedelijk even nauwkeurig als voor eenlingen. Voor twee-eiige tweelingen is hij wat minder nauwkeurig, maar nog altijd veel nauwkeuriger dan de klassieke combinatietest. Die berekent het risico op basis van deze parameters: de foetale nekplooi die echografisch wordt gemeten, het gehalte van 2 hormonen in het bloed van de moeder en haar leeftijd." Als de risicoberekening voor chromosomale afwijkingen een verhoogd risico aantoonde, kunnen ouders, zoals bij een eenlingzwangerschap, een invasieve test laten doen die uitsluitsel geeft. Dat is een vlokkentest, op 12 weken, waarbij vlokken van de moederkoek worden afgenomen. Of een vruchtwaterpunctie, op 16 weken, waarbij vruchtwater uit het vruchtzakje wordt afgenomen. "We kiezen altijd voor een vruchtwaterpunctie als er maar 1 moederkoek is", vertelt Lewi. "In dat geval geeft de vlokkentest geen informatie over elke foetus apart." Dat begrijpen veel ouders niet meteen. Want, zo redeneren ze, als er maar 1 moederkoek is, gaat het om een eeneiige tweeling en zijn de foetussen toch genetisch identiek? "Maar in zeldzame gevallen zijn ze niet 100 % identiek als het chromosomale afwijkingen betreft", legt Lewi uit. "Neem nu het syndroom van Down of trisomie 21, gekenmerkt door een extra chromosoom ter hoogte van chromosomenpaar 21. Bij de splitsing van de bevruchte eicel kan dat extra chromosoom verloren gaan bij een deel van de cellen. De foetus die uit die normale cellen groeit, blijft dus gespaard van het syndroom van Down." Als een (chromosomale) afwijking bij 1 of beide foetussen aan het licht komt, kiezen ouders soms voor een zwangerschapsonderbreking van die foetus(sen). "Dat is nooit een gemakkelijke beslissing. En laten ze maar 1 foetus gaan, dan moeten ouders er nog rekening mee houden dat de ingreep die daarvoor nodig is ook een zeker miskraamrisico inhoudt voor de foetus die ze willen behouden." De meeste eeneiige tweelingen delen 1 moederkoek (en in uiterst zeldzame gevallen delen ze ook 1 vruchtzak). Ze lopen specifieke risico's en moeten echografisch nog nauwgezetter worden opgevolgd. Lewi illustreert dat voor het TTS of tweelingtransfusiesyndroom, dat 1 op de 10 tweelingen met 1 moederkoek treft, meestal tussen de 16de en de 26ste week. "Bij foetussen met 1 moederkoek zijn er vrijwel altijd bloedvaten die de bloedsomloop van de ene foetus met die van de andere verbinden. De foetussen wisselen dus bloed uit. Dat hoeft geen probleem te zijn, tenzij de bloedstroom voornamelijk in 1 richting gaat. Bij een groot onevenwicht worden beide foetussen ziek, de ene door te veel en de andere door te weinig bloed. En de foetus die te veel bloed krijgt, plast veel meer, en heeft dus op de echo's ook zichtbaar veel meer vruchtwater. De buik van de moeder zwelt fors op en de vliezen dreigen te breken, terwijl de foetussen nog niet levensvatbaar zijn of te ziek om een extreme vroeggeboorte te overleven. Onze eerstekeuzebehandeling is dan een kijkoperatie waarbij we de bloedvatverbindingen tussen de foetussen dichtbranden en het teveel aan vruchtwater aflaten. De kans dat we beide foetussen redden is 65 %, maar in respectievelijk 20 en 15 % van de gevallen verliezen we 1 of beide foetussen." In vergelijking met eenlingen groeien tweelingen minder snel vanaf 32 zwangerschapsweken. Vaak blijft 1 foetus wel mooi verder groeien, terwijl de andere achterblijft. Dat risico is het grootst als er maar 1 moederkoek is. "Bij een ernstig groeiprobleem kunnen we de foetussen, als ze al levensvatbaar zijn, vroeger geboren laten worden", vertelt Lewi. "Meer dan de helft van de tweelingen wordt overigens spontaan te vroeg geboren, gemiddeld op 36 weken, dus 4 weken vroeger dan de meeste eenlingen. Een matige vroeggeboorte is niet ongunstig voor tweelingen. Uit een recente studie ( waaraan Lewi meewerkte*) bleek dat tweelingen met 1 moederkoek de beste overlevingskansen rond de geboorte hebben als ze het levenslicht zien op 36 tot 37 weken. Voor tweelingen met 2 moederkoeken is dat op 37 tot 38 weken. Komt de bevalling na deze optimale zwangerschapstermijnen niet spontaan op gang, dan leiden we ze dus in."